Month: maart 2021

Het mooiste vogellied

Het is de tijd waarin we elke ochtend weer vogels horen, als aankondiging van de lente. Gisteren liep ik in een bos, mijn oren gespitst op het geluid van onder meer vinken en spechten, en ik moest denken aan alle bijzondere en vreemde vogels in de popmuziek. Aan bands genoemd naar vogelsoorten, zoals The Eagles, The Black Crows, Old Crow Medicine Show, The Byrds en Noel Gallagher’s High Flying Birds, om er een paar te noemen. En aan de liedjes die aan onze gevederde vrienden zijn gewijd.

Net zoals dichters van oudsher veel vogels in hun werk opvoeren, moeten de overeenkomsten tussen deze twee zingende diersoorten ook voor veel liedschrijvers te groot zijn om te negeren. Mannetjesvogels zingen onder meer om hun territorium af te bakenen en vrouwtjes te lokken. Ik ben vast niet de enige die hierin iets van het type rockzanger herkent. In elk geval zijn er flink wat vogelliedjes in de rock-‘n-roll te spotten – en er zitten hele mooie tussen.

(meer…)

Geluk of mensenrecht?

In de Volkskrant van afgelopen woensdag stond een opvallend nieuwsbericht over een ‘zangrel’: voorvechters van vrouwenrechten in Afghanistan waren in opstand gekomen tegen een aangekondigd verbod op zingen in het openbaar voor meisjes boven de twaalf jaar. Onder de hashtag #IAmMySong gingen al snel vele filmpjes van zingende meisjes rond op de sociale media.

Het bericht trof me. Hoe zou het zijn wanneer de machthebbers mij vanwege mijn sekse zouden verbieden om in het openbaar te zingen. Moeilijk om me zoiets voor te stellen, omdat zingen in onze westerse samenleving niet geassocieerd wordt met zonde en ook omdat algemene beperkingen voor mannen hier ondenkbaar zijn.

(meer…)

Het mooiste lied over de wind

De meteorologie en de popmuziek zijn vrienden voor het leven. Tenminste, dat valt af te afleiden uit de frequentie waarin verschijnselen als storm, sneeuw, kou, hitte, regen en zonneschijn in liedjes voorkomen. Maar toen ik naar aanleiding van het weer van de afgelopen dagen op zoek ging naar de mooiste popsong over de wind, had ik toch niet verwacht dat de oogst zo groot zou zijn – en zo rijk.

Wind blijkt als popthema nog populairder dan regen: de harde schijf van mijn de pc roept al meer dan honderd titels op. En dan heb ik de liedjes waarin het stormt nog buiten beschouwing gelaten. En wat een sterke liedjes zijn het ook vaak. Alsof de wind de liedjesschrijvers extra inspiratie heeft ingeblazen.

Het is verbazingwekkend hoeveel menselijke eigenschappen de wind in popliedjes krijgt toegeschreven. Hij kan de gedaante aannemen van zwoele verleider en mysterieuze helper, maar ook die van nietsontziende verwoester en spookachtige bedreiger. Die grote variatie heeft vast te maken met het onzichtbare en onvoorspelbare karakter van het weersverschijnsel, denk ik. Kan het toeval zijn dat Bob Dylan, ‘s werelds meest ongrijpbare popartiest, er zo vaak over zingt (Blowin’ in the Wind, Idiot Wind, Trade Winds)?

De wind mag dan onzichtbaar zijn, je hoort hem wel. Hij fluistert, spreekt, jankt, jammert, brult, verspreidt geruchten. In Kimmie Rhodes’ The Wind Was Talking hoort haar moeder er stemmen in, net als in Little Feat’s Voices on the Wind. In Don’t Listen To The Wind (Buddy Miller), The Wind Cries Mary (Jimi Hendrix) en Howlin’ Wind (Graham Parker) huilt de wind dreigend, alsof hij al ons nietige stervelingen belachelijk wil maken, vergelijkbaar met de stille kracht in Couperus’ roman.

Maar het hoeft niet allemaal zo zwaar te zijn. De wind is ook symbool van vrijheid – hij kan tenslotte op elk moment omslaan en een nieuwe richting kiezen. Voor vrijbuiter JJ Cale moet hij een soulmate zijn geweest: Call Me The Breeze is zo’n beetje zijn lijflied, en Anyway the Wind Blows (‘easy come, easy go’) een variatie op dat thema. Bij Texaan Guy Clark (Magnolia Wind) en americana-Brit Nick Lowe (Soulful Wind) fungeert een zoel briesje zelfs als postillon d’amour.

Gezien de ligging van ons land is het niet verwonderlijk dat wind in de Nederpop een grote rol speelt. In de jaren 70 stond Maggie McNeal vol in de westenwind (Terug naar de kust), net als The Cats (One Way Wind) en Haarlemmer Boudewijn de Groot fietste er waarschijnlijk ‘met dat kind’ tegenin (Jimmy). In recenter jaren hetzelfde beeld. Hedendaagse vaderlandse liedjesschrijvers als Daniël Lohues (Zodat Ok Bij Mij De Wind Goed Stiet), Broeder Dieleman (Leve de wind), JW Roy (Nu de wind me draagt), De Kik (Je bent als de wind) en Henny Vrienten (Zelfs de wind) verwerkten het thema stuk voor stuk in gloedvolle liedjes.

Maar wat is nou het mooiste lied over de wind? Voor mij uiteindelijk toch het lied dat deze week het eerste bij me opkwam: David Bowie’s Wild Is the Wind, van zijn album Station To Station uit 1976. Een buitenbeentje in zijn werk: het is een van zijn zeldzame covers. En tegelijk past het naadloos in zijn eigen liedjes. Oorspronkelijk geschreven door Dimitri Tiomkin and Ned Washington voor de gelijknamige film uit 1957, werd het in dat jaar een bescheiden hit voor Johnny Mathis. Daarna volgden talloze covers, waaronder de bekende van Nina Simone uit 1959. Bowie, die haar in 1975 ontmoette, nam zijn versie een jaar later op als een tribuut aan Simone.

Zoals wel vaker maakte ik kennis met deze muziek via mijn oudere broer. Op Bowies Station To Station stonden meer fantastische nummers, zoals Golden Years en TVC 15, maar Wild Is the Wind sprong eruit: die ongebruikelijke romantische akkoorden die eindeloos door leken te kunnen gaan, en vooral de manier waarop Bowie zich overgaf aan het lied en aan de liefde. De zanger is wild en ongetemd als de wind, bezweert hij, en hij wil zijn geliefde meevoeren, optillen, net zo lang totdat ze samen de wind worden, of nee, verder nog, totdat ze één worden, als ritselende bladeren aan een boom. En zo worden ook wij op de muziek meegevoerd, verder en verder. Zet hem nog een keer op en zweef weg op de wervelingen van Wild Is the Wind.

Meer liedjes over de wind horen? Op de Spotify-playlist van Goeie Nummers zijn alle genoemde liedjes handzaam op een rij gezet.

Je bent veertien

Onlangs liep ik met een volgeladen winkelkarretje in de plaatselijke Plus-supermarkt, mijn ogen gericht op de schappen met vuilniszakken. Opeens hoorde ik, net boven het winkelgeroezemoes uit, de uit duizenden herkenbare klanken van On the Border van Al Stewart: ´The fishing boats go out across the evening water’. Dat exotische beeld mengde zich instant met jaren 70-behang, een langwerpige jongenskamer, een pick-up, het gevoel dat er een leven voor me lag waarin alles kon gebeuren, in Spanje of andere exotische plaatsen. De boodschappen waren even helemaal vergeten.

Ik moest terugdenken aan een mooi artikel in The Times waarop een vriend me een tijdje geleden attendeerde. De Britse popjournaliste Caitlin Moran (1975) beschrijft hierin hoe ze in een doe-het-zelfzaak plotseling volschiet bij het horen van Tracy Chapmans hit Fast Car uit 1988. Een Proustiaanse stroom herinneringen aan haar tienertijd welt op, vooral aan de vlucht-fantasieën van de getroebleerde puber die ze was. Verborgen achter haar mondkapje zingt ze de tekst nu met beverige stem mee.

(meer…)