Month: september 2022

A Lucky Guy

Als popfan dicht je je muziekhelden gemakkelijk bovenmenselijke kwaliteiten toe. Je bewondert ze niet alleen als muzikanten en liedjesschrijvers, maar verwacht onwillekeurig dat ze in hun privéleven qua levenskunst ook boven gewone stervelingen verheven zijn. Op die valkuil betrapte ik mezelf deze zomer tijdens het lezen van Last Chance Texaco, de vorig jaar verschenen autobiografie van Rickie Lee Jones.

De Amerikaanse singer-songwriter (1954) verhaalt daarin smakelijk en swingend over de hoogte- en dieptepunten in haar leven en loopbaan. Vanaf haar vroege jeugd tot de onverwachte jazzy wereldhit Chuck E.’s in Love en het debuutalbum waarmee ze in 1979 in één klap haar naam vestigde, tot en met de (professionele) inzinkingen die ze in de jaren daarna doormaakte voordat ze weer opkrabbelde met sterke platen als It’s Like This (2000) en Balm in Gilead (2009).

Last Chance Texaco is een fascinerend en ongewoon popboek. Geen evenwichtige popbiografie zoals een journalist met een mengeling van bewondering en een zekere afstandelijkheid zou kunnen schrijven. Ook geen glad verhaal dat een artiest met hulp van een ghost writer publiceert om het eigen imago op te poetsen of bij te stellen.

Wat is deze autobiografie wel? Dat vroeg ik me tijdens het lezen een aantal keren af – en dat bedoel ik niet als diskwalificatie, het boek is eerder even ongrijpbaar als de artieste zelf. Is dit vooral bekentenisliteratuur vol pikante onthullingen? Of is het in de eerste plaats bedoeld als een dienst aan de fans, die immers nooit genoeg van hun idool kunnen krijgen? Of is het Jones’ doel om een aantal dingen recht te zetten en haar eigen plek in de popgeschiedenis te claimen?

Waarschijnlijk van dat alles allemaal een beetje. Jones klapt een paar keer uit het bed over haar minnaars van weleer (Tom Waits, Dr. John, Lowell George), heeft een paar appeltjes te schillen met deze of gene in de muziekbusiness en deelt diverse pluimen uit aan collega’s en vrienden. Voor de fans toont ze de real-life inspiratiebronnen van soms raadselachtige nummers als Coolsville, Last Chance Texaco en Skeletons. Ook maakt ze zich boos over de manier waarop de muziekpers haar en andere vrouwelijke artiesten behandelt.

Maar dit alles zijn bijkomstigheden. In de kern is dit een verhaal over de doorwerking van een moeilijke jeugd – en over de kracht van muziek. Jones groeide op in wat je een probleemgezin zou kunnen noemen. Haar moeder werd opgenomen in een weeshuis nadat de instanties haar moeder ongeschikt hadden bevonden als ouder. Haar vader, zoon van een eenbenige varieté-artiest, was een muzikale en verslavingsgevoelige man van twaalf ambachten, dertien ongelukken. Afwezige ouders, onderlinge spanningen tussen de kinderen en constante verhuizingen leverden bij de jonge Rickie Lee vooral een onbedwingbare zwerflust op.

Het boek staat vol schrijnende situaties. Bijvoorbeeld hoe de tiener Rickie Lee wegloopt van huis en bij terugkomst door haar moeder met afwijzing wordt begroet. En toch worden de ouders in het boek nooit veroordeeld. Het woord verwaarlozing valt nergens. Maar het schemert op elke pagina tussen de regels door.

Ondertussen is Last Chance Texaco ook een ode aan de Muziek. Want in dat getroebleerde gezin wordt naar hartelust gezongen en gemusiceerd. En de ontdekking van haar zangtalent is voor Rickie Lee een serieuze uitweg uit de misère. En een uitlaatklep. Dat wordt de lezer duidelijk als ze uitlegt hoe haar ervaringen verwerkte in liedjes die haar moesten verzoenen met haar demonen.

Dat succes en roem je niet altijd kunnen beschermen tegen demonen uit het verleden, dat wordt ook duidelijk. Op het hoogtepunt van haar succes wordt Jones bijvoorbeeld tijdens een optreden bevangen door onzekerheid door één onbegrijpelijke kreet uit het publiek. En een enkele negatieve recensie weet ze decennia later nog moeiteloos uit haar geheugen op te diepen.

Uit deze episodes komt uiteindelijk ook de ware bedoeling van het boek naar voren. Door haar levensverhaal te delen wordt Rickie Lee’s eenzaamheid verlicht en haar trauma’s verhelderd. Daar is het allemaal om begonnen – bewust of onbewust. Net als haar werk biedt Last Chance Texaco op zijn eigen, indirecte manier een blik in een trotse en kwetsbare ziel die troost en aandacht zoekt. Wij popliefhebbers danken er een rijk oeuvre aan.

“He used to walk with me

He used to talk to me

See, we have these secrets

That no one else could hear

Well, he’s not the only one

No, no not the only one

But what happens to them?

Do they matter?

Do they disappear

Into a lonely girl?

Now I’m a lonely girl

I want somebody with me in the world”

[…]

I’ll cry awhile

But when I wake up

Tomorrow is a new day

I’m a lucky guy

Hey, I’m a lucky guy

Real, real lucky guy

Hey, I’m a lucky guy”

A Lucky Guy (Pirates, 1981)

Een goeie houding

Onlangs zag ik een grappig filmpje van de Spaanse straattheatergroep PuntMoc (kijken vanaf 12:07), die in pantomime een reeks muziekstijlen uitbeelden. Soms moet je iets langer kijken, maar meestal kun je snel de bedoelde muziekstijl afleiden uit hun gebaren. Puur op basis van visuele informatie dus, zonder geluid. Het deed me beseffen hoe belangrijk de bewegingen, houdingen en gezichtsuitdrukkingen van muzikanten zijn.

Zelf groeide ik op in de jaren 70, een periode waarin de technische mogelijkheden van geluidsstudio’s al snel tot in de hemel reikten. Nog voordat ik ooit een band of artiest in levenden lijve zag, had ik al heel veel fraai geproduceerde muziek beluisterd. Het gevolg was dat ik en mijn generatiegenoten popmuziek voornamelijk met de oren tot ons namen. Het kwam zover dat de kwaliteit van popbands werd afgemeten aan de mate waarin ze het geluid van de lp op het podium perfect konden reproduceren – waanzinnig.

De afgelopen corona-tijd heeft ons weer laten inzien dat muziek in de kern nog steeds gaat om optreden, een performance geven. Wat hebben we het gemist, artiesten die voor hun publiek staan en iets creëren dat op geen enkele manier reproduceerbaar is, iets dat alleen in het moment bestaat. Iets ook dat met al onze zintuigen wordt beleefd, niet alleen met onze oren. En – met ons hele lichaam.

Headbangen (metal), nonchalant genieten (jazz), weidse armgebaren (musical), synchrone danspasjes en brede smiles (soul en disco), stoer zwaaien met microfoonstandaards (rockers), drukke handchoreografie (hiphop), zelfs de introverte blik omlaag bij shoegazers – we merken nu weer hoezeer dat allemaal bij het theater van de popmuziek hoort – misschien wel het wezen ervan uitmaakt.

Hussel de genres en de poses maar eens door elkaar. Metalfans die kekke soulpasjes maken. Jazzcats die met microfoonstandaards jongleren. Singer-songwriters in houthakkersshirts die theatraal neerknielen en hun ogen naar de hemel opheffen. Je ziet meteen dat er iets niet klopt. Zonder de juiste poses is de popmuzikant verloren, want: ongeloofwaardig. De popartiest moet behalve muzikant dus ook een acteur van het zuiverste water zijn. Maar er is wel een verschil. De artiest moet iemand zijn die acteert vanuit zijn of haar authentieke zelf. Want de lichaamshouding is niets minder dan een levenshouding.

Als toetje om na te genieten van deze overpeinzing een act van een man die als popmuzikant en podiumdier volledig autodidact was en als theatrale persoonlijkheid zijn gelijke niet kende.