Month: mei 2022

De muziek van mijn moeder

In een van mijn oudste herinneringen ben ik dicht bij het volmaakte geluk. Ik lig als vijfjarige met een boek onder de tafel terwijl mijn moeder aan het strijken is en de radio aanstaat. Een beschermde plek om weg te dromen terwijl er af en toe klanken van buiten doordringen. Mijn moeder zet de radio harder bij een kunstig liedje van Jasperina de Jong dat volgens mij bij een reclame hoorde. We hadden er ook een plaatje van.

Mijn moeder werd geboren in 1932, in een net en eenvoudig Leeuwarders gezin waarin muziek een niet onbelangrijke plek innam. Naar verluidt kon mijn opa uit zijn hoofd hele aria’s fluiten, en zijzelf was op de kweekschool – de voorganger van de PABO –  een van de weinige studenten die een melodie meteen in muzieknoten kon omzetten (solvège). Maar sporten vond ze als hobby toch belangrijker dan muziek.

Begin jaren 70 scoorde orkestleider Waldo De Los Rios een grote hit met een pop-crossover van het beroemde thema van Mozarts 40e Symphonie. Mijn moeder was daar zo weg van dat ze de single kocht – in haar ogen waarschijnlijk een grote luxe – en het plaatje grijsdraaide. De reden voor haar enthousiasme: De Los Rios had van die fijne melodie iets dansbaars gemaakt.

Want mijn moeder danste graag. Quickstep, foxtrot, rumba – maar het waren niet meer dan een paar passen die ze deed als er een geschikt nummer op de radio werd gedraaid. Daarna ging ze snel weer verder met waar ze mee bezig was geweest: het huishouden, nakijkwerk voor school. Pas toen Chubby Checker in 1976 voor de tweede keer de hitparade besteeg met zijn single Let’s Twist Again, kregen ik (13), mijn broer (15) en mij zusje (11) een beeld van hoe ze ooit over de dansvloer had bewogen. En ze kreeg ons pubers daarin mee.

Muziek moest voor mijn moeder vooral de boel opvrolijken. Met droevige muziek hoefde je bij haar niet aan te komen, en ook niet met moeilijke. Toen ik bijvoorbeeld in de jaren 70 als puber te kampen kreeg met een fikse Neil Young-verslaving was ze daar niet blij mee, daar kan iedereen zich wel iets bij voorstellen, denk ik. Een stuk blijer was ze met de muziek van J.J. Cale waar mijn broer en ik mee aankwamen, zoals Call Me The Breeze en Mama Don’t Allow (!).

Op welke manier de muziek van mijn moeder mijn muzieksmaak heeft beïnvloed, vind ik lastig te zeggen. Mozarts Symphonie nr. 40 behoort in elk geval tot mijn favoriete muziekstukken (maar dan in de klassieke uitvoering). Mooie kleinkunst- en Nederpopliedjes zoals die van Spinvis, Maarten van Rozendaal en Yentl & De Boer staan ook hoog op mijn lijstje, net als de pure rock-‘n-roll en rockabilly van Buddy Holly, Elvis Presley en Chuck Berry. Op albums met veel trage, droevige nummers sla ik er graag een paar over. In al die dingen lijk ik veel op mijn moeder.

En ik zing graag, net als zij. Soms doen we dat nog. Kinderliedjes, dat gaat het beste. Dat zijn de liedjes die, nu ze in het verpleeghuis zit en haar geheugen steeds verder verdwijnt, nog verrassend goed zijn op te roepen. Op een grote paddenstoel, Zie ginds komt de stoomboot – het zijn geen grootse stukken. Het is wel muziek die heel ver teruggaat. De muziek die moeder en kind deelden. En die we nu, meer dan vijftig jaar later, nog steeds met elkaar kunnen delen.  

Wie is ‘ik’ in een poplied?

theo nijland

In een interview van een tijdje geleden licht zanger-pianist Theo Nijland zijn hilarische nummer Wat een leuk liedje (2008) toe. In dit leuke liedje reageert Nijland op de hem veelvuldig gestelde vraag waarom zijn liefdesliedjes meestal gericht zijn aan vrouwen terwijl hij zelf homo is. De impliciete stelling onder de vraag is dat Nijland daarmee eigenlijk ‘aan het liegen’ is en dat dat dus verkeerd is – een opvatting die de zanger duidelijk afwijst.

ik 2

Deze discussie vestigt ook de aandacht op een interessante vraag waar we misschien niet dagelijks bij stilstaan: wie zien wij als luisteraars voor ons bij de ‘ik’ in een liedje? Het antwoord dat als eerste bij je opkomt is waarschijnlijk: degene die het lied zingt. Natuurlijk. We nemen aan – meer of minder bewust – dat de ‘ik’ overeenkomt met de persoon van de zanger(es). Dat blijkt ook uit het feit dat we vaak even verwarring voelen als een artiest een nummer van een artiest van het andere geslacht covert.

James Blake

Zo word ik bij James Blake’s versie van Joni Mitchells A Case of You even bevangen door twijfel of de jonge Engelsman wel overtuigend in Mitchells ‘ik’ kan kruipen, ook vanwege de verwijzingen naar haar vaderland Canada. In Aretha Franklins versie van Otis Reddings Respect neemt de zangeres haar toevlucht tot een tekstaanpassing: om het jaren 60-nummer geloofwaardig te maken spreekt het ik-personage haar thuiskomende partner (kostwinner) aan in plaats van andersom .

ik

Maar is het echt zo eenvoudig – koppelen we de ‘ik’ inderdaad direct aan de zanger(es)? Of weten we diep in ons hart eigenlijk dat het maar fictie is? Of laten we het liever in het midden? Hmm – dingen die we elke dag gedachteloos doen zijn soms ingewikkelder dan ze lijken.

Bredero

In de vorig jaar verschenen biografie van Bredero, De hartenjager, presenteert literair-historicus René van Stipriaan de 17e-eeuwse dichter en toneelschrijver als een vroege voorloper van de 20e-eeuwse popliedjesschrijvers. Bredero pionierde door zijn naam in verschillende varianten te laten rondzingen in zijn teksten. Hij zaaide zo verwarring over hoe je de ‘ik’ in dat werk moest lezen: was het Bredero zelf, of was de ‘ik’ toch een personage – of was het een personage dat leek op de schrijver? Een popliedje gebeurt volgens Van Stipriaan hetzelfde. Het liedje is een korte ‘dagdroom’ van de artiest, wat het een ‘vleugje autobiografie’ geeft.

YouEen vleugje biografie, dat vind ik mooi. En ik trek die redenering graag nog iets door: zoals alle dromen is zo’n dagdroom weliswaar van de dromer, maar bevindt hij zich ook buiten zijn geest. Een droom is letterlijk on-werkelijk. En dat geeft de luisteraar de kans om erin te stappen en zich een eindje te laten meevoeren. Met andere woorden: de ‘ik’ in een liedje is een beetje de artiest, een beetje een personage, maar uiteindelijk vooral degene die luistert: jij.