Month: mei 2021

Bob Dylan: tussen hemel en aarde

De popliefhebber die de afgelopen week niets over Bob Dylan heeft gehoord of gelezen, heeft vermoedelijk onder een steen gelegen. Ter ere van de 80e verjaardag van de Bard uit Minnesota pakte de Volkskrant uit met een fotospread met mooie overpeinzing van Gijsbert Kamer als een uitgebreid bijschrift. Edward Docx van de Britse krant The Guardian dook de diepte in, op zoek naar het raadsel van ‘s mans blijvende aantrekkingskracht. Muziekblog Stereogum liet 80 (of eigenlijk 83) artiesten hun favoriete Dylan-track kiezen en toelichten. Tim Knol en Nico Dijkshoorn vertelden over hun Dylan-liefde bij Op1 en speelden een fraaie ingekorte versie van prachtlied Not Dark Yet.

De VPRO was al een jaar eerder begonnen met deze jubileumverjaardag. Vanaf eind mei 2020 produceerden Chris Kijne en Lars Hulshof elke twee weken een BOBcast, een podcast waarin ze met uiteenlopende Dylan-kenners spraken. Afgelopen vrijdag was de afsluitende aflevering, met onder meer singer-songwriter Lucky Fonz III (‘90% van het Dylan-fan-zijn is speculatie’) en journalist Iris Koppe (‘Dylan is voor mij een verruiming van de geest en een moreel kompas’).

De meest veelzeggende bijdrage aan deze korte Dylan-manie kwam misschien wel van NRC-scribent Jan Vollaard, onder de kop ‘Bob Dylan in een stomende suite’. Vollaard blikt hierin terug op een interviewsessie in een hotel in Rome van twintig jaar geleden, ter ere van Dylans 60e verjaardag. In een snikhete hotelkamer mogen Vollaard en elf andere bedremmelde Europese journalisten His Bobness om de beurt een vraag stellen, die door de rockster steevast met grote onverschilligheid wordt beantwoord. In de kamer ernaast hebben de journalisten hun Dylan-lp’s klaargelegd om door hem te worden gesigneerd. Na afloop blijkt hij er slechts met viltstift een kruis op te hebben gezet.

Dit wonderlijke tafereel lijkt een licht te werpen op het raadsel Dylan dat in feite ook het raadsel is van iedereen die zich als schrijver, liefhebber of omstander met zijn muziek bezighoudt. Waar kijken we naar bij deze persbijeenkomst? Waarom gedragen deze dertien mensen zich hier zoals ze zich gedragen? Dat Dylan de primes inter pares onder de popartiesten is, biedt onvoldoende verklaring. Ook al is hij van alle oude rocksterren dan al de enige wiens nieuwe muziek nog steeds relevant is.

De verklaring zit misschien in de manier waarop Dylan zich steeds aan het begrip en de oordelen van iedereen weet te onttrekken. Niet voor niets schrijft Edward Docx van The Guardian over zichzelf en andere Dylan-adepten: “We listen to him every day like other people pray.” In de jaren 60 zag een halve generatie hem als de Verlosser. Met zijn fenomenale onverschilligheid tegenover de twaalf Europese journalisten die in Rome aan zijn voeten zitten, doet hij denken aan niemand anders dan Jezus.

Net als Jezus lijkt Dylan overal boven te staan. Toen hij in 1966 door zijn publiek voor ‘Judas’ werd uitgemaakt omdat hij ‘elektrisch was gegaan’ speelde hij onaangedaan verder en maakte hij zijn tournee gewoon in stijl af. In 1997 trad hij op voor de Paus terwijl de popwereld hem erom verketterde. Toen hem in 2016 de Nobelprijs werd toegekend, reageerde hij wekenlang niet en stuurde hij vervolgens een plaatsvervanger, Patti Smith, naar de officiële ceremonie in Stockholm. Zulke onverschilligheid kwetst, ergert, maar roept uiteindelijk altijd ontzag op. Wij gewone stervelingen voelen ons er niet toe in staat.

Maar misschien zit het geheim van Dylan tevens in iets dat we geneigd zijn om over het hoofd te zien, namelijk dat Dylan niet dezelfde is als Robert Alan Zimmerman, geboren in Duluth, Minnesota, op 24 mei 1941. Dylan stelt ons ook voor een raadsel omdat hij geen mens is maar een creatie. We zouden Roberts verjaardag in feite helemaal niet moeten vieren, maar die van Bob. Jammer genoeg is daarvan geen precieze datum bekend.

Wat we wel weten, is dat de folkzanger zich ergens in 1959 tooide met de naam Bob Dylan. Naar eigen zeggen was die naam afgeleid van die van zijn oom Dillion. Alleen: die oom heeft nooit bestaan. Vanaf het begin heeft Zimmerman volop gefabuleerd over zijn achtergrond. Of moeten we zeggen dat het niet Zimmerman was maar Dylan die die dingen verzon? Het spel wordt steeds ingewikkelder. De man wikkelt het raadsel graag in fictie.

Het feit is dat Dylan vele malen groter is dan Robert Allen Zimmermann. Ik vermoed dat een van de twee – wie, dat weten we niet – lang geleden al heeft bedacht dat niemand gebaat is bij de ontmaskering van de halfgoddelijke status van Bob Dylan. Het spel moet worden gespeeld. Daarom roept hij twaalf journalisten naar Rome voor een audiëntie. Dat is het beste voor de fans, de media, de business en de wereld in het algemeen, moet hij hebben gedacht. En vooral voor hemzelf en zijn nalatenschap. Een plaats tussen hemel en aarde voor de creatie Bob Dylan, daar doet hij het voor.

Hoe interessant is het Eurovisie Songfestival?

Al zolang ik me kan herinneren is het Eurovisie Songfestival omstreden, vooral bij mensen met een meer dan gemiddelde liefde voor de popmuziek. In hun ogen is de liedjeswedstrijd tussen landen oppervlakkig, clichématig, puur gericht op de buitenkant, en dan ook nog eens doordrongen van politiek gekonkel of politiek correct stemgedrag. Zeer oninteressant dus.

Begin jaren 90 beleefde het kwakkelende Europese liedjesfestijn een verrassende wederopstanding. Nou ja, helemaal verbazingwekkend was het niet. In die jaren werd een groot deel van de Oost-Europese landen één voor één met de West-Europese verenigd in de NAVO en de EU. En hoe konden de banden beter worden aangehaald dan met muziek, de meest symbolische en verenigende kunstvorm die er bestaat?

Volgens sommige denkers, waaronder ik ook mezelf reken, kun je het Eurovisie Songfestival, meer nog dan het EK Voetbal, beschouwen als oorlog zonder wapens. Een manier om de onvermijdelijke rivaliteit tussen naties in goede banen te leiden. Er zijn jury’s in plaats van legerstaven, eindeloze intermezzo’s, een archaïsche puntentelling en er wordt nog Frans gesproken (‘Royaume-Uni, deux points’). Er zijn zoveel rituelen, niets is wat het lijkt, daar moet meer achter zitten. Bovendien, muziek is de enige taal die iedereen verstaat. Die gedachte maakt het Eurovisie Songfestival al wat interessanter.

Maar er zit nog een andere interessante kant aan dit jaarlijkse muziek- en spektakelspektakel. Dat leerde ik vorige week bij een webinar van computationeel musicoloog John Ashley Burgoyne van de Universiteit van Amsterdam. Burgoyne, afkomstig uit de VS, doet onderzoek naar muzikale kenmerken die bepalen of een liedje blijft ‘hangen’. In zijn project Hooked on Music onderzoekt hij wat liedjes van het Eurovisie Songfestival herkenbaar maakt en wat ze doet uitstijgen boven hun concurrenten.

Met de computer ontdekte hij eerst een aantal buitenmuzikale factoren die het oordeel over de liedjes bepalen. Bijvoorbeeld dat een liedje meer kans maakt om te winnen als het aan het begin van de avond wordt gezongen. Dat dansers op het podium de kans op een hoge score vergroten (maar met een maximum van zes dansers), maar dat het omhangen van een gitaar juist niet helpt. Maar gelukkig leert zijn onderzoek ook dat de melodie van een liedje uiteindelijk toch de doorslag geeft bij de eindbeoordeling.

Deze bevinding presenteerde de wetenschapper als de belangrijkste uit zijn nog lopende onderzoek. In de marge van dit verhaal wees hij ook op een aantal andere interessante bevindingen. De eerste was dat er zoiets als een typische Eurovisie Songfestival-klankkleur bestaat die zich vooral laat karakteriseren als ‘niet-Amerikaans’, bijvoorbeeld de invloeden van schlagers en volksmuziek op de popsongs. Zo had ik er nog niet tegenaan gekeken, maar het is wel herkenbaar. En je zou je dus kunnen voorstellen dat het songfestival deels de functie heeft om een lange muzikale Europese neus te trekken naar het machtige land aan de overkant van de plas.

Een andere in het oog springende opmerking van Burgoyne is zo mogelijk nog interessanter. Hij geeft aanleiding tot nieuwe hypothesen over onze Nederlandse (muzikale) identiteit en zelfbeeld. Want een vergelijking tussen onze luistervoorkeuren op Spotify en onze inzendingen naar het Eurovisie Songfestival bracht een verrassende tegenstelling aan het licht.

Uit de algoritmes van Spotify blijkt namelijk dat Nederlanders van alle Europeanen de meeste ‘positieve’ muziek afspelen, en de minste ‘negatieve’ muziek, waarbij het eerste staat voor vrolijk en ontspannend en het tweede voor verdrietig of boos. Tegelijkertijd zendt Nederland naar het Eurovisie Songfestival juist vooral droevige liedjes in – denk aan Birds (Anouk), The Calm After the Storm (The Common Linnets) en Arcade (Duncan Laurence).

Burgoyne zag hierin een onverklaarbare interne tegenspraak: Nederlanders houden van opwekkende muziek maar tonen op het internationale podium vooral van hun andere, donkere kant. Ik vermoed dat het in feite heel verklaarbaar is. Wij zijn in wezen een vrij depri volkje, half verdronken aan de afzakkende rand van het continent. Dus hebben we gewoon vrij veel opwekkende muziek nodig om het hoofd boven water te houden. Maar als we ons aan de buitenwereld moeten presenteren, kunnen we niet anders zijn dan ons depri zelf. Logisch toch? Denk daar maar eens even over na.

Al met al blijkt het Eurovisie Songfestival een stuk interessanter dan ik eerst dacht. Dat lijkt me een goede reden om morgenavond naar de finale te gaan kijken. Tevens een goed excuus voor mij om voor de dag te komen met mijn guilty pleasure: Vicky Leandros met Après Toi, winnaar van het songfestival in 1972. Wat is jouw Eurovision guilty pleasure?

Smeltkroes, Stoofpot en Spons

De lof van New Orleans als muziekstad moet geregeld opnieuw bezongen worden. Bijvoorbeeld hier op Goeie Nummers. Want als er één stad aanspraak kan maken op de titel Bakermat van de Rock-‘n-Roll dan is het The Big Easy, zoals de stad in Louisiana ook wel wordt genoemd. In deze ‘noordelijkste stad van de Cariben’ (weer een ander alias) kwamen invloeden uit Cuba, Sicilië, Frankrijk en Afrika in de eerste helft van de 20e eeuw samen in een culturele en muzikale smeltkroes waaruit de jazz en de oervorm van de rock-‘n-roll ontstonden, waaruit vervolgens zo’n beetje alles in de popmuziek voortkwam.

New Orleans baarde grootheden als Louis Armstrong, Jelly Roll Morton, Fats Domino en Little Richard. Hun opvolgers hadden namen als Allen Toussaint, Dr. John, The Meters en The Neville Brothers. Zij demonstreerden dat NOLA (alias nr 4) ook een spons was voor nieuwe stijlen, met name funk. Ze voegden die ingrediënten aan de bestaande mix toe om er een typisch-Zuidelijke New Orleans-stoofpot mee te brouwen, waarin alle smaken onnavolgbaar door elkaar heen lopen en elkaar versterken.

(meer…)