John Ashley Burgoyne

Hoe interessant is het Eurovisie Songfestival?

Al zolang ik me kan herinneren is het Eurovisie Songfestival omstreden, vooral bij mensen met een meer dan gemiddelde liefde voor de popmuziek. In hun ogen is de liedjeswedstrijd tussen landen oppervlakkig, clichématig, puur gericht op de buitenkant, en dan ook nog eens doordrongen van politiek gekonkel of politiek correct stemgedrag. Zeer oninteressant dus.

Begin jaren 90 beleefde het kwakkelende Europese liedjesfestijn een verrassende wederopstanding. Nou ja, helemaal verbazingwekkend was het niet. In die jaren werd een groot deel van de Oost-Europese landen één voor één met de West-Europese verenigd in de NAVO en de EU. En hoe konden de banden beter worden aangehaald dan met muziek, de meest symbolische en verenigende kunstvorm die er bestaat?

Volgens sommige denkers, waaronder ik ook mezelf reken, kun je het Eurovisie Songfestival, meer nog dan het EK Voetbal, beschouwen als oorlog zonder wapens. Een manier om de onvermijdelijke rivaliteit tussen naties in goede banen te leiden. Er zijn jury’s in plaats van legerstaven, eindeloze intermezzo’s, een archaïsche puntentelling en er wordt nog Frans gesproken (‘Royaume-Uni, deux points’). Er zijn zoveel rituelen, niets is wat het lijkt, daar moet meer achter zitten. Bovendien, muziek is de enige taal die iedereen verstaat. Die gedachte maakt het Eurovisie Songfestival al wat interessanter.

Maar er zit nog een andere interessante kant aan dit jaarlijkse muziek- en spektakelspektakel. Dat leerde ik vorige week bij een webinar van computationeel musicoloog John Ashley Burgoyne van de Universiteit van Amsterdam. Burgoyne, afkomstig uit de VS, doet onderzoek naar muzikale kenmerken die bepalen of een liedje blijft ‘hangen’. In zijn project Hooked on Music onderzoekt hij wat liedjes van het Eurovisie Songfestival herkenbaar maakt en wat ze doet uitstijgen boven hun concurrenten.

Met de computer ontdekte hij eerst een aantal buitenmuzikale factoren die het oordeel over de liedjes bepalen. Bijvoorbeeld dat een liedje meer kans maakt om te winnen als het aan het begin van de avond wordt gezongen. Dat dansers op het podium de kans op een hoge score vergroten (maar met een maximum van zes dansers), maar dat het omhangen van een gitaar juist niet helpt. Maar gelukkig leert zijn onderzoek ook dat de melodie van een liedje uiteindelijk toch de doorslag geeft bij de eindbeoordeling.

Deze bevinding presenteerde de wetenschapper als de belangrijkste uit zijn nog lopende onderzoek. In de marge van dit verhaal wees hij ook op een aantal andere interessante bevindingen. De eerste was dat er zoiets als een typische Eurovisie Songfestival-klankkleur bestaat die zich vooral laat karakteriseren als ‘niet-Amerikaans’, bijvoorbeeld de invloeden van schlagers en volksmuziek op de popsongs. Zo had ik er nog niet tegenaan gekeken, maar het is wel herkenbaar. En je zou je dus kunnen voorstellen dat het songfestival deels de functie heeft om een lange muzikale Europese neus te trekken naar het machtige land aan de overkant van de plas.

Een andere in het oog springende opmerking van Burgoyne is zo mogelijk nog interessanter. Hij geeft aanleiding tot nieuwe hypothesen over onze Nederlandse (muzikale) identiteit en zelfbeeld. Want een vergelijking tussen onze luistervoorkeuren op Spotify en onze inzendingen naar het Eurovisie Songfestival bracht een verrassende tegenstelling aan het licht.

Uit de algoritmes van Spotify blijkt namelijk dat Nederlanders van alle Europeanen de meeste ‘positieve’ muziek afspelen, en de minste ‘negatieve’ muziek, waarbij het eerste staat voor vrolijk en ontspannend en het tweede voor verdrietig of boos. Tegelijkertijd zendt Nederland naar het Eurovisie Songfestival juist vooral droevige liedjes in – denk aan Birds (Anouk), The Calm After the Storm (The Common Linnets) en Arcade (Duncan Laurence).

Burgoyne zag hierin een onverklaarbare interne tegenspraak: Nederlanders houden van opwekkende muziek maar tonen op het internationale podium vooral van hun andere, donkere kant. Ik vermoed dat het in feite heel verklaarbaar is. Wij zijn in wezen een vrij depri volkje, half verdronken aan de afzakkende rand van het continent. Dus hebben we gewoon vrij veel opwekkende muziek nodig om het hoofd boven water te houden. Maar als we ons aan de buitenwereld moeten presenteren, kunnen we niet anders zijn dan ons depri zelf. Logisch toch? Denk daar maar eens even over na.

Al met al blijkt het Eurovisie Songfestival een stuk interessanter dan ik eerst dacht. Dat lijkt me een goede reden om morgenavond naar de finale te gaan kijken. Tevens een goed excuus voor mij om voor de dag te komen met mijn guilty pleasure: Vicky Leandros met Après Toi, winnaar van het songfestival in 1972. Wat is jouw Eurovision guilty pleasure?