gerechtigheid

Meer tamboerijn

Er zijn instrumenten in de popmuziek die nooit de erkenning krijgen die ze verdienen. De triangel. De koebel. En ook de tamboerijn hoort daarbij: een muziekinstrument dat waarschijnlijk vooral wordt geassocieerd met saaie muzieklessen op de basisschool en vage gospelkoortjes op straat. Ten onrechte. De tamboerijn is een onmisbaar radertje in de machinerie van de popmuziek dat tegelijkertijd nauwelijks opvalt. Hoe kan dat?

Eerst dat onopvallende. Misschien zit hem dat deels in het uiterlijk. De kleine platte trommel met losse mini-bekkens, officieel ‘schelringen’ genoemd, heeft niets van het sierlijke van de gitaar of het imposante van een drumstel, piano of orgel. De tamboerijn (in Oudnederlands: ‘beltrom’) heeft wel een lange geschiedenis in de volksmuziek, maar daar heb je qua uitstraling weinig aan in de rock-‘n-roll.

Daarnaast krijgt het instrument op het podium nooit een eigen microfoon, waardoor je zou kunnen denken dat het onbelangrijk is. De ware reden is dat het ding zoveel herrie maakt dat het ook zonder eigen versterking wel doorkomt in de zaal. Tot slot: de tamboerijn is nooit een solo-instrument. Hij zit vrijwel altijd ‘verstopt in de mix’, verborgen tussen de andere instrumenten als cement tussen de bakstenen van een huis. Het resultaat van dit alles: weinig mensen kunnen uit het hoofd een bekend nummer noemen met een tamboerijn erin.

Dat is jammer. Want ondanks de schijnbare onbeduidendheid zit de tamboerijn in heel veel goeie nummers, ook in heel bekende, en die zouden veel van hun glans verliezen als iemand het instrument eruit zou halen. Vaak komt hij het liedje binnen op het moment dat er net even iets extra’s nodig is om het helemaal af te maken. Bijvoorbeeld in de refreinen van Go Your Own Way (Fleetwood Mac), Believe It When I See It (Ron Sexsmith) of Daydream Believer (The Monkees). Een paar andere mooie voorbeelden: Put the Message in the Box (World Party), If You Love Somebody Set Them Free (Sting) en Suite: Judy Blue Eyes (Crosby, Stills & Nash).

De grote wegbereiders van de tamboerijn in de popmuziek zijn de Motown-artiesten van de jaren zestig. Jack Ashford, van de vaste Motown-backingband de Funk Brothers, was een ware meester. Een paar voorbeelden van de verschillende effecten die deze tamboerijnkunstenaar teweegbrengt: explosies in Dancing in the Street (Martha & the Vandellas), stabiele aandrijving in Ain’t That Peculiar (Marvin Gaye) en extatische versnelling in Signed, Sealed, Delivered (Stevie Wonder).

De afgelopen week luisterde ik naar een paar nieuwe platen waarop ik was geattendeerd door de website De krenten uit de pop. En ja, hoor. Zonder er echt naar op zoek te gaan vond ik het onopvallende onmisbare geluid op verschillende plekken terug. Bij singer-songwriter Jesse Aycock (High Hopes), bij Geri van Essen (Two Strangers) en bij Cory Hanson (Pigs). Je hoort het pas als je het doorhebt: de tamboerijn is niet te missen.

Meer mooie tamboerijnnummers horen? Op de Spotify-playlist van Goeie Nummers vind je de genoemde liedjes plus nog een paar extra.

Eerherstel voor de jaren 80

Een tijdje geleden heb ik me hier op Goeie Nummers – en ook in mijn boek Diepe groeven – enigszins laatdunkend uitgelaten over een tijdvak waaraan sommige popliefhebbers buitengewoon goede herinneringen blijken te koesteren: de jaren 80. Van verschillende kanten kreeg ik daar wat commentaar op – heel beschaafd hoor, bedreigingen zaten daar niet of nauwelijks bij – maar zoiets zet je toch aan het denken.

In eerste instantie was ik verwonderd over die reacties. Ze troffen me als hernieuwd bewijs van het wetenschappelijk vastgestelde feit dat muziek uit het ‘eigen’ tijdvak, dat wil zeggen de muziek die mensen ongeveer tussen hun 12e en 25e horen, altijd een bijzonder plekje in hun hart blijft innemen. Zelfs als het gaat om liedjes met de steriele synthesizerklanken en het overdreven galmende drum- en zanggeluid van de jaren 80, gespeeld door muzikanten met bizar groot en doorgeföhnd haar. (meer…)

Het raadsel Nick Lowe

Nick Lowe jongDe carrière van Nick Lowe is nauwelijks te bevatten. Eind jaren 70, begin 80 beleeft de Britse zanger-basgitarist successen als solo-artiest met inventieve maar weinig authentieke liedjes (I Love the Sound of Breaking Glass, Cruel To Be Kind). Terwijl zijn meesterwerken vanaf midden jaren 90 (The Impossible Bird, The Convincer) nooit meer dan een beperkte schare trouwe fans bereiken. Hoe kan dat? Is het een bewijs voor de stelling dat kwaliteit en commercieel succes gewoon niet kunnen samengaan?

boek Cruel To Be KindIk ging op zoek naar het antwoord in Lowe’s recente biografie Cruel To Be Kind, van de hand van popjournalist Will Birch. Birch sprak vele mensen uit Lowe’s omgeving, alsmede de man zelf, en biedt zo een mooi inkijkje achter de schermen van de publieke persona die de Engelsman ons laat zien. Zodat we geleidelijk steeds dichter bij de kern van het enigma komen. (meer…)

Gerechtigheid

Af en toe ontwaakt in mij een koene ridder die onversaagd en onbaatzuchtig opkomt voor de verdrukten der aarde. Meestal gaat het dan om ondergewaardeerde artiesten of platen. Daarbij bevind ik mij als 21e-eeuwse Robin Hood in goed gezelschap: in de popjournalistiek zijn zulke rechtvaardigheidscampagnes een genre op zichzelf geworden.

Zo heb je om te beginnen het fenomeen van het Vergeten Meesterwerk: een plaat dat om onbegrijpelijke redenen uit beeld is geraakt. Denk aan Tunnel of Love van Bruce Springsteen of Who Are You van The Who – doen ze een belletje rinkelen? Daarnaast zijn er de Icoon-Rehabilitatie-acties: een artiest die ooit door de hele popwereld werd omarmd maar daarna zo werd verguisd dat dit beeld inmiddels weer rechtgezet moet worden. Denk Sting, Mark Knopfler of Phil Collins. (meer…)