
Ik moet een jaar of 14 zijn geweest toen ik Down To Zero voor het eerst hoorde. Ik weet wel dat ik meteen verkocht was. Het nummer van Joan Armatrading bestond uit gelijke delen folk en soul – toen al mijn favoriete muziekgenres – en ik werd getroffen door die bijzondere donker klinkende stem, die zo raak verwoordde hoe je je op sommige momenten opeens tot nul gereduceerd kunt voelen. Een even afschuwelijk als herkenbaar gevoel.
Down To Zero is de openingstrack van Joan Armatradings titelloze derde studioalbum, deze maand precies een halve eeuw oud. (Dat ik het nummer vorige week niet noemde is een onvergeeflijke en onbegrijpelijke omissie, waarvoor ik graag vergeving vraag.) Een mooie aanleiding om de plaat met nieuwe – of eigenlijk oude – oren te beluisteren, op zoek naar wat hem zo waardevol maakt.
Naast de titeltrack waren Save Me, Love & Affection en Tall in the Saddle destijds mijn favorieten, weet ik nog. Gevoelige ballads met precies de juiste (zang)accenten om ze bite te geven. Nog steeds geniet ik hiervan, maar mijn aandacht wordt nu vooral getrokken door de meer funky tracks, zoals Join the Boys, Water With the Wine en People. Wat een vette grooves. Het album ljkt hier een bijna een tegenhanger van Stevie Wonders Songs in the Key of Life uit datzelfde jaar, met Armatradings akoestische gitaar op de plek van Wonders toetsen.
Bijzonder en uniek zijn bij Joan Armatrading ook haar teksten. Op papier lijken ze bijna betekenisloos en ook tamelijk onpoëtisch. Maar als je luistert naar hoe ze op de muziek staan hoor je in een keer de diepte, de soul, je snapt waarom alleen dat woord op die plek kan staan. En zo neemt ze je onweerstaanbaar mee in emoties als teleurstelling, verliefdheid, melancholie en verwondering.
Joan Armatrading heeft een bijzondere waarderingsgeschiedenis. Bij verschijnen werd het album volop geroemd en figureerde het hoog op de jaarlijsten van bijvoorbeeld de Britse magazines NME en Sounds. En ook het aantal ‘sterren’ van bepalende onlinemagazines liegt er niet om. Bovendien noemde producer Glyn Johns, die ook werkte met artiesten als The Rolling Stones, the Eagles en The Beatles, dit het beste album waaraan hij ooit had bijgedragen.
Toch komt Joan Armatrading nauwelijks voor in Top 100’s of 200’s van Beste Albums Aller Tijden die in de loop der tijd door gezaghebbende poppublicaties werden samengesteld, met uitzondering van Robert Dimery’s 1001 Albums You Must Hear Before You Die. Hoe dat komt? Mogelijk vanwege de bescheidenheid van de singer-songwriter zelf. Armatrading (Saint Kitts and Nevis, 1950) hield haar privéleven altijd zorgvuldig buiten de schijnwerpers en wilde alleen haar muziek laten spreken.
Mogelijk stond ook Armatradings veelzijdigheid canonisering in de weg. Ze startte met folkachtige pop, verbreedde naar soul, reggae en r&b, experimenteerde met synthesizers en gitaar-noise, was niet op een bepaald genre vast te pinnen. Zo word je nooit de wegbereider voor een nieuw genre voor (vrouwelijke, zwarte) singer-songwriters. Armatrading bleef tot op de dag van vandaag een eigenzinnige artiest die alleen naar haar eigen muze luistert. Check her out.


















Deze week stormt het in mijn hoofd. Twee klassieke popalbums, allebei een halve eeuw oud, strijden om mijn aandacht: Bridge Over Troubled Water van Simon & Garfunkel (26 januari 1970) en Moondance van Van Morrison, dat welgeteld één dag later uitkwam. Beiden maken aanspraak op de hoogste eer, willen dat ik partij kies. We laten ze netjes na elkaar pleiten, in volgorde van anciënniteit.
Bridge Over Troubled Water: de zwanenzang van Paul Simon en Art Garfunkel als duo balt hun werk van vijftien jaar samen. Twee stemmen die zo lang onafscheidelijk leken en samen evergreens als The Sound of Silence, Mrs. Robinson, Scarborough Fair en Homeward Bound tot grote hoogten zongen, nemen hier afscheid van elkaar en van ons. Op de toppen van hun kunnen, dat maakt het extra tragisch. Luister naar
In 2006 werd Liege & Lief van Fairport Convention door de luisteraars van BBC Radio 2 uitgeroepen tot het meest invloedrijke Britse folkrockalbum aller tijden. Ook bij verschijning, in december 1969, kreeg het goede kritieken. En wie het album nu opzet, een halve eeuw later, wordt niet alleen getroffen door de tijdloze klasse maar ook door de manier waarop de groep – met onder meer gitarist Richard Thompson en zangeres Sandy Denny – zich het ‘klassieke erfgoed’ durfde toe te eigenen.
Alles lachte Fairport Convention in de eerste helft van 1969 toe. De Londense band, opgericht in 1967, had een nieuw, ambitieus platenlabel gevonden (Island Records) en met folkzangeres Denny voorzichtig een nieuwe koers ingezet. In januari was het album What We Did On Our Holidays uitgekomen, en de opnames voor opvolger Unhalfbricking waren in het voorjaar afgerond.
Exact 25 jaar geleden, op 1 november 1994, verscheen Wildflowers, het tiende studioalbum van Tom Petty (1950-2017), als we soloalbum Full Moon Fever (1989) en zijn Heartbreakers-platen samenvoegen. Voor Petty’s fans geldt Wildflowers als zijn beste – vlak voor Damn the Torpedoes – getuige
Het eerste dat opvalt is dat het lijkt alsof er veel meer tijd verstreken is dan die kwart eeuw. Zo is het tenminste voor mij. Het waren zulke andere tijden. Midden jaren 90, toen ik Wildflowers vaak op mijn walkman draaide als ik naar mijn werk forensde, zaten we volop in de liberalisering. De Muur was gevallen, de markt was heilig, er werd gezegd dat we ons aan het einde van de geschiedenis bevonden. In ons land, en de rest van de westerse wereld, hing een vreemde triomfalistische sfeer en ikzelf was niet zo lang daarvoor aan mijn werkzame bestaan begonnen, dus al met al liep ik nogal verweesd rond in de wereld.
Er zijn flink wat klassieke albums die dit jaar hun gouden jubileum vieren. Een daarvan is Five Leaves Left, het debuutalbum van singer-songwriter Nick Drake. Destijds, in de zomer van 1969, bracht de verstilde folkpop van de melancholieke Brit (1948-1974) niet meer dan een kleine rimpeling in de vijver teweeg: een paar ongeïnspireerde recensies, lage verkoopaantallen. Ook de twee albums die Drake daarna maakte, Bryter Layter (1971) en Pink Moon (1972), deden weinig.
Na zijn vroegtijdige dood in 1974, aan een overdosis pillen, werd Drake postuum een cultartiest, gekoesterd in een kleine kring van gelijkgestemde romantisch-gekwelde zielen. Zelf leerde ik zijn muziek kennen via een bevriende muzikant, een fan die bijna even introvert en zwaarmoedig was als zijn idool. Maar in 2000 vond de muziek van de Britse zanger-gitarist opeens een groot publiek nadat Volkswagen de titeltrack van Pink Moon in een reclamefilmpje gebruikte om een van hun modellen te promoten. Het kan verkeren.
In het voorjaar van 1966 trok Bob Dylan zich terug in de landelijke omgeving van het kunstenaarsdorpje Woodstock, op een paar uur afstand van New York. Weg van de muziekbusiness en de persmuskieten, misschien ook weg van de herinneringen aan de wereldtournee van het afgelopen jaar, met publiek dat hem uitschold voor verrader omdat hij ‘elektrisch was gegaan’.
In het najaar voegden The Hawks, Dylans uit Canada afkomstige begeleidingsband, zich bij hem. Gitarist Robbie Robertson huurde met zijn vrouw Dominique een eigen woning; bassist Rick Danko, pianist Richard Manuel en organist Garth Hudson betrokken samen voor 125 dollar per maand een groot vrijstaand huis in West Saugerties dat in de volksmond ‘Big Pink’ werd genoemd.
Het grote huis herbergde onder meer een ruime kelder, en die veranderde dus al snel in een repetitieruimte annex opnamestudio. En in die sfeer van ongekende vrijheid en afzondering ontstond iets wat je wel een nieuw muziekgenre kunt noemen. Dylan en de vier Canadezen – plus de uit Arkansas afkomstige drummer Levon Helm, die zich met zijn oude Hawks-maten had herenigd – putten diep uit de rijke folk-, country-, blues- en gospeltradities van hun land. En maakten daar vervolgens gloednieuwe en bezielde rock-‘n-roll van. De nummers die ze spelenderwijs opnamen zouden in 1975 officieel verschijnen als The Basement Tapes.
Maar de eerste versie van The Basement Tapes kwam al uit op 1 juli 1968: Music From Big Pink van The Band, zoals The Hawks zich inmiddels waren gaan noemen. Vandaag precies een halve eeuw geleden. Het album bevat drie (deels) door Dylan geschreven nummers uit de keldersessies, maar is toch op en top The Band, met de stemmen en composities van Helm, Manuel, Danko en Robertson en klassiekers als
Music From Big Pink sloeg in als een bom, in de VS en daarbuiten. De muziek bood iets waar de rockwereld op dat moment naar snakte, aldus de bekende Amerikaanse criticus Greil Marcus. Het album opende een vergeten wereld, een oer-Amerika dat in de voorgaande decennia onzichtbaar was geworden, maar onder de radar was blijven bestaan: the Old Weird America. Dylan en The Band groeven die ondergrondse stroming op en wekten haar tot leven.
En wat bijzonder was, hun muziek was dan wel doordesemd van de traditie, maar allesbehalve nostalgisch. De wereld van boeren, gokkers, zwervers en eenzame oude vrijsters die ze bezongen was in de eerste plaats hard, angstig en onzeker. Omstandigheden die ook Amerikaanse stedelingen in de tweede helft van de 20e eeuw bekend voorkwamen – en blijkbaar ook die in Europa.
De betekenis van The Band en Music From Big Pink is moeilijk te overschatten. Hun stijl – ongepolijst, authentiek en tijdloos – ging lijnrecht in tegen de gladde en vluchtige oppervlakkigheid van veel andere popmuziek. The Band was daarmee de belangrijkste inspiratiebron van de latere alt.country- of americana-stroming, met bands als Wilco, Los Lobos, Old Crow Medicine Show, The Gourds en The Drive-By-Truckers. Sterker nog, er loopt een bijna rechte lijn van het bebaarde vijftal naar de hipstergeneratie van nu, al werd er in die tijd nog weinig latte macchiato maar des te meer alcohol gedronken.
Big Pink is de plaat waarmee dat allemaal begon. Hij zou gevolgd worden door The Band’s titelloze tweede album, met evergreens als
47 is geen jubileumgetal, maar de verjaardag van Songs for Beginners, dat verscheen op 28 mei 1971, mag wat mij betreft elke keer gevierd worden. De bescheidenheid die uit de titel sprak maakte de critici mogelijk blind voor de pure klasse van Graham Nash’ solodebuut, maar terugkijkend en -luisterend moet je constateren dat het in al zijn eenvoud en directheid gewoon een meesterwerk is. Een uniek breakupalbum ook.
Nash, geboren in 1942 in Noord-Engeland, maakte eerst furore in de popgroep The Hollies. In 1969 stak hij over naar de VS. Daar hoopte hij zich bij nieuwe vlam Joni Mitchell te voegen en nieuwe muzikale wegen in te slaan, aangestoken door de sfeer van vrijheid en creativiteit die aan de Amerikaanse westkust heerste.
In een
Het huis in Laurel Canyon was een idylle: twee jonge getalenteerde mensen die onder de Californische zon musiceerden, elkaar liefhadden en vrienden ontvingen. En het kon dus ook niet blijven duren. In juni 1970 verbrak Mitchell de relatie, Nash achterlatend met een gebroken hart. Zij zou over hem zingen in nummers als ‘My Old Man’ en ‘River’ van haar klassieker Blue. Nash maakte Songs for Beginners.
Het was een van de eerste albums die ik als puber kocht, de helft van een dubbelelpee – de andere helft was David Crosby’s solodebuut If I Could Only Remember Your Name. Totaal contrasterende platen: Crosby’s uitgesponnen acid-folkstukken tegenover de elf kraakheldere ambachtelijke popsongs van Nash. Er zaten heel wat weken zakgeld in die dubbelaar, maar hij was het waard.
Het bijzondere van Songs for Beginners: het is een breakup- en doorstartplaat ineen. Je voelt Nash’ diepe pijn, maar ook de veerkracht van een working class Brit die zichzelf uit het moeras omhoog trekt: Someone is gonna take my heart, Noone is gonna break my heart again, zingt hij in het intrieste én glorieuze
Nash weet zich op het album omringd door fantastische muzikanten die zich volledig inleven in zijn songs. Dat moet ook hebben geholpen. Luister naar het hartverscheurende