Brian Wilson

Albumverjaardag ◉ The Modern Lovers

Wat maakt het titelloze debuutalbum van The Modern Lovers ook na een halve eeuw nog zo sterk?

Het was laat op een vrijdagavond in 1978. Op de radio het onvolprezen VPRO-programma Amigos de Musica. Met gespitste oren luisterde ik naar een live-optreden van Jonathan Richman and The Modern Lovers. Een wonderlijk concert, met een soort jaren 50-rock ’n roll, heel zachtjes gespeeld, waarin je als luisteraar de bijna kinderlijke wereld van de zanger werd ingetrokken met liedjes als My love is a flower (beginning to bloom), I’m a little dinosaur en Ice Cream Man. Het stak sterk af tegen de ‘volwassen’ rock van die dagen.

Als je nu naar het hele concert luistert, valt op dat frontman Jonathan Richman tussen de liedjes door steeds bezig is met het afwimpelen van verzoeknummers uit het publiek, waaruit af en toe ook kreten als ‘Sex Pistols!’ en ‘Louder!’ en ‘Roadrunner!’ opstijgen. Wie luistert naar het titelloze debuutalbum van The Modern Lovers uit 1976, deze maand een halve eeuw oud, snapt waarschijnlijk waarom. De muziek daarop klinkt stukken ruiger en punkier dan wat er op het podium werd neergezet. Wat was hier aan de hand?

The Modern Lovers werd in 1970 opgericht door zanger-gitarist-liedschrijver Jonathan Richman (1951). Gedreven door hun gedeelde liefde voor The Velvet Underground sloot toetsenist Jerry Harrison (later Talking Heads) zich een jaar later aan. Met drummer David Robinson en bassist Ernie Brooks nam het viertal tussen 1971en 1973 een reeks demo’s op onder productionele leiding van onder andere John Cale (ex-Velvet Underground).

Tegen de tijd dat ze eindelijk een heus platencontract in de wacht hadden gesleept, in 1973, stond frontman Richman echter niet meer achter het opgenomen materiaal. In tegenstelling tot de rest van de band wilde hij dat alles zachter, meer akoestisch moest gaan klinken. Een jarenlange patstelling volgde. En terwijl de frontman inmiddels was verdergegaan als Jonathan Richman and The Modern Lovers, zag The Modern Lovers uiteindelijk pas in 1976 het levenslicht.

Bij verschijning kreeg de plaat prima kritieken vanwege originaliteit en de link met de opkomende Britse punkrock van bands als The Sex Pistols, The Damned en The Clash. En die statuur van ‘oerplaat’ – want al begin jaren 70 opgenomen – voor zowel punk- als indierock is sindsdien alleen maar gegroeid. The Modern Lovers figureert op heel wat Beste Album-lijstjes van gezaghebbende popmagazines.

Hoe luister ik nu, een halve eeuw na verschijning, naar het album? Hebben de tussenliggende jaren mijn waardering veranderd? En moeten we het betreuren dat Jonathan Richman de oorspronkelijke sound van zijn band destijds vaarwel zei?

One, two, three, four, five, six. Zo opent de plaat met Roadrunner. Het spelplezier spat ervan af. Twee akkoorden. Rudimentair orgeltje van Harrison. Onhandige, lijzige zang van Richman. Gewoon 4 gasten die gewoon energiek rock-‘n-roll spelen zonder veel technische vereisten. Zoeven over de snelweg, radio aan, daar gaat het over.

De monotone sound van het album, duidelijk schatplichtig aan The Velvet Underground, was begin jaren 70 bepaald ongewoon. Vergelijk dit met de symfonische rock en de westcoastpop van die tijd, met zijn alsmaar groeiende complexiteit. Maar in tegenstelling tot Lou Reed en consorten richt Richman zich in zijn teksten niet op de duisternis. Zijn teksten ademen een verlangen naar onschuld, soms zelfs naar de tijd en gebruiken van de oudere generatie (Old World).

Er is ook ruimte voor humor, zoals in Pablo Picasso, waarin het beeld van de kunstenaar en notoire rokkenjager met enig sarcasme wordt opgevoerd voor alle mannen met eenzelfde erotische ambities: ‘Some people try to pick up girls and get called asshole / This never happened to Pablo Picasso […] Pablo Picasso was never called an asshole. Not like you.’

Serieuzer wordt het in de ballads, zoals Hospital en Girlfriend, waarvan de toon een weg zoekt tussen hoop en wanhoop en daarmee vaag doet denken aan Brian Wilson van The Beach Boys, net als in het meer up-tempo Modern World. En net als bij Wilson lijkt Richmans romantische zoektocht tegelijk een zoektocht naar een integere houding in een wereld die onherroepelijk verandert.

Conclusie: The Modern Lovers klinkt anno 2026 ondanks de referenties aan de oude en de nieuwe wereld bijna tijdloos. Het album zou in de jaren 60 in een eenvoudige studio gemaakt kunnen zijn, maar ook in een garage in deze eeuw. En de combinatie van muzikale vuigheid en ‘onschuldige’ lyriek zorgt voor een spanning die Richmans latere, ‘lievere’ werk ontbeert. Het album is een eruptie van rock-‘n-roll-spirit die niet herhaalbaar is. Check it out.

De beste openingstrack

Een popact met een nieuw album heeft veel concurrentie. Van andere artiesten, van andere leuke tijdsbestedingen. Het is dus zaak om de luisteraar meteen bij de lurven te pakken met een sterke openingstrack. Een lied dat hem of haar meteen de rest van het album in trekt en er tegelijkertijd een voorafschaduwing van is. Dat lijkt een moeilijke opgave, maar op mijn zoektocht naar de beste opener stuit ik al snel op een behoorlijke waslijst van goeie nummers die aan de criteria voldoen.

Wat denk je bijvoorbeeld van Purple Haze (Jimi Hendrix, Are You Experienced?). Call Me the Breeze (J.J. Cale, Naturally). Five Years (David Bowie, Ziggy Stardust and the Spiders from Mars). Chuck E’s in Love (Rickie Lee Jones). Refugee (Tom Petty & the Heartbreakers, Damn the Torpedoes). Rehab (Amy Winehouse, Back to Black). Meteen al een aardig lijstje, en bovendien gemakkelijk uit te breiden. Om het zoekgebied af te bakenen bepaal ik dat de beste openingstrack ook een nieuwe fase in de muziek van een artiest moet introduceren, zijn of haar programma moet laten horen. Welke liedjes en albums blijven dan over?

The Beatles hadden vanaf 1963 in razend tempo de wereld veroverd met hun innovatieve beatmuziek. Na Rubber Soul (1965) en Revolver (1966) moest er een nog grotere stap volgen: Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band. De albumtiteltrack kondigt niet alleen liedjes als With a Little Help From My Friends, She’s Leaving Home en Lucy in the Sky with Diamonds aan. Met de circus-achtige introductie van een fictieve band van de officier namen de Fab Four tegelijkertijd virtueel afscheid van hun oude zelf.

Aan de overkant van de oceaan werd Brian Wilson van The Beach Boys geïnspireerd en uitgedaagd door de band uit Liverpool, met name door Rubber Soul. Bijna in zijn eentje produceerde Wilson het meesterwerk Pet Sounds (1966). Bijzondere melodieën, harmonieën, instrumenten en teksten kwamen samen in complex gearrangeerde popliedjes zoals ze nooit eerder in de popmuziek te horen waren. En het eerste wat de luisteraar daarvan meekreeg, was de onweerstaanbare uitnodiging Wouldn’t It Be Nice.

Maar ook dit lijstje laat zich zonder veel moeite aanvullen. Bijvoorbeeld met What’s Going On van Marvin Gaye uit 1971: hier klonk een nieuwe Marvin, een soulman die zich in losmaakte van de supercommerciële Motown-baas Berry Gordy. Of met London Calling, de opener van de gelijknamige lp van The Clash uit 1979, waarmee de band hun punksound 300% vergrootte naar de rest van de muziekwereld. Of denk aan Running Up That Hill van Kate Bush’ Hounds of Love, waarmee de Britse singer-songwriter zichzelf in 1985 opnieuw uitvond.

Om echt de onverbiddelijk beste openingstrack te kiezen moet de song daarom niet alleen wervend, representatief en programmatisch zijn voor de artiest of band, maar moet hij ook een nieuwe weg in het poplandschap openbaren, er liefst zelfs als een herkenningspunt voor een hele generatie bovenuit steken. Waar is die track te vinden?

Op het album Nevermind van Nirvana uit 1991. Op Smells Like Teen Spirit van Nirvana. Wat een nummer om een album mee te openen. Eerst die felle riff van een enkele kale gitaar, dan een vette distorted tweede gitaar eroverheen, dan een vreemd liggend akkoord, een schorre bezwerende stem vanuit de diepte, een afwachtende bridge en dan uiteindelijk die geschreeuwde ontlading in het refrein: “With the lights out, it’s less dangerous / Here we are now, entertain us / I feel stupid and contagious / Here we are now, entertain us.”

De single, het album, de band en het bijbehorende rockgenre grunge waren in één keer overal. En ze drukten een stempel op de hele jaren 90. Smells Like Teen Spirit is een anthem voor het decennium. Geen lied drukte de woede, de verlatenheid, de vervreemding van een generatie beter uit. De positie op dit iconische album kon niet beter gekozen zijn.

Brian Wilson

Een genie wordt hij genoemd. Omdat hij eigenhandig de bakens in de popmuziek een flink stuk verzette, met zijn bijzondere harmonieën en arrangementen. En misschien ook vanwege zijn psychische problemen. Sinds de Romantiek heerst immers de opvatting – terecht of onterecht – dat genialiteit en geestesziekte in elkaars verlengde liggen.

Afgelopen week overleed Brian Wilson, het voornaamste lid van The Beach Boys, 82 jaar oud. De man die bijna in zijn eentje verantwoordelijk was voor één van de belangrijkste en meest complexe albums uit de popmuziek: Pet Sounds. En van het geheimzinnige meesterwerk Smile, dat tientallen jaren gold als het beste nooit uitgebrachte popalbum ever.

Lange tijd beschouwde ik The Beach Boys als een oppervlakkige en oubollige hitparade-act. Een tamelijk oppervlakkig en oubollig oordeel, zou je met de kennis van nu kunnen zeggen. Dat veranderde toen ik Brian Wilsons soloalbum I Just Wasn’t Made For These Times uit 1995 hoorde, met sobere versies van een aantal van zijn bekendste nummers. Pas toen werd ik me bewust van de naakte kwaliteit van Wilson fenomenale melodieën en akkoordenreeksen. Mini-symfonietjes waren het, ook zonder de uitgebreide orkestraties.

Ook viel me toen pas de grote kwetsbaarheid en naïviteit in zijn teksten op. Met I Just Wasn’t Made For These Times was de zanger na een lange periode van verslavingen en psychische problemen weliswaar ‘terug op aarde’, maar hij klonk als een verdwaalde. Als een man die het leven totaal niet aankan en met zijn liedjes smeekt om verlossing en bescherming. Het riep bij mij evenveel bewondering als medelijden op.

Maar niet alleen medelijden. De onzekerheid, angst en somberheid die Wilson in zijn liedjes schetst, zijn weliswaar sterk uitvergroot, maar vanuit het kind dat in ons schuilt ook zeer herkenbaar:  

“In this world I lock out all my worries and my fears / In my room / (…) Do my crying and sighing, laugh at yesterday” (In My Room).

Wilson was naar eigen zeggen niet gemaakt voor deze tijden. Hij was een wereldvreemde, kinderlijke ziel. Hij was in feite niet gemaakt voor deze hele wereld, denk ik. Al helemaal niet voor de wereld van de popartiest, met alle druk van de buitenwereld: de platenmaatschappij, het management, mede-groepsleden, journalisten, fans en de rest van het publiek. Misschien is dat de reden dat de zanger zich in zijn mooiste liedjes rechtstreeks tot die andere wereld lijkt te richten: God Only Knows, Good Vibrations, Love and Mercy, The Warmth of the Sun.

Wij mogen hier naar die bovenaardse schoonheid luisteren. Hij is al daar. R.I.P. Brian Wilson.

Onvoorstelbare flops

Vanuit het heden hebben we vaak een overzichtelijk beeld van welke kunstwerken van blijvende waarde zijn en welke niet. Maar opinies kunnen variëren. Ook in de popmuziek. Platen die bij de release meteen als klassiekers worden beschouwd, verdwijnen soms snel in de vergetelheid. Maar ook het omgekeerde is mogelijk: albums die bij verschijning het stempel ‘flop’ krijgen, zowel van recensenten als van fans, maar na verloop van tijd als klassiekers gaan gelden.

Ik vind dat een fascinerend fenomeen. Vooral omdat het fundamentele vragen oproept over hoe we überhaupt ons oordeel over kunstwerken vormen: op basis waarvan oordelen recensenten, hoe beïnvloeden zij het publiek, welke invloed hebben collega-muzikanten, de artiest zelf en de fans op de meningsvorming? En hebben commercieel succes of het simpelweg verstrijken van de tijd misschien ook impact op ons oordeel?

Ik denk dat hier een dik boek over geschreven kan worden, toegespitst op popalbums van pak ‘em beet 1965-2000 (wie pakt de handschoen op?), maar misschien kan ik hier vandaag een eerste poging tot een miniem beginnetje maken. Bijvoorbeeld op basis van dit lijstje dat onlangs op American Songwriter verscheen, onder de kop ‘Now iconic albums that once were deemed duds’:

  1. The Velvet Underground & Nico – The Velvet Underground & Nico (1967)
  2. The Stooges – The Stooges (1969)
  3. Fleetwood Mac – Tusk (1979)
  4. The Byrds – Sweetheart of the Rodeo (1968)
  5. The Beach Boys – Pet Sounds (1966)

Een mooi lijstje van bijzondere albums, waarvan je je nu, decennia later, inderdaad moeilijk kunt voorstellen dat ze destijds over vrijwel de hele linie als mislukkingen werden beschouwd.

Van de eerste twee, nu beschouwd als onbetwistbare wegbereiders van de (anarcho)punk van midden jaren 70 en daarna, zou je nog kunnen zeggen dat het destijds debuutalbums van obscure bands waren, die bovendien niet meteen lekker in het gehoor lagen. Maar bij de laatste drie lag moet er iets anders hebben gespeeld. Daarbij ging het om zeer succesvolle groepen die in de ogen van critici en/of fans kennelijk de plank flink hadden misgeslagen.

Bij Tusk van Fleetwood Mac ligt de verklaring misschien buiten de muziek zelf. De platenmaatschappij betaalde zich blauw aan opnamesessies in de studio terwijl je dat niet direct aan het eindresultaat afhoort. Bovendien had de plaat, met onder andere de grote hit Sara, de pech te moeten verschijnen na het megasucces van Rumours. Dan móet nieuw werk bijna wel tegenvallen.

Bij nummer 4, Sweetheart of the Rodeo van The Byrds, lag het anders. Het album viel wel in de smaak bij recensenten, maar niet bij de fans. De reden: Sweetheart bevatte nadrukkelijke country-elementen, en dat genre botste hevig met het alternatieve imago van The Byrds. Een overstap naar het conservatieve country-kamp voelde voor de fans als verraad aan hun idealen – en die van de band. Het zou lang duren voordat het weer goedkwam tussen de twee partijen.

Het laatste van de vijf genoemde albums is voor mij de meest onvoorstelbare flop ever. Hoe kan de klasse van Pet Sounds je als luisteraar ontgaan, met onder meer evergreens als Wouldn’t it Be Nice, God Only Knows en Caroline, No? Maar de Beach Boys-fans, opgegroeid met hun zonnige hits over surfers, strand en romantiek, waren destijds echt niet enthousiast. De nieuwe liedjes van Brian Wilson, met hun complexe arrangementen, melodieën en harmonieën, waren te moeilijk en de teksten te somber.

Maar ook The Beach Boys zelf waren niet allemaal enthousiast over de muziek, die al grotendeels door Wilson in zijn eentje in Californië was geschreven en opgenomen terwijl de rest van de band in Azië op tournee was. Waar zijn de hits? zeiden ze tegen hun voorman.

Het kan verkeren. Inmiddels wordt Pet Sounds gezien als een van de meest invloedrijke albums uit de popgeschiedenis. Wilsons ambitie was om The Beatles’ Rubber Soul (1965) naar de kroon te steken. Daar is hij in geslaagd: het album toont een popmuzikant die de stap van adolescentie naar volwassenheid zet, met alle levenstwijfel die daarbij hoort. Sterker nog, Pet Sounds zette een grote stap in de volwassenwording van de hele popmuziek.

Ik vermoed dat het die schok was, het plotse afscheid van de jeugd, die zorgde voor de lauwe ontvangst van het album. Brian Wilson was zijn tijd vooruit. De plaat doorbrak het idee van wat popmuziek was en moest zijn. Pet Sounds zei expliciet, en woord en klank, dat de jeugd niet eeuwig kon duren. En liet daarmee de fans enigszins verweesd achter.

Het bijzondere is dat het vanuit het nu gezien moeite kost om je die schok precies voor te stellen. Want als ik nu naar Pet Sounds luister, valt me juist op hoe jeugdig de twijfel is, hoe jong het terugblikken voor Wilson blijkbaar al begon, net als bij bijvoorbeeld Joni Mitchell in Both Sides Now. Maar het meest bijzondere vind ik dat je met dit Beach Boys-album nog steeds een wonderbaarlijk parallel universum binnenstapt, meteen zodra je de plaat opzet. Een wonderland dat doet denken aan dat van Alice en dat, inderdaad, tijdloos is.