Americana

Het mooiste lied voor vader

vader en zoon buitenWie zingt over de relatie met zijn vader of moeder begeeft zich op glad ijs. Het lied moet recht doen aan een band die zo persoonlijk en vertrouwd is dat woorden algauw tekortschieten – en tegelijk moet het de luisteraar meenemen in een intieme sfeer waarin buitenstaanders slechts schoorvoetend worden gedoogd.

Ilse DeLangeVerschillende liedjesschrijvers kiezen dan ook voor heel verschillende benaderingen. Stef Bos zong zijn levende vader rechtstreeks toe in het bekende Papa (1990), steevast hoog eindigend in de jaarlijkse Top 2000 van NPO Radio 2. In Ilse DeLanges ontroerende We Are One vloeien vader en dochter in elkaar over om het aanstaande verlies draaglijk te maken.

hoes Older Than My Old Man NowVeel vaker kiezen artiesten voor een bericht naar boven. De verhouding tussen singer-songwriter Loudon Wainwright III en Loudon Wainwright II was niet gemakkelijk, maar desondanks – of juist daarom – figureert Loudons vader veelvuldig in zijn liedjes, bijvoorbeeld Older Than My Old Man Now (2012). De Britse pubrocker Ian Dury leerde zijn verwekker, een trotse bus- en privéchauffeur, pas kort voor diens dood echt kennen, en eerde hem met My Old Man (1977).

Fred Eaglesmith met hoedHet wat mij betreft mooiste lied voor vader – dat gek genoeg nooit op lp of cd verscheen – staat op naam van Fred Eaglesmith. De Canadese singer-songwriter met Friese roots (in 1957 geboren als Frederick John Elgersma) schrijft vaak over machines, treinen, tractors, auto’s en motoren, maar is ook als geen ander in staat zijn publiek binnen een paar minuten zowel een vette schaterlach als tranen van ontroering te bezorgen. In The Dad Song doet Eaglesmith, met zijn karakteristieke gruizige stemgeluid, vooral dat laatste als hij over zijn overleden vader zingt:

The morning breaks like porcelain across an eastern sky / I stare across an open field, I sit and wonder why / Why the world’s so beautiful, and how come it’s so sad / It’s times like this I sure do miss my dad

zonsopkomst 2Zo herkenbaar, hoe na het verlies de wereld zich in al zijn onbegrijpelijkheid aan je opdringt. Zoveel schoonheid, waarvoor? Je kunt het niet eens delen. Na dit indringende begin geeft Eaglesmith je even lucht: de discussies met zijn kinderen over hun huidige (muziek)modes lijken verdacht veel op die tussen zijn vader en hemzelf destijds. Zoveel lijken ze dus op elkaar. Waarna de zanger toch weer bij het gemis uitkomt:

I think it’s the little things, the things that I forgot / How I’d love to hear him sing, how I’d love to hear him talk / If he’d be here with me, I’d give him everything we never had

handJa, zo is het. Zo herkenbaar. De kleine dagelijkse dingen mis je het meeste – een stem, een gebaar, een gewoonte –  dingen die zo vanzelfsprekend waren dat je ze nauwelijks opmerkte. Toen niet. Nu wel. Achteraf. Tot slot geeft de zanger ons in zijn slotregels een vriendelijk duwtje. Pak die hand, toe maar, nu kan het nog.

Fred Eaglesmith heeft ons op subtiele wijze in zijn binnenwereld toegelaten en ons zo herinnerd aan iets wat we wel weten maar soms toch vergeten. Dank je, Fred.

Een heel mensenleven

330px-SlaidCleavesEen heel mensenleven vangen in een liedje – kan dat? De Amerikaanse singer-songwriter Slaid Cleaves komt in elk geval een heel eind. Zijn liedjes passen in de Amerikaanse literaire traditie van de short story, waarin je als lezer voor korte tijd in de huid van een ander mens kruipt. Met een snelle duik in dat leven, een uitsnede als het ware, leer je (een deel van) zijn geschiedenis kennen, zijn worsteling, zijn hoop – net genoeg om het met je eigen verbeelding te kunnen aanvullen.

Edgar Allan PoeVolgens de definitie van Edgar Allan Poe, de ‘oervader’ van het genre, is de leestijd van zo’n kort verhaal een halfuur tot maximaal twee uur – Slaid Cleaves is een stuk efficiënter. Hij heeft gemiddeld maar een minuut of drie nodig. Zo snel zit je erin en leef je mee met zijn ploeteraars, achterblijvers en pechvogels – want winnaars kom je in zijn liedjes zelden tegen. Gelukkig dragen Cleaves’ anti-helden hun lot doorgaans met zo veel waardigheid en humor dat je er als luisteraar een opgewekt gevoel aan overhoudt.

hoes Ghost on the Car Radio van Slaid CleavesDe bescheiden Cleaves (Maine, 1964), uit alt.country-mekka Austin, Texas, is al meer dan twintig jaar bezig. Zijn achtste studioalbum, het onlangs verschenen Ghost on the Car Radio, toont opnieuw zijn klasse: twaalf compacte roots-liedjes, geworteld in folk en country, maar soms ook verrassend poppy, zoals in het Beatle-eske So Good To Me.

uithangbord kapperTekstueel bewijst Cleaves zijn meesterschap met zinnen als ‘I don’t need to watch the news to understand how this world’s been shaped by a drunken barber’s hand’ (Drunken Barber’s Hand) of ‘They’’ll cut down the trees and name the new streets hickory, walnut and pine’ (Hickory). En het lijkt hem allemaal zo gemakkelijk af te gaan. Zijn zinnen vallen bijna achteloos in het ritme van zijn liedjes, als de tred van een paard, en ze lijken alleen per toeval te rijmen.

tankstationNadrukkelijker dan op zijn eerdere albums dringt het achterland van het huidige Amerika zich op Ghost on the Car Radio naar de voorgrond. Het land van de Trump-stemmers, zeg maar. ‘Little Guys’ portretteert een pompbediende-garagehouder die het moderne jachtige bestaan niet meer kan bijbenen. In het samen met zijn oude makker Rod Picott geschreven Take Home Pay ontmaskert Cleaves de Amerikaanse droom: ‘Everyone knows what the catch is, it’s all about the take home pay’. Cleaves weet al deze droefenis draaglijk te houden met zijn aangename, licht-klaaglijke stem.

Slaid Cleaves2In de alt.country zijn meer sterke verhalenvertellers met een gitaar te vinden, zoals Steve Earle, Guy Clark en Townes van Zandt. Artiesten die een stuk bekender zijn dan Slaid Cleaves. Maar in kwalitatief opzicht kan hij zich met die grote namen meten. Met korte-verhalenschrijvers als Raymond Carver en James Salter ook, trouwens. Check him out.

Kippenvel – ‘Motherland’ van Natalie Merchant

Where in the hell can you go / Far from the things that you know / Far from the sprawl of concrete that keeps / Crawling its way about 1,000 miles a day?

hoes Motherland van Natalie Merchant.pngMet deze lange, geladen vraag begint Motherland van Natalie Merchant (Jamestown, NY, 1963). In de volgende strofe komen daar nog ‘this wasteland’, ‘this terrible place’, ‘the bottomless, cavernous greed’ bij. Woorden vol weerzin jegens de (kapitalistische) maatschappij. En dat allemaal op de lieflijke klanken van een walsje, met akoestische gitaar, accordeon, banjo en andere traditionele folk-instrumenten.

nine eleven.png‘Motherland’ staat bol van dit soort tegenstellingen. Het gelijknamige album kwam uit in november 2001, twee maanden na 9/11. Hoewel de opnames al twee dagen voor de aanslagen op de Twin Towers waren afgerond, werd het door T-Bone Burnett geproduceerde album er onvermijdelijk mee geassocieerd. Daarvoor waren de politieke standpunten van de voormalige leadzangeres van 10,000 Maniacs ook te bekend. En leek de toon van haar muziek ook nadrukkelijk aan te sluiten bij alle emoties van die periode.

330px-nataliemerchant-2010De zangeres droeg het album op aan de slachtoffers van 9/11 en vertelde later hoe die gebeurtenis en de nasleep ervan de betekenis van het titelnummer voor haarzelf hadden veranderd: van een aanvankelijk wat escapistische oproep werd het een indringend, meer hoopvol pleidooi voor onschuld: ‘To be faceless, nameless, innocent, blameless, free’.

natalie_merchant_03-08-2016Bijna lijzig gezongen, met duidelijke zwarte gospel-ondertonen, kruipt ‘Motherland’ ongelooflijk dicht onder de huid. De coupletten zuigen je naar het troebele duister, het wiegelied-achtig refrein brengt je terug naar het licht, naar de geborgenheid van de kindertijd:

Motherland, cradle me, close my eyes / Lullaby me to sleep / Keep me safe, lie with me / Stay beside me, don’t go

boek-het-raadsel-van-de-muziek-andre-m-polsHet is een raadselachtig lied ook. Want wie is de ‘jij’ die de zangeres toezingt? Is dat de ‘five and dime queen’, ‘the shot gun bride’? En wat is de relatie tussen haar en de ‘ik’ van het refrein en het tussenstuk? Geen idee. Het maakt blijkbaar ook niet zoveel uit, ik krijg elke keer weer kippenvel als ik het hoor. Zoals veel echt goeie nummers laat ‘Motherland’ zich niet helemaal begrijpen. Muziek werkt op mysterieuze wijze.

 

Namedropping – ‘The South’s Gonna Do It (Again)’ van The Charlie Daniels Band

hoes The South Is Gonna Do It van The Charlie Daniels BandEen rijtje bekende namen laten vallen om daarmee een muziekgenre op de kaart zetten. Die strategie lag aan de basis van ‘Sweet Soul Music’ van Arthur Conley uit 1967, dat hij samen met Otis Redding schreef. Mogelijk was dat goeie nummer zeven jaar later de inspiratiebron voor The South’s Gonna Do It (Again) van The Charlie Daniels Band.

Charlie Daniels 2009Zoals Conley en Redding contemporaine zwarte soulacts en Afro-Amerikaans zelfbewustzijn promootten, deed zanger en multi-instrumentalist Charley Daniels (North Carolina, 1936) dat voor een reeks blanke bands en het Amerikaanse Zuiden. En presenteerde hij de Southern Rock nadrukkelijk als een muzikale stroming.

Charlie Daniels 2003In een uptempo boogieritme, met virtuoze country-fiddle, brengt het eerste couplet de artiesten en de geografie met karakteristieke woordspelingen bij elkaar:

Well, the train to Grinder’s Switch is runnin’ right on time /And them Tucker Boys are cookin’ down in Caroline / People down in Florida can’t be still / When ol’ Lynyrd Skynyrd’s pickin’ down in Jacksonville

Het refrein vat de ideologie vervolgens met de nodige trots samen:

So gather ‘round, gather ‘round chillun’ / Get down, well just get down chillun’ / Get loud, well you can be loud and be proud / Well you can be proud, hear now / Be proud you’re a rebel / ‘Cause the South’s gonna do it again and again

Kaart van Amerikaanse burgeroorlog2Charlie Daniels geeft het Zuiden en de Southern Rock een duidelijke identiteit waarin de waarden rebellie, luidruchtigheid, saamhorigheid en informele gezelligheid om voorrang strijden, en die impliciet tegenover het Noorden van de VS worden gesteld. De notie dat ‘het zuiden zal herrijzen’ was een veelvoorkomend sentiment – en een strijdkreet – sinds de nederlaag van de Zuidelijke Staten in de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865).

Lynyrd Skynyrd Sweet Home AlabamaNet als dat andere namedroppingnummer uit hetzelfde jaar, de Lynyrd Skynyrd-hit ‘Sweet Home Alabama’, leverde ‘The South’s Gonna Do It (Again)’ al snel politiek gedoe op. Tegen de zin van Daniels gebruikte de Ku Klux Klan het nummer in 1975 als achtergrondmuziek in een van hun commercials. ‘I am proud of the South,’ reageerde de zanger, ‘but I sure as hell am not proud of the Ku Klux Klan.’

Southern Rock SocietyPas onder dreiging van een rechtszaak haalde de Klan uiteindelijk bakzeil. Hoewel zijn uitspraken hierover niet helemaal consistent zijn, hield Daniels altijd vol dat zijn lied alleen tot doel had de muziek en de muzikanten van het Zuiden te promoten. Dat laatste is zeker gelukt. ‘The South’s Gonna Do It (Again)’ geldt nog steeds als een van de anthems van de Southern Rock.

Het mooiste nostalgie-lied

JeugdsentimentHet woord nostalgie heeft vaak een wat negatieve bijklank, zeker in de popmuziek. Het is iets oubolligs en zinloos waaraan je niet moet toegeven, ‘want die tijd komt toch nooit terug’. Terugverlangen naar je jeugd noemen we niet voor niets ‘jeugdsentiment’. Maar een goed popnummer kan dat ietwat beschamende maar o zo herkenbare verlangen wel prachtig oproepen.

hoes New Moon Shine van James TaylorEen van de besten in dat genre is James Taylor. Al vanaf de tijd dat hij jong was, trouwens. De eerste platen van de singer-songwriter uit North Carolina (VS) zijn gevuld met folkliedjes vol heimwee en ander onvervulbaar verlangen als ‘Carolina In My Mind’ en ‘Country Road’. Op New Moon Shine uit 1991 staat zijn misschien wel mooiste nostalgie-nummer: Copperline.

Vanaf de eerste maten word je teruggevoerd in de tijd, of zelfs naar de tijd daarvoor: ‘Even the old folks never knew why they call it like they do / I was wondering since the age of two, down on Copperline’.

Taylor kinderenCopperline was een ruig gebied in de buurt van het stadje Chapel Hill in North Carolina waar Taylor met zijn broers en zus opgroeide: een landschap waarin slangen en hagedissen rondkropen en waar ook illegaal whisky en andere spiritualiën werden gestookt. Voor de jonge James was het een paradijs waar hij ‘s avonds na het eten stiekem in kon verdwijnen voor allerhande avonturen.

James_Taylor_-_Columbia jaren 70Copperline, vertelt de zanger in het tweede couplet, was ook de plaats waar hij een onverwachte kant te zien kreeg van zijn vader, de arts en docent Isaac Taylor: ‘One time I saw my daddy dance, watched him moving like a man in a trance. / He brought it back from the war in France, down onto Copperline.’ Op de een of andere manier is dit ook altijd het moment waarop de trance van de vader en die van het nummer, met zijn repetitieve cadans, op mij overslaat.

james taylor 5Maar, zoals het altijd lijkt te gaan met paradijzen, blijkt ook Copperline niet meer te zijn wat het was. Taylor keert er als volwassene terug, om te bemerken dat nieuwe prefab-huizen van multiplex het landschap van zijn jeugd hebben aangetast (‘Tore up and tore up good‘). Gelukkig is daar dan nog zijn geheugen om het oude Copperline terug te brengen naar het heden. En naar ons.

James_Taylor_at_TanglewoodHet nummer bevat veel autobiografische elementen, zoals de kreek bij het huis van de Taylors (Morgan Creek) en de hond Hercules. Maar ondanks deze details over onbekende plekken, dingen en mensen kunnen we ons uitstekend in deze wereld verplaatsen. Ik denk dat dat is omdat we uiteindelijk allemaal ons eigen Copperline hebben: dat moeilijk te beschrijven gevoel van avontuur en zorgeloosheid dat verbonden is met bepaalde plaatsen van je jeugd en dat je af en toe best weer zou willen hebben – al weet je dat het niet kan. Behalve in je herinnering. En in een nummer als ‘Copperline’.

Kippenvel – Waist Deep in the Big Muddy

Pete_Seeger2_-_6-16-07_Photo_by_Anthony_PepitoneBegin vorig jaar overleed, op 94-jarige leeftijd, de Amerikaanse singer-songwriter en activist Pete Seeger. In memoriams vermeldden onder meer zijn beroemde versie van de traditional ‘We Shall Overcome’, waarmee hij de Amerikaanse Burgerrechtenbeweging een hart onder de riem stak. Seeger liet ons ook klassiekers na als ‘If I Had A Hammer’, ‘Where Have All The Flowers Gone?’ en ‘Turn, Turn, Turn’. Liedjes waarvan je je nauwelijks kunt voorstellen dat ze er ooit níet geweest zijn.

single Waist Deep in the Big MuddyEen van de meest indringende anti-oorlogsnummers die ik ken is Seegers Waist Deep in the Big Muddy, een huiveringwekkend verhaal over een legerpeloton op nachtelijke oefening in de staat Louisiana tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kapitein beveelt zijn zwaar bepakte soldaten een rivier over te steken. Maar de rivier is dieper dan gedacht – het water reikt de mannen eerst tot hun knieën, dan hun middel en dan hun nek. Ondanks de verstandige tegenwerpingen van zijn sergeant jaagt de kapitein zijn mensen verder het moeras in: ‘the big fool said to push on.’

Pete Seeger 3Als de maan achter een wolk verdwijnt, is de kapitein opeens verdwenen, zijn helm drijft op het water. De sergeant voert de manschappen terug naar een veilige plek. Het ontzielde lichaam van de kapitein vinden ze later terug in het drijfzand.

Dan, in het een-na-laatste couplet, spreekt de zanger de luisteraar rechtstreeks toe:

‘Now I’m not going to point any moral — / I’ll leave that for yourself. / Maybe you’re still walking, you’re still talking, / You’d like to keep your health. / But every time I read the papers, that old feeling comes on, / We’re waist deep in the Big Muddy / And the big fool says to push on.’

Lyndon B. JohnsonSeeger schreef het nummer in 1967. Hij verwijst niet expliciet naar president Lyndon B. Johnson of de Vietnamoorlog, de parallellen zijn al duidelijk genoeg. Later, in 1983, lichtte hij het allegorische karakter van het lied toe: ‘Often a song will reappear several different times in history or in one’s life as there seems to be an appropriate time for it. Who knows.’

Richard Shindell 2Singer-songwriter Richard Shindell lijkt die woorden van Seeger in gedachten te hebben gehad bij zijn sterke cover van ‘Big Muddy’ op zijn album Vuelta. Die plaat verscheen in 2005, twee jaar na de Amerikaanse inval in Irak. Shindell (New Jersey, 1960) laat het nummer naadloos aansluiten bij zijn eigen tijd door een subtiele groove en een Arabische melodie toe te voegen. Huiveringwekkend mooi. En het is gek – als de omstandigheden in de toekomst onverhoopt om een nieuwe versie van dit nummer vragen, zal ik er weer met kippenvel naar luisteren.

Wat deed Mark Knopfler verkeerd?

dire straitsMark Knopfler, voorman van Dire Straits, had eind jaren ‘70 een vliegende start. Het eerste album en de single ‘Sultans of Swing’ maakten hem meteen tot de lieveling van publiek en critici. Knopflers sfeervolle liedjes en zijn uit duizenden herkenbare gitaarstijl waren een verademing tussen de punkers en symfonische rockers van die tijd. Hij werd vergeleken met JJ Cale en Bob Dylan. Het kan slechter.

Mark Knopfler 2Maar slechts een paar jaar later is het beeld 180 graden gedraaid. Dire Straits zijn weliswaar heel populair, maar voor poprecensenten zijn ze onmiskenbaar in de categorie Fout beland. De groepsnaam is synoniem met Uitverkoop van Idealen en met ‘muziek voor volwassenen’ (Adult Rock), een van de ergste dingen die je in Popland toegevoegd kunt krijgen. Serieuze popliefhebbers begonnen hun platen van de Britse band achter een kastdeurtje te zetten.

logo PhilipsHoe kon dat zo komen? Tja, Knopfler c.s. hadden natuurlijk hun open rootsy geluid ingeruild voor een wat pompeuzere rocksound dichtgesmeerd met toetsen. En ja, ze lieten hun wereldtournee sponsoren door een multinational (Philips). En ze transformeerden wel erg snel van cult- tot stadionband, dat ook nog eens. Maar was dat voldoende om zo verguisd te worden?

hoes debuutcd Dire StraitsNee, natuurlijk niet. Maar ik denk dat Knopfler (Glasgow, 1949) er in feite om vroeg. Ik bedoel letterlijk. Luister maar naar de debuutplaat van Dire Straits. In Sultans of Swing liet Knopfler duidelijk merken meer op te hebben met muzikale ambachtelijkheid dan met het gangbare modebewustzijn in de popmuziek: ‘And a crowd of young boys, they’re foolin’ around in the corner / Drunk and dressed in their best brown baggies and their platform soles /  They don’t give a damn about any trumpet playin’ band / It ain’t what they call rock and roll.’

hoesje In The GalleryEn in het nummer In The Gallery doet de Britse singer-songwriter er nog een schepje bovenop met zijn verhaal over Harry, een traditioneel werkende beeldhouwer die miskend wordt door de kunstcritici en galeriehouders: ‘It was in his blood and in his bones / Ignored by all the trendy boys in London and in Leeds / He might as well have been making toys or strings of beads / He could not be in the gallery.’ Pas na zijn dood krijgt Harry de verdiende erkenning: ‘And now all the vultures are coming down from the tree / So he’s going to be in the gallery.’

Wie zo zijn visitekaartje afgeeft komt vroeg of laat in aanraking met de smaakpolitie, dat wist Knopfler ook wel. Hij vond het misschien ook helemaal niet erg.

Met Emmylou Harris in Ahoy, Rotterdam, 2006

Dit alles hoeft gelukkig niemand ervan te weerhouden om – stiekem of niet – van Knopflers muziek te blijven genieten. Bijvoorbeeld van zijn bijzondere samenwerking met de Amerikaanse countrygitaarveteraan Chet Atkins (Neck and Neck, 1990), of zijn fraaie duetten met Emmylou Harris op All The Roadrunning uit 2006.

hoes PrivateeringOf van zijn soloplaten natuurlijk, zoals Sailing to Philadelphia (2000), Get Lucky (2009) of Privateering (2012): sfeer- en smaakvolle folk, blues en country, met het subtiele gitaarwerk, de donkere praatzang en de beeldende teksten zoals we die al kennen van dat allereerste Dire Straits-album. Gewoon goeie, vakkundige nummers – categorie Fout of niet.

Albumverjaardag – ‘Live at Massey Hall’ van Neil Young

Neil Young 3Als iemand de soundtrack van mijn tienerjaren bepaalde, was het wel Neil Young. Zoals wel meer pubers was ik tamelijk ontvankelijk voor gevoelens van eenzaamheid en neerslachtigheid – én voor manieren om daaraan te ontkomen. De Canadese singer-songwriter bood mij zo’n ontsnappingsroute. Met zijn hoge, klaaglijke stem drukte hij op de een of andere manier precies uit wat ik voelde. En gedeelde smart is tenslotte halve smart.

Neil Young hoes Live at Massey HallOp 19 januari 1971, vandaag op de kop af 44 jaar geleden, gaf Neil Young (1945) een soloconcert voor een enthousiast publiek in zijn geboortestad Toronto. Zijn toenmalige manager David Briggs vond de opnames zo goed dat hij voorstelde ze meteen als live-plaat uit te brengen. Maar de eigenzinnige Young concentreerde zich liever op zijn nieuwe studio-album Harvest. Het zou tot 2007 duren voordat Live at Massey Hall eindelijk officieel uitkwam.

Neil Young - hoes After the GoldrushIn 1971 heeft Young, op zijn 26e, al heel wat op zijn naam staan als hij begint aan een solotournee door Noord-Amerika: Buffalo Springfield, Crosby, Stills, Nash & Young en drie goed onthaalde soloalbums (zijn titelloze debuutalbum, Everybody Knows This Is Nowhere en After the Goldrush). Maar waar zijn studioalbums uit die tijd vaak uitgebreide arrangementen hebben, is Young op Live in Massey Hall volledig op zichzelf aangewezen: een zanger alleen, zichzelf begeleidend op akoestische gitaar of piano. Unplugged uit de tijd dat die term nog niet bestond.

Neil Young 2En Young is in de concertzaal in Toronto geweldig in vorm. Tussen de nummers door vertelt hij anekdotes, stemt z’n gitaar bij, maakt grapjes die bij het thuispubliek in goede aarde vallen. Zijn zang is krachtig en vast, z’n gitaarspel trefzeker. En dan die liedjes. In deze pure vorm valt eens te meer op hoe goed ze zijn. Er zitten nummers tussen die op dat moment voor Youngs publiek gloednieuw zijn, maar die zouden uitgroeien tot klassiekers in zijn oeuvre, zoals ‘Heart of Gold’ en ‘Old Man’.

Neil Young 4Young doet in Massey Hall waarin hij een meester is: spelen op de emotie, in de beste betekenis van de uitdrukking. Elke stembuiging, elk woord komt aan. Al luisterend kom je steeds een stapje dichter bij het verdriet – en bij de troost. Langzaam laat je je zakken in dat weldadige bad vol melancholie. Alles spoelt van je af.

Het is prachtig dat Live at Massey Hall uiteindelijk toch uit Youngs archieven is gehaald om de wereld ervan te laten genieten. Voor mij had dat wel een paar decennia eerder mogen gebeuren.

John Fullbright – nieuwe Americana-held uit Oklahoma

Onbewust denk ik vaak dat alles al gezongen of bezongen is. Dat het onmogelijk is nog iets betekenisvols toe te voegen aan alle mooie liedjes die al bestaan. Gelukkig blijkt af en toe dat dat niet zo is. Zoals onlangs, toen ik op mijn mp3-speler een nieuw album aanklikte van een onbekende Amerikaanse singer-songwriter: John Fullbright.

Wat goed is, komt snel. De debuut-cd van deze 26-jarige artiest uit Oklahoma, From the Ground Up (2012), werd meteen genomineerd voor een Grammy in de categorie Americana. Begin dit jaar kwam zijn tweede uit, simpelweg getiteld Songs. Beide platen staan vol persoonlijke liedjes, muzikaal uiteenlopend van folk, blues, gospel tot country. Prachtige melodieën, met eenvoudige begeleiding van gitaar, piano, bas, drums. Af en toe een viool, orgel, mondharmonica of slidegitaar om het af te maken.

Wat maakt Fullbright zo bijzonder? Allereerst zijn liedjes. Die klinken zo natuurlijk, het is net of ze altijd al bestaan hebben. Je snapt niet waarom ze er nog niet waren. Volgens hemzelf gaan zijn liedjes vooral over hoop; als ik ernaar luister hoor ik minstens evenveel vertwijfeling. God komt vaak om de hoek kijken, maar de duivel is ook nooit ver weg. Luister/kijk maar eens naar ‘Satan and St. Paul’.

Eugene O'Neill

Eugene O’Neill

Fullbright klinkt zo zuidelijk als muziek uit de zuidelijke staten van de VS maar kan klinken. Hij doet me denken aan wat ik me herinner van het werk van de Amerikaanse toneelschrijver Eugene O’Neill (1888-1953). Diens personages gaan veelal door eigen toedoen onafwendbaar op hun noodlot af. Ze willen het niet, maar door krachten sterker dan zijzelf (drankzucht, twijfel, het menselijk onvermogen) moeten ze wel ten onder gaan. En ze weten het, en ze vechten ertegen. Die strijd, daar staan de liedjes van Fullbright bol van.

john fullbright achter de pianoEn dan is er nog zijn stem. Niet alleen zuiver en fijn om naar te luisteren. Maar ook, op z’n zesentwintigste, zo doorleefd dat je een ziel van minstens honderd jaar vermoedt. Een stem die vol overtuiging kan smeken, grommen, treuren, smachten, zeuren en verachten.

Klinkt dit interessant? Volgende week treedt John Fullbright op in Nederland, onder andere in Utrecht (Tivoli-Vredenburg, 10 sept) en Rotterdam (LantarenVenster, 11 sept). Check him out, zou ik zeggen.

Robert & Alison

alison & robertIn reactie op mijn vorige blog kreeg ik nogal wat vragen. Waarom ik Marvin Gaye & Tammi Terrel (‘Ain’t Nothing Like The Real Thing’) niet had genoemd. Of George Jones & Tammy Winette (‘Take Me’). Of Dolly Parton & Kenny Rogers (‘Islands In the Stream’). Ik snap dat wel, het zijn ook prachtige duo’s en duetten. Ik koos er echter voor om me te beperken tot de zogenaamde alt.country, waar ik The Common Linnets voor het gemak maar onder reken. En de bovengenoemde artiesten vielen daar helaas net even buiten.

Maar Robert Plant & Alison Krauss dan, hoe had ik die kunnen vergeten? Dat weet ik eigenlijk ook niet. Ook dit duo maakte slechts één album samen. Maar wat voor een. Even buitengewoon als onvergetelijk. De  Britse veteraan Plant (1948), bekend als pure rockzanger van Led Zeppelin werd gekoppeld aan zangeres-violiste Krauss (1971), het nachtegaaltje van de Amerikaanse bluegrass. De beauty en de beast.

Dit onwaarschijnlijke stel leverde in 2007 de prachtplaat Raising Sands af, met de gelauwerde producer T-Bone Burnett, die ook verantwoordelijk was voor de soundtrack van de film Oh Brother, Where Art Thou. Raising Sand bevat louter covers: country, folk en rock. De begeleiding van drums en gitaren is heel spaarzaam, maar ook diep en mysterieus. Tegen die achtergrond zingen Robert & Alison hun zwaarmoedige liedjes over liefdesverdriet en onvervuld verlangen. Wondermooie liedjes die klinken of ze al eeuwen bestaan.

Raising Sands bevat onder meer twee fantastische nummers geschreven door Gene Clark (1944-1991), voormalig zanger-gitarist in The Byrds. (Over Clark later nog eens meer, daar is nu geen ruimte voor.) Luister maar naar ‘Polly Come Home’ of naar ‘Through The Morning, Through The Night’ – en huiver. Of kijk naar dit filmpje, met een live-uitvoering van het goeie nummer Killing The Blues. De krachtige tenor van Plant gaat subtiel de strijd aan met de zuivere, engelachtige stem van Krauss. En niemand wint. Of ja, toch wel. De muziek, die wint.