Month: november 2020

De mooiste vrouw-naar-man-cover

Naar aanleiding van de blog van vorige week, die afsloot met Aretha Franklins versie van Respect (Otis Redding), besloot ik daarna op zoek te gaan naar de mooiste genderwissel-cover van vrouw naar man. Voor alle duidelijkheid: dan gaat het dus over een zanger die een nummer zingt dat bekend werd in de uitvoering van een vrouwelijke artiest.

Met die zoektocht riep ik wel wat over mezelf af. Ten eerste bleken er helemaal niet zo heel veel vrouw-naar-man-covers te vinden te zijn. In elk geval veel minder dan andersom. Wetenschappelijke informatie heb ik niet gevonden, maar het is vast geen toeval dat er bijvoorbeeld op de Spotify-playlist Cover Girls (female covers of male songs) 1181 liedjes staan, en op Male Covers of Female Songs slechts 30. En wat zegt die scheve verhouding? Vermoedelijk veel over de ongelijke rolverdeling tussen mannen en vrouwen in onze popcultuur en onze samenleving in het algemeen. Dangerous territory. Piep-piep-piep. Mijnenveld.

Daarom ga ik maar snel over naar de mooiste onder de vrouw-naar-man-covers die er wel te vinden zijn. Via de uitgebreide cover-website SecondHandSongs, enkele andere internetbronnen en mijn eigen geheugen tref ik in de vorige eeuw vooral veel Britse acts aan: The Rolling Stones coveren Time Is On My Side (Irma Thomas), The Beatles Baby It’s You en Boys van The Shirelles. Bay City Rollers doen Be My Baby (The Ronettes), Graham Parker I’m Gonna Tear Your Playhouse Down (Ann Peebles) en Phil Collins You Can’t Hurry Love van The Supremes. Mick Jagger & David Bowie steken Dancing in the Street (Martha & the Vandellas) in een nieuw mannenjasje.

Opvallend vaak lijken deze Britse mannelijke artiesten nummers te kiezen van Amerikaanse zwarte zangeressen en meidengroepen. Alsof ze liedjes niet alleen van gender maar ook maar meteen van continent en kleur willen laten wisselen. Alsof een cover van Dusty Springfield of Marianne Faithful te gewoon zou zijn. Of ligt dat aan mijn selectie?

Deze eeuw lijkt het palet wat breder te worden. Op de lijst vrouw-naar-man-covers verschijnen nu ook pop-, rock- en folksongs. Iron & Wine covert Time after Time (Cindy Lauper), Matt Halber maakt een verrassende akoestische versie van I Wanna Dance With Somebody (Whitney Houston). Een hele reeks mannelijke artiesten covert het werk van singersongwriter Joni Mitchell: Counting Crows, Prince, James Blake, Sufjan Stevens, Ronan Keating en Rufus Wainwright, om er maar een paar te noemen.

Sommige male acts nemen niet een maar meerdere nummers van vrouwen op. The White Stripes spelen vooral eigen werk maar coveren ook Jolene van Dolly Parton en I Just Don’t Know What To Do With Myself van Dionne Warwick. Souljazzzanger José James neemt in 2015 zelfs een heel Billie Holiday-coveralbum op: Yesterday I Had the Blues. Ryan Adams volgt in hetzelfde jaar James’ voorbeeld met zijn eigen versie van Taylor Swifts bejubelde album 1989. Er is dus wel iets veranderd.

Maar wat is nou de mooiste vrouw-naar-man-cover? Mijn zoektocht bracht me ditmaal bij een regelrechte ontdekking: Maxwells versie uit 2001 van Kate Bush’ This Woman’s Work. De Amerikaanse soulzanger doet hetzelfde als zijn Britse collega’s in de vorige eeuw deden, maar dan vanaf de andere kant van de grote plas: hij laat het nummer van continent, kleur en gender wisselen. Hoewel: de ik-figuur in Bush’ nummer is een man die vreest voor het leven van zijn geliefde en hun ongeboren kind tijdens de bevalling.

De emoties zijn in Bush’ versie al zeer heftig. Maxwells versie doet daar zo mogelijk nog een schepje bovenop. Luister naar zijn rake falset, en naar het wonderschone moment dat hij, op het moment dat de totale vertwijfeling toeslaat, een couplet lang zijn gewone stem gebruikt. Kippenvel.

Ken jij andere mooie vrouw-naar-man-covers? Laat het weten bij de reactiemogelijkheid hieronder!

Ga naar de Goeie Nummers-playlist op Spotify om de genoemde originelen en covers te vergelijken.

Een moment van verwarring

In tegenstelling tot de klassieke muziek en de jazz kent de popmuziek geen sterke cover-traditie. Van popartiesten verwachten we dat ze vooral zelfgeschreven liedjes spelen in plaats van werk van anderen vertolken. Toch luisteren we ook allemaal graag naar covers. In sommige gevallen is de cover zelfs beroemder dan het origineel. Wat maakt zo’n nieuwe versie van een bekend nummer eigenlijk zo aantrekkelijk?

Mijn hypothese is dat dat komt door het effect van de eerste kennismaking. Want bij die kennismaking heeft de cover altijd iets extra’s ten opzichte van een nieuw nummer: een moment van verwarring, korter of langer, dat op een gegeven moment wordt opgelost. Als een prangende vraag die zich eerst opdringt en daarna gelukkig een antwoord krijgt. Verrassing en herkenning. (meer…)

Drie werelden worden één

Een goeie cover maken is een kunst. Dat realiseerde ik me deze week weer toen ik door een bevriende muziekliefhebber werd gewezen op een artikel in NRC over de verrassende cover-vaardigheden van popster Miley Cyrus, die onder meer Jolene, de evergreen van peettante Dolly Parton, van een fijn rauw randje voorziet.

Een van de dingen die covers bijzonder maakt, is denk ik dat we daarbij getuige mogen zijn van de ene kunstenaar die reageert op het werk van een andere kunstenaar – en vaak ook op andere covers van datzelfde nummer. Het is een beetje alsof je toekijkt terwijl meester-jongleurs met onnavolgbare bewegingen een voorwerp naar elkaar overgooien dat ondertussen ook nog steeds van kleur of vorm verandert. Of zoiets. (meer…)

Albumverjaardag – Layla and Other Assorted Love Songs

1970 was een buitengewoon vruchtbaar jaar voor de popmuziek. Met onder meer Let It Be (The Beatles), Idlewild South (The Allman Brothers Band), Stage Fright (The Band), Déjà Vu (CSN&Y), Ladies of the Canyon (Joni Mitchell) en Moondance (Van Morrison). En dit rijtje jubileumalbums laat zich gemakkelijk uitbreiden. Bijvoorbeeld met Layla and Other Assorted Love Songs van Derek and the Dominos, dat komende maandag 9 november vijftig wordt.

Vanaf 1963 had Eric Clapton (Ripley, 1945) op stormachtige wijze carrière gemaakt in de bluesrockbands The Yardbirds en John Mayall & the Bluesbreakers en in de ‘supergroepen’ Cream (met Jack Bruce en Ginger Baker) en Blind Faith (met Steve Winwood). Claptons ster als sologitarist was op een gegeven moment zelfs zo hoog gerezen dat de slogan ‘Clapton is God’ door een fan op een muur werd gespoten en daarna een heel eigen leven ging leiden – tot ontsteltenis van de muzikant zelf.

In 1969, pas 25 maar met al een half rockleven achter de rug, was het kennelijk tijd voor de Britse gitarist om even uit de spotlights te stappen. Hij deed wat sessiewerk en maakte deel uit van de begeleidingsband van het Amerikaanse echtpaar Delaney en Bonnie Bramlett. Daar, in de luwte, kreeg hij de kans zichzelf opnieuw uit te vinden – van gitaargod tot complete singer-songwriter-gitarist.

Begin 1970 verscheen Claptons eerste, titelloze soloalbum, waarvoor hij de meeste nummers samen met Delaney Bramlett had geschreven. De plaat werd niet slecht werd ontvangen, maar kon ook niet helemaal overtuigen. En op persoonlijk vlak ging de muzikant ondertussen door een diep dal. Niet alleen had hij een forse alcohol- en drugsverslaving ontwikkeld, hij was ook hopeloos verliefd geworden – ‘obsessief’ zou hij zelf later zeggen – op Patty Boyd, de vrouw van zijn beste vriend George Harrison.

In deze toestand zette Clapton in de loop van dat jaar een nieuwe band op met drie muzikanten uit Bramletts begeleidingsband: drummer Jim Gordon, bassist Carl Radle en toetsenist-zanger Bobby Whitlock, die samen met Clapton verantwoordelijk was voor een groot deel van de liedjes. Aanvankelijk werd als bandnaam geopteerd voor Eric Clapton & Friends, maar omdat de muzikant nog steeds low profile wilde blijven werd uiteindelijk gekozen voor Derek and the Dominos.

Op 23 augustus toog het viertal naar de Criteria Studios in Miami, Florida, om het opgebouwde repertoire vast te leggen. Na een paar onproductieve dagen bezocht Clapton op 26 augustus een concert van The Allman Brothers Band in de buurt, met slide-gitarist Duane Allman. De twee muzikanten sloten meteen vriendschap en Allman sloot als een soort vijfde bandlid aan in de studio. De rest is geschiedenis.

Zoals wel vaker leerde ik ook deze plaat kennen via de collectie en de aanprijzingen van mijn oudere broer. Het zal omstreeks 1977 geweest zijn. Layla and Other Assorted Love Songs was toen zo’n plaat ‘die je moest hebben’, vooral vanwege de virtuoze dubbele gitaarpartijen. Maar in de achterliggende periode had ik hem niet heel vaak gedraaid. Ik was benieuwd wat ik zou horen als ik er nu, zoveel jaren later, naar zou luisteren.

Het eerste wat me opviel: dit is eigenlijk een Southern Rock-plaat, geen pure rock en blues. Dat had ik eerder nooit zo gehoord. Clapton liet niet eerder zo duidelijk gospel en country doorklinken in zijn werk. Het tweede: wat een zeldzaam rauwe en openhartige teksten. Obsessief inderdaad. Zoiets hoor je niet vaak. We beleven als luisteraars het hele spectrum van de onbeantwoorde liefde mee: klagen, dreigen, dromen, twijfelen, wanhopen en smeken en nog veel meer. Claptons gewonde hart ligt opengesneden op tafel – wij staan erbij en kijken ernaar.

Gelukkig is er de muziek om de ellende draaglijk te maken. Why does love got to be so sad? heeft een opzwepend gospelritme dat de titel weerspreekt. Bell Bottom Blues slingert heen en weer tussen melodische liefdesbetuigingen en dissonante verwijten. Even is er ruimte voor verstilling en contemplatie tussen al het emotioneel tumult: I Am Yours. En dan Layla natuurlijk: de versmade minnaar doet een ultieme poging het hart van zijn aanbedene te veroveren, ditmaal met een gitaarlick die in het geheugen van talloze popliefhebber gegrift zal staan.

Het belangrijkste is misschien nog wel dat Layla and Other Assorted Love Songs inderdaad een plaat van een band is, geen soloalbum. Gordon en Carl Radle vormen een solide fundament waarop de rest kan bouwen. Bobby Whitlocks toetsen en bezielde vocalen tillen die van Clapton naar een hoger plan. De slide van Duane Allman doet hetzelfde met het gitaarwerk van zijn Britse collega. Dit is een band zoals een band bedoeld is.

We horen hier vier muzikanten die hun vriend gebroederlijk door het dal slepen. Zodat hij er uiteindelijk glorieus uit tevoorschijn komt. Want Layla and Other Assorted Love Songs was het album waarmee Clapton definitief doordrong tot de eregalerij van de popmuziek. En als deze plaat iets bewijst, dan is het dat je het in moeilijke tijden van je vrienden moet hebben. Achteraf was de eerste bandnaam dus toch de beste.