Month: juli 2021

Ik ben hier HEEL onzeker over – Help!

artikel Volkskrant 18 dec 2018 kwetsbare vloggers

In de Volkskrant van een tijdje geleden stond een interessant artikel van journalist Haro Kraak over een recent fenomeen onder populaire vloggers of influencers: ze laten op YouTube en andere sociale media hun kwetsbare kant zien. Onzekerheid, worstelingen en depressies komen in de plaats van het perfecte plaatje van een succesvol bestaan dat tot dusver de norm was. ‘De toverwoorden van deze trend zijn kwetsbaarheid, eerlijkheid en openhartigheid,’ schrijft Kraak. ‘Die echtheid is wat de – veelal jonge – volgers het liefst willen zien.’

omslag We zijn nog nooit zo romantisch geweest

Onlangs las ik het inzichtgevende boek We zijn nog nooit zo romantisch geweest (Lemniscaat, 2016) van filosoof en journalist Hans Kennepohl. Daarin gaat het ook over authenticiteit. De auteur laat zien hoe achttiende-eeuwse schrijvers als Rousseau en Goethe de ideeën van de Romantiek in het publieke debat brachten. De kern van die nieuwe ideeën: de mens is van nature goed, elk mens is uniek, emotie staat boven ratio, avontuurlijkheid boven het accepteren van de status quo. Authenticiteit (trouw zijn aan jezelf) geldt als de allerhoogste waarde.

hippiebus

Die romantische opvattingen, betoogt Kennepohl, zijn in de loop van de eeuwen steeds dominanter geworden. Vooral vanaf de sixties, als gevolg van de welvaartsgroei en de ontkerkelijking.

Door dit boek kreeg ik een heel nieuw beeld van mezelf. Ik bleek veel romantischer te zijn dan ik had gedacht. Oei. Dat maakte me in eerste instantie HEEL onzeker – maar ik zag meteen ook verbanden die me eerder ontgingen, in tv-reclames en maatschappelijke discussies – en ook in de popmuziek. Daar greep ik me dankbaar aan vast.

Beatles

The Beatles waren dé trendsetters van de sixties en maakten zelf ondertussen ook een stormachtige ontwikkeling door. Vertegenwoordigden de Fab Four misschien de groeiende invloed van de romantiek in de westerse samenleving? En werden ze tijdens hun bijna tienjarige bestaan ook steeds romantischer? Help – dit zijn grote vragen waarop ik helemaal geen antwoord heb. Toch maak ik hier graag een beginnetje.

hoes Help!

Vanaf 1962 veroverden The Beatles de wereld met hun inventieve en opgewekte liedjes. Een paar jaar later begonnen ze nadrukkelijk met hun muziekstijl te experimenteren. En met hun teksten. Nummer 1-hit Help! uit 1965 is daarvan het meest sprekende voorbeeld.

Waar liedjes als From Me to You en I Want to Hold Your Hand nog de gangbare cliché’s van de liefde opvoeren, kent Help! een radicaal andere toon:

‘When I was younger so much younger than today / I never needed anybody’s help in any way / But now these days are gone, I’m not so self assured / Now I find I’ve changed my mind and opened up the doors’

kurt cobain

Hier is iemand aan het woord die geen moeite doet om de schone schijn op te houden. Het door John Lennon geschreven en gezongen nummer toont existentiële angsten en doet dat onverbloemd. Zwakte wordt omgezet in sterkte. Lennons tenor is zowel krachtig als gekweld, een onweerstaanbare combinatie die later zou terugkomen bij verder zo uiteenlopende zangers als Kurt Cobain, Ray Lamontagne en Amy Winehouse.

logo Rolling Stone

In een interview met popmagazine Rolling Stone noemde Lennon in 1970 Help! een van zijn meest ‘echte’, niet ‘op bestelling’ geschreven Beatles-liedjes, en vanwege het eerlijke karakter ook een van zijn favoriete. Help! is authenticiteit in optima forma. De recente trend van openhartige kwetsbaarheid bij vloggers begon ruim een halve eeuw geleden bij de vier jongemannen uit Liverpool. En hoe origineel die ook waren – ze hadden het weer van Goethe en Rousseau.

Zo, dat lucht op, ik heb alles weer op een rijtje. Ik kan er weer tegenaan!

3 x toptraditie van eigen bodem

Als er op Goeie Nummers aandacht is voor muziek van landgenoten gaat het meestal om artiesten die in het Nederlands zingen, zoals Spinvis, Daniël Lohues of Eefje de Visser. Misschien is dat logisch omdat de in het Engels zingende landgenoten in mijn hoofd moeten concurreren met zowat de hele popwereld, maar toch zou het zonde zijn om deze artiesten over het hoofd te zien.

Zeker als we kijken naar de sterke soloalbums die Douwe Bob, Bertolf en Anne Soldaat de afgelopen maanden uitbrachten. Drie gevestigde namen, van drie verschillende generaties, die bijna gebroederlijk alle drie komen met nieuwe muziek die zoveel traditie ademt dat je het misschien wel als retro kunt betitelen.

Douwe Bob (Douwe Bob Posthuma, 1992), in 2016 nog de Nederlandse inzending naar het Eurovisie Songfestival met Slow Down, bracht eerder vier platen uit met smaakvolle popliedjes die de invloed van countryrock verraden. Op zijn nieuwe album Born to Win, Born to Lose haalt hij die Amerikaanse muziektradities nog sterker naar voren, aangevuld met een fikse scheut soul en gospel. Wat vooral opvalt, naast de fraaie en persoonlijke liedjes, is Douwe Bobs ijzersterke zang – in dat opzicht staat hij voor mij in ons land op eenzame hoogte. Luister bijvoorbeeld naar Hold On. Ook leuk: in Amsterdam weet hij de plattelandsmuziek van de VS op overtuigende wijze in onze hoofdstad te laten landen.

Bertolf (Bertolf Lentink, 1980) maakte naam als zanger-multi-instrumentalist in talloze samenwerkingsverbanden en produceerde vanaf 2009 al verschillende soloalbums. Bertolf is zo iemand die zingt en speelt alsof het hem allemaal geen enkele moeite kost – en misschien is dat ook zo. Geweldige melodieën en arrangementen, prachtig gespeeld, maar de teksten overtuigden mij niet altijd, waardoor ik me niet helemaal aan zijn muziek kon overgeven. Op Happy In Hindsight, zijn achtste soloalbum, zijn muziek en tekst juist helemaal in evenwicht en word je aangenaam meegesleurd van de ene naar de andere stijl van eind jaren 60 en begin 70. Geniet van de heerlijke titeltrack of de vrolijk huppelende country van Don’t Look Up, Don’t Look Down.

Ook Anne Soldaat (1965) bracht zijn achtste solo-album uit: Facts & Fears. De voormalige zanger-gitarist van Daryll-Ann toerde de afgelopen jaren samen met Yorick van Norden langs theaters met covers van veronachtzaamde liedjes van ‘unsung heroes’ als Emitt Rhodes, Gene Clark en Biff Rose. Het coveren lijkt Soldaat geïnspireerd te hebben om ook in zijn eigen werk op Facts & Fears ruim te putten uit de stijlen van de jaren 60 en 70. De nummers zitten vol met verrassende wendingen en meezingbare melodietjes, en Soldaat geeft zijn gitaar steeds net dat beetje vervorming mee waardoor het lekker gaat rocken. Luister naar het Kinks-achtige You’re Hard to Find of het fraaie I Was Lost.

Betekent het iets dat deze Nederlandse artiesten alle drie voor een ‘retro’-aanpak kiezen? Doen ze mee aan wat popjournalist Simon Reynolds afkeurend ‘onze verslaving aan de popgeschiedenis’ heeft genoemd? Ik weet het niet. Het is waar dat geen van drieën echt iets nieuws aan de genres toevoegt, maar of dat erg is? Het levert in elk geval zeer genietbare muziek op waar het spelplezier vanaf spat – iets waar we in dit lange coronajaar inmiddels wel naar snakken. Bovendien geven zowel Douwe Bob als Bertolf en Anne Soldaat zich in hun teksten op een subtiele manier bloot. Retro? Ik zou zeggen: de mannen geven hun eigen unieke kleur aan de traditie.

Meer goeie nummers van deze artiesten horen? Op de Spotify-playlist van Goeie Nummers vind je de genoemde liedjes plus nog een paar extra.

Popartiest of filosoof?

Hier op Goeie Nummers verbind ik de popmuziek graag af en toe met andere domeinen van het leven. Bijvoorbeeld door te doen alsof popmuziek een sportwedstrijd is, een medicijn, een wetenschapsdiscipline of zelfs een vorm van psychotherapie (en ik hou me aanbevolen voor tips op dit gebied).

Daarom was ik verrast toen ik gisteren in mijn mailbox een bericht aantrof met de kop ‘this is why philosophy should be more like popmusic’. Hier was iemand aan het woord met dezelfde voorliefde als ik, maar dan omgekeerd: zijn/haar eigen ‘vakgebied’, in dit geval de filosofie, vergelijken met de popmuziek.

De mail was afkomstig van The School of Life, de internationale organisatie die ‘mensen helpt om meer voldoening uit het leven te halen met behulp van inzichten uit de filosofie, psychologie en kunsten’. Volgens de afzender heeft de rock-‘n-roll zich vanaf de jaren 50 ontwikkeld van een frivool medium met weinig inhoud tot ‘s werelds belangrijkste medium voor het uitdrukken van ideeën. Om te overleven in het huidige tijdperk zou de oude ‘stoffige’ filosofie net zo aansprekend, toegankelijk en vooral opwindend moeten zijn als de popmuziek.

Ik hou er wel van als mensen zo soepeltjes een eeuw en een paar millennia aan elkaar knopen. Maar ik was ook verrast. Niet omdat de filosofen van The School of Life kennelijk jaloers zijn op de populariteit van de popmuziek – dat zie je bij schrijvers, politici en wetenschappers ook – maar wel omdat ze haar zoveel ideeënrijkdom en maatschappelijke impact toeschrijven.

Heeft de popmuziek inderdaad zo’n grote intellectuele rijkdom als The School of Life suggereert? Ontwikkelen popartiesten inzichten en ideeën die kunnen tippen aan de diepe inzichten van Plato, Wittgenstein, Arendt, Nussbaum en hun collega’s? Dat lijkt me toch iets te veel eer. De gemiddelde popartiest lijkt me, gelet op zijn of haar output, geen al te diepe denker.

Maar ik zou me ook kunnen vergissen. Zie ik popmuzikanten over het hoofd die misschien de uitzondering op de regel vormen? Zijn er wel degelijk artiesten die ons, net als filosofen, scherper doen waarnemen, liedjesschrijvers die de raadselen van het bestaan voor ons weten te duiden of die ons leren nieuwe vragen aan de wereld te stellen?

De eerste die dan bij me opkomt is John Lennon, die nummers schreef als Help!, Working Class Hero en Imagine. Ook de satire van Randy Newman, de introspectie van Joni Mitchell en de literatuur van Bob Dylan hebben filosofische trekken – zij lijken alle drie dieper door te dringen in de werkelijkheid. Maar de meest filosofische onder de popartiesten is voor mij toch de man die de wereld in 1963 in verstomming naar zichzelf liet luisteren met The Sound of Silence: Paul Simon.

Simon (Newark, NJ, 1941) getuigt in zijn liedjes van een niet-aflatende wil om het leven te onderzoeken. Hoewel de toon vaak licht is, schuwt hij existentiële vragen niet. In American Tune (Here Goes Rhymin’ Simon, 1973) plaatst hij de ontheemdheid van zijn goddeloze generatie op de troostrijke koormelodie van Bach uit de Matthäus-Passion. You Can Call Me Al (Graceland, 1986) zet hij de vaak geïroniseerde midlifecrisis zonder schroom in de spotlights. In I Don’t Believe (Surprise, 2006) klopt de sterfelijkheid aan de deur.

Ook als het gaat om aforismen, iets waar je toch vaak een filosoof herkent, staat de Newyorker zijn mannetje. Arthur Schopenhauer had ‘De meest zekere manier om niet heel ongelukkig te worden is niet te verlangen heel gelukkig te worden.’ Paul Simon komt met ‘Everybody loves the sound of a train in the distance, everybody thinks it’s true’ (Train in the Distance). Nietzsche: ‘Dat wat mij niet doodt, maakt mij sterker’. Simon: ‘Nor is it strange that after changes upon changes, we are more or less the same’ (The Boxer).

Perfectionistisch als hij is, produceerde Simon in zijn lange loopbaan slechts vijftien soloalbums. Daarop tref je meer pakkende one-liners aan dan in het oeuvre van pak ‘em beet honderd van zijn collega’s bij elkaar. Zoals ‘The more I get to thinking, the less I tend to laugh’ (Oh, Marion), ‘losing love is like a window in your heart, everybody sees you’re blown apart’ (Graceland), zinnetjes die raken en blijven plakken.

Dat laatste komt natuurlijk ook door dat belangrijke verschil tussen de rock-‘n-roll en de filosofie: de muziek, het medium dat zich zo moeilijk laat begrijpen en waarop zoveel filosofen zich dan ook al eeuwenlang hebben stukgebeten. Een popartiest heeft het voordeel dat hij zijn wijsheden kan verpakken in aansprekende, toegankelijke en opwindende liedjes. Misschien zit hier wel een mooie tip in voor The School of Life.

Over songwriters en spindoctors

Rinus MichelsMetaforen zijn geinige dingen. Door twee verschillende begrippen aan elkaar gelijk te stellen ken je aan het eerste begrip de eigenschappen van het tweede toe. Als je bijvoorbeeld net als Rinus Michels zegt dat voetbal oorlog is, ken je het populaire balspel automatisch eigenschappen toe als gewelddadig, doelgericht en meedogenloos – en worden andere eigenschappen van de sport, zoals schoonheid, plezier en sportiviteit, buiten beeld geplaatst. Een metafoor is een toverstokje.

Metaphors We Live ByVorige week linkte Goeie Nummers naar een mooi artikel van de Nijmeegse onderzoeker Lucas Seuren over het inventieve spel met metaforen in Bette Midlers klassieker ‘The Rose’ uit 1979. Seuren beschouwt het lied als een fraaie illustratie van de theorie van de Amerikaanse wetenschappers George Lakoff en Mark Johnson. Die lieten in hun boek Metaphors We Live By (1980) zien hoezeer onze dagelijkse taal, meestal zonder dat we het beseffen, voor een groot deel uit metaforen bestaat. En ook hoezeer we veel belangrijke abstracte zaken – zoals een gesprek, een carrière, maar ook de liefde – op een bepaalde manier begrijpen door de (onbewust) gekozen metaforen.

Framing Hans de BruijnMaar met dat linkje van vorige week was ik nog niet van het onderwerp af. Het bleef me achtervolgen, en ik werd getroffen door een opvallende parallel met mijn dagelijks werk in copywriting en communicatie. Want volgens veel communicatie- en retorica-deskundigen worden maatschappelijke discussies tegenwoordig in grote mate gekenmerkt door ‘framing’, in feite niets meer of minder dan een vorm van handig metaforen-gebruik.

parodieposter VVDPolitici en andere opiniemakers laten je door een slim gekozen kader (frame) naar een bepaald onderwerp kijken, met als uiteindelijk doel om hun eigen oplossing geaccepteerd te krijgen. Ze presenteren bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek als ‘lastenverlichting’, die de burger helpt ontsnappen aan staatsdwang (rechts) – of juist als ‘villasubsidie’, die de rijken ten onrechte bevoordeelt (links). De onderliggende – niet uitgesproken – metafoor in het eerste frame is: de staat is een machtshongerige machine, in het tweede is de staat een rechtvaardige ouder.

Amanda McBroomAls je gewapend met deze kennis nog eens naar The Rose luistert, ontwaar je een framing war in optima forma. Niet over de hypotheekrenteaftrek, maar over de liefde. Songwriter Amanda McBroom breekt een lans voor haar eigen frame ten koste van andere frames. Ze zegt: sommige mensen stellen liefde voor als een rivier, anderen als een scheermes of als een honger – maar mijn frame, de roos, is het beste: liefde moet je voorstellen als natuurlijk, groeiend, heerlijk geurend, in staat om de winter onder de grond te overleven en in de lente te ontkiemen.

399px-Jack_de_Vries_2009_(1)Volgens de beste redenaarswetten maakt McBroom gebruik van de ‘drieslag’ van foute oplossingen om met de vierde haar gelijk te halen (wie deze week filmfragmenten met Martin Luther King zag, zal de vorm herkennen). En dat haar eigen oplossing klinkt precies op het moment dat de melodie weer thuiskomt in het beginakkoord, zal ook geen toeval zijn. Dit is geen dichtkunst meer, dit is je reinste retorica. En knap overtuigend. Een goede dichter is een beetje een spindoctor. Of moet elke goede spindoctor een beetje een dichter zijn?

Ken jij andere nummers met een fraaie liefdesmetafoor? Deel ze hier op Goeie Nummers!

 

Albumverjaardag – Tigermilk van Belle and Sebastian

Een paar weken geleden zou ik iets gaan schrijven over een album dat zojuist een kwart eeuw oud was geworden: Tigermilk, het debuutalbum van Belle and Sebastian uit 1996. Dat stukje kwam er niet van, maar het onderwerp was in mijn ogen belangwekkend genoeg voor een herkansing. Niet omdat Tigermilk is opgenomen in Robert Dimery’s standaardwerk 1001 Albums You Must Hear Before You Die – al is zoiets wel een pré – en ook niet omdat de stijl van de Schotten zo’n groot stempel op de popmuziek heeft gezet. Waarom dan wel?

Ten eerste omdat het album een eenling is, een solitaire boom in een weiland, en de band een uniek rondreizend circus in het weidse poplandschap. De ontstaansgeschiedenis van het album ook al bijzonder. Op basis van een ingestuurde demo kregen singer-songwriter Stuart Murdoch en drummer Richard Colburn van het Glasgowse Stow College de kans om een heel album op te nemen. Ze raapten inderhaast een stel jonge muzikanten bij elkaar, doken de studio in en de rest is geschiedenis, in elk geval popgeschiedenis in de niche die de band sindsdien eigenhandig heeft gecreëerd.

(meer…)