Merkwaardigheden

Met welke popster deel jij je verjaardag?

Wist je dat je in een groep van twintig mensen een kans van 41,1% hebt dat er minstens twee mensen dezelfde verjaardag hebben? En in een groep van dertig mensen zelfs 70,1%? Meer dan je dacht waarschijnlijk. Dit geinige weetje haalde ik uit de column van Ionica Smeets in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. Altijd leuk voor op feestjes als we die ooit weer gaan hebben, en ik moest ook denken aan een dik boek over ‘de geheime taal van verjaardagen’ dat ik lang geleden onder ogen kreeg.

The Secret Language of Birthdays beschrijft 366 persoonlijkheidsprofielen op basis van een mix van astrologie, numerologie, intuïtie en tarot. Ik geloof natuurlijk totaal niet in die dingen, maar natuurlijk toch meteen naar mijn eigen geboortedag: 2 oktober. En daar viel mijn oog, tussen enkele zeer herkenbare inzichten over de sterke en zwakke kanten van mijn karakter, op een lijstje beroemdheden met dezelfde geboortedag.

Het lijstje bevatte diverse historische figuren die iets hadden betekend in de wereld, zoals Mahatma Ghandi, Koning Richard III van Engeland en Groucho Marx. En ook: Sting. Omdat popartiesten mijn speciale belangstelling hebben, ging op de pakkend getitelde site I Hope To Die Before I Get Old op zoek naar artiesten die op diezelfde dag geboren zijn. Wie ik daar vond: Don McLean. Gillian Welch. Brittany Howard. En Sting natuurlijk. Alle vier klasse-artiesten, en net als ik bij het 2-oktoberclubje. Jee.

Ik werd een beetje stil bij de gedachte dat Don, Sting, Brittany en Gillian en ik alle vijf jaarlijks op 1 oktober moeilijk de slaap kunnen vatten en de dag erna alle vijf tegelijk bezig zijn met kaarsjes uitblazen. Nu ik dit weet voel ik meer een connectie met hen. Ik zie ook de overeenkomsten tussen ons opeens veel beter. De voorkeur voor melodieuze of juist meer monotone zanglijnen, de snellere of juist tragere ritmes, de balans tussen traditie en vernieuwing. Alle puzzelstukjes lijken op de een of andere manier eindelijk in elkaar te passen.

Eerst waren het gewoon vier gave artiesten, maar ik voelde toch altijd een bepaalde afstand. Nu zie ik Don, Gor (Sting heet eigenlijk Gordon), Britt en Gill als een soort vrienden, mensen die ik met meer dan gewone belangstelling volg bij alles wat ze voortaan in hun leven doen. Misschien kan ik ook een keer op de gastenlijst komen, af en toe een appje met een leuk kattenfilmpje.

Het mooist lijkt me als we een keer samen onze gemeenschappelijke verjaardag kunnen vieren, met al onze eigen vrienden erbij. Een beetje groot, in een tuin bij een van Stings landhuizen. Leuk. En dat we dan een gelegenheidscombo formeren met de heer des huizes natuurlijk op bas, de rest zang en gitaar, en dat ik dan de koebel voor mijn rekening neem. Ik weet zeker dat we elkaar goed aanvoelen, niet voor niets allemaal Weegschalen, dus uitgebalanceerd en goed kunnende luisteren. In gedachten hoor ik de fenomenale muziek van de 2Octobers al uit de speakers komen, staande ovaties … extra buiging voor de fans…

Ho. Ik ging een beetje te veel op in mijn fantasie, geloof ik. Sorry. Hoe kwam ik ook alweer op dit onderwerp? O ja, die column van Ionica Smeets. Waarin ze vertelt hoe verrassend groot de kans is dat je iemand treft die op dezelfde dag… O. Ja. Die kansberekening is wel een dompertje. De 2-oktoberclub is vast minder select dan ik dacht. Nou ja, het geeft ook niet. Al met al was het een boeiend uitstapje waarin ik mijn band met een paar bijzondere artiesten heb versterkt en nieuwe verbanden ben gaan zien.

Ben jij ook benieuwd met welke popartiesten jij je verjaardag deelt? Kijk op I Hope I Die Before I Get Old. Ik wens je veel nieuwe vrienden toe!

Geluk of mensenrecht?

In de Volkskrant van afgelopen woensdag stond een opvallend nieuwsbericht over een ‘zangrel’: voorvechters van vrouwenrechten in Afghanistan waren in opstand gekomen tegen een aangekondigd verbod op zingen in het openbaar voor meisjes boven de twaalf jaar. Onder de hashtag #IAmMySong gingen al snel vele filmpjes van zingende meisjes rond op de sociale media.

Het bericht trof me. Hoe zou het zijn wanneer de machthebbers mij vanwege mijn sekse zouden verbieden om in het openbaar te zingen. Moeilijk om me zoiets voor te stellen, omdat zingen in onze westerse samenleving niet geassocieerd wordt met zonde en ook omdat algemene beperkingen voor mannen hier ondenkbaar zijn.

Maar ook omdat ik me mijn leven niet goed kan voorstellen zonder zang. Vanaf mijn veertiende sta ik af en toe op een podium als zanger in een band, en ooit zat ik in een kamerkoor. Ik zong weleens mee tijdens een demonstratie, een kerkdienst, en vaak tijdens popconcerten. Waar zouden we zijn als daar straffen op stonden?

Een tijdje geleden las ik het boek Zingen is geluk van Barber van de Pol. Niet het doorwrochte samenhangende betoog waar ik op gehoopt had, wel een verrassende associatieve duik in een zee van persoonlijke, anekdotische, wetenschappelijke en filosofische kennis over het fenomeen zang. Van der Pol strooit met fraaie citaten, vertelt onder meer over haar oude moeder, die alleen tijdens het zingen weer ‘geborgen leek in haar oorsprong, een wonder dat iedereen herkent’. Ik herkende dat zeker.

Het boek riep ook als vanzelf allerlei associaties bij me op. Bijvoorbeeld dat zang zo’n mysterieus fenomeen is. Zangers en zangeressen lijken zich namelijk altijd enigszins los te zingen van hun gewone dagelijkse persoonlijkheid. Introverten geven zich bloot (Prince), stotteraars krijgen geoliede stembanden (B.B. King), stukken chagrijn ontdooien (Van Morrison). En er is nog iets: wat ze zingen lijkt nooit in een rechte lijn van de stembanden naar de oren van de luisteraars te gaan, maar hangt eerder in een wolkje tussen publiek en zanger in, zodat ze allebei iets boven zichzelf uit moeten stijgen om elkaar daar in dat wolkje te ontmoeten.

Het is misschien ook daarom dat er live bij het einde van een liedje altijd een kort, licht ongemakkelijk gevoel is, dat we het liefst snel opvullen met applaus. Vooral bij een abrupt einde heb je dat: muzikant en publiek vallen met een schok in plaats van met een zachte landing in zichzelf terug. Het duurt een halve seconde voordat ze weer in hun oude zelf passen. Is dit misschien de reden waarom veel muzikanten tijdens een optreden tussen de liedjes zo weinig tegen hun publiek praten?

Het omgekeerde fenomeen ervaar ik soms bij musicals, op de momenten dat de acteur of actrice die ik tot dan toe bijna voor een reëel bestand mens heb aangezien, van spreken opeens overstapt op zang. Ken je dat korte verwarrende gevoel? Het is alsof het personage je opeens ontglipt, minder reëel en geloofwaardig wordt. Je dreigt als kijker je suspension of disbelief te verliezen en kunt je moeilijker inleven in het verhaal. Misschien is dit wel waarom sommige mensen musicals zo haten.

Zingen is geluk deed me ook nadenken over de relatie tussen levens- en zanglust. Want die twee lijken voor mij altijd onlosmakelijk verbonden: ik zing als ik zin heb in het leven, als ik zin hebt in het leven zing ik – al is het maar een vaag geneurie of een zinnetje dat door mijn hoofd speelt. Ik denk dat ik in mijn leven slechts een paar korte, episodes heb gekend waarin de lust tot zingen me verging. Gelukkig maar.

In Afghanistan ondertussen kiest Ahmad Sarmast, oprichter van het Afghaanse Nationale Instituut voor Muziek en initiator van de #IAmMySong-protestactie, een andere benadering om het belang van zang te onderstrepen. Volgens hem schendt het nieuwe decreet van de Afghaanse overheid ‘de muzikale rechten van Afghaanse meisjes en berooft hen van de helende kracht van muziek’, zoals hij in het Britse dagblad The Guardian zegt. ‘Het schendt ook (…) de internationale conventie voor de rechten van het kind’. Hier is de VN-verklaring voor de Universele Rechten van de Mens als grote kapstok gebruikt, maar ik denk dat het in feite gewoon een andere manier is om te zeggen wat Barber van de Pol ook zegt: dat zingen geluk is.

Een paar mooie liedjes over zingen ter afsluiting: I Am Singing (Stevie Wonder), Song Sung Blue (Neil Diamond), Sing A Song (Earth, Wind & Fire), Nowadays Clancy Can’t Even Sing (Buffalo Springfield) en Today I Sing The Blues (Aretha Franklin). Op de Goeie Nummers-playlist op Spotify is dit rijtje nog wat uitgebreid. Ik wens je een zangvol weekend!

Je bent veertien

Onlangs liep ik met een volgeladen winkelkarretje in de plaatselijke Plus-supermarkt, mijn ogen gericht op de schappen met vuilniszakken. Opeens hoorde ik, net boven het winkelgeroezemoes uit, de uit duizenden herkenbare klanken van On the Border van Al Stewart: ´The fishing boats go out across the evening water’. Dat exotische beeld mengde zich instant met jaren 70-behang, een langwerpige jongenskamer, een pick-up, het gevoel dat er een leven voor me lag waarin alles kon gebeuren, in Spanje of andere exotische plaatsen. De boodschappen waren even helemaal vergeten.

Ik moest terugdenken aan een mooi artikel in The Times waarop een vriend me een tijdje geleden attendeerde. De Britse popjournaliste Caitlin Moran (1975) beschrijft hierin hoe ze in een doe-het-zelfzaak plotseling volschiet bij het horen van Tracy Chapmans hit Fast Car uit 1988. Een Proustiaanse stroom herinneringen aan haar tienertijd welt op, vooral aan de vlucht-fantasieën van de getroebleerde puber die ze was. Verborgen achter haar mondkapje zingt ze de tekst nu met beverige stem mee.

(meer…)

Kwetsbaarheid

Minister Bruno Bruins persconferentie maart 2020. Fotocredit: Phil Nijhuis

Op 18 maart 2020 zakte minister van Medische zorg Bruno Bruins in de Tweede Kamer voor het oog van de camera’s in elkaar tijdens het beantwoorden van kritische vragen van het parlement. Een dag later trad hij af vanwege oververmoeidheid. Hij was in zekere zin het eerste bekende slachtoffer van de corona-epidemie.

Nu, bijna een jaar later, kijk ik naar een foto van Bruins tijdens een persconferentie over het coronavirus. De foto moet niet lang voor zijn afscheid zijn genomen. Hier stond de minister nog rechter, maar het is moeilijk om naar deze foto te kijken zonder de kennis over het vervolg erbij te gebruiken.

(meer…)

Jekyll en Hyde in de popmuziek

Wil ik dit wel weten? Die vraag stelde ik mezelf deze zomer toen Akwasi ophef veroorzaakte met zijn uitspraak over Zwarte Piet tijdens de Black Lives Matter-demonstratie op de Dam. En onlangs opnieuw bij het nieuws dat de rapper-activist EO-journalisten onheus had bejegend. Het gevolg van dit soort informatie is namelijk dat je de muziek van Akwasi bijna zou vergeten. En dat zou jammer zijn, bijvoorbeeld vanwege zijn vorig jaar verschenen album Sankofa, een lekkere positieve hiphopplaat met Afrikaanse invloeden (prijsnummer Je Bent Nodig, samen met Typhoon & Fresku).

Het is niet de eerste keer dat ik worstel met de discrepantie die tussen een artiest en zijn muziek aan de ene kant en ‘de mens achter die artiest’ aan de andere kant. Zo maakte soulster James Brown opwindende feelgood muziek, terwijl de man Brown voor zijn omgeving vaak een tiran was. De artiest John Lennon zong over vrede op aarde, de mens Lennon gedroeg zich privé vaak minder harmonieus. Het meest recente voorbeeld in dit illustere rijtje: Van Morrison. De Belfast Cowboy smelt in zijn werk mystiek, folk en soul op onnavolgbare wijze samen, maar dreigde onlangs de Noord-Ierse regering met een rechtszaak tegen de coronamaatregelen, die volgens hem zijn gebaseerd op ‘pseudo-wetenschap’.

(meer…)

Waar is de gitaarsolo?

Er zijn dingen die zo geleidelijk veranderen dat je de trend lange tijd niet opmerkt – totdat die zich onverwachts aan je opdringt. Zo’n ervaring had ik een tijdje geleden toen ik luisterde naar het nummer Overseas op het recente album Reunions van Jason Isbell and The 400 Unit. Ik hoorde iets waarbij ik verwonderd dacht: wat heb ik dat al een tijd niet meer gehoord… een lange gitaarsolo.

Ellenlange erupties van ‘gitaargoden’ zijn allang niet meer in de mode, dat wist ik wel. Maar nu realiseerde ik me opeens dat ik in het huidige popaanbod überhaupt nog maar zo weinig gitaarsolo’s hoor, ook in de indiepop en de americana. Is de gitaarsolo inderdaad bezig langzaam te verdwijnen of vergis ik me? Een wetenschappelijk onderbouwd antwoord heb ik niet kunnen vinden, maar de aanwijzingen wijzen allemaal één kant op. (meer…)

De Top 2000: nationaal wisselbadritueel

Afgelopen dinsdag begon de Top 2000 Stemweek van NPO Radio 2. Tot aanstaande maandag 17.00 uur kun je uit een lange lijst nummers minimaal 5 en maximaal 35 favorieten kiezen, of liedjes van je persoonlijke voorkeur toevoegen. De Top 2000, begonnen in 1999, is inmiddels een instituut, en ik merk dat ik er ook dit jaar weer echt naar uitkijk. Wat maakt die Top 2000 voor mij zo speciaal?

Nou, dat is zeker niet de pretentie van ‘De Beste Muziek Aller Tijden’. Dat zijn mooie marketingkreten, maar alleen al de aanwezigheid van nummers als I Was Made For Loving You van Kiss (no. 328 in de lijst van vorig jaar) en Holiday in Spain van Bløf & Counting Crows (no. 309) spreekt deze claim tegen (sorry als ik nu op iemands hart heb getrapt). Net als de overmaat aan ouwe witte rockacts bovenaan in de lijst. Wat de Top 2000 dan wel is? Een fijn nationaal wisselbadritueel. (meer…)

Goed slapen en goed opstaan

Twee wetenschappelijke nieuwtjes over muziek trokken deze week mijn aandacht. Nu heb ik een ambivalente houding ten aanzien van de muziekwetenschap: aan de ene kant wil ik steeds meer weten en aan de andere kant ben ik bang dat meer kennis juist afbreuk zal doen aan het wonder van de muziek. Een dilemma dat zich, net als de meeste andere dilemma’s in mijn leven trouwens, keer op keer zonder wezenlijke verandering voordoet.

Hoe dan ook, bij het zien van de kop ‘Onverstaanbare slaapliedjes zijn ook slaapverwekkend’ in populairwetenschappelijk magazine KIJK – ja, het bestaat nog – was mijn nieuwsgierigheid weer gewekt. De heersende opvatting over slaapliedjes is dat baby’s er rustig van worden omdat ze de bekende stem van hun vader of moeder horen. Onderzoekers van het Music Lab van de Harvard Universiteit hebben echter gevonden dat baby’s ook kalmer worden van opnames van slaapliedjes die door onbekenden worden gezongen. Met andere woorden, de liedjes zélf hebben slaapverwekkende eigenschappen. Jammer voor het zelfbeeld van ouders, fijn voor de status van muziek. (meer…)

De muziek uit je jeugd

Vorige week vroeg ik me wat onrustig af of ik met het langzaam breder worden van mijn muzieksmaak ook een deel van mijn identiteit aan het verliezen was. Daarna bedacht ik dat je de relatie tussen die twee ontwikkelingen natuurlijk ook heel anders kunt interpreteren: misschien zijn identiteit en muzieksmaak in de puberteit en adolescentiefase gewoon sterker aan elkaar verbonden dan later. Als tiener, zoekende naar mijn ware aard, kon ik de muziek goed gebruiken als de steunpilaar die ik nu, zo’n veertig jaar later, minder nodig heb.

Deze interpretatie biedt zeker enige geruststelling, maar roept ook de vraag op of de muziek voor mij dan tegelijkertijd niet sterk aan betekenis heeft ingeboet. Dat wat ooit een noodzakelijke levensbehoefte was en diepe impact op mijn gevoelsleven had, zou dan nu misschien meer een soort luxe in mijn bestaan zijn geworden, iets wat ik zonder veel problemen kan missen. Is dat ook zo? (meer…)

Wat je muzieksmaak over jou zegt

ABBA2Toen ik een tiener was, wist ik precies wat goed en niet goed was. In elk geval op het gebied van muziek. Alternatieve countryrock (Crosby, Stills, Nash & Young, The Band) was goed, Top 40 (ABBA, Michael Jackson) was fout. Folk, punk en new wave? Top. Disco, Franse chansons en het Nederlandse levenslied? Weg ermee. Houthakkershemden waren goed, gekke pakjes fout. Klassiek en jazz waren voor oude mensen, telden dus sowieso niet mee. Hoe heerlijk overzichtelijk was het leven.

schutting2Terugkijkend over meerdere decennia lijkt de ontwikkeling van mijn muzieksmaak het meest op het geleidelijk, één voor één, omvallen van hekken en schotten. Er gaat eigenlijk niets af, er komt alleen steeds meer bij. En dat proces gaat tot op de dag van vandaag door. Herkenbaar? (meer…)