Auteur: chrisbernasco

Tekstschrijver en redacteur. Van jouw verhaal, hoe ingewikkeld ook, maak ik een begrijpelijke en prettig leesbare tekst voor een breed publiek.

Bowie’s boeken

Boeken. Lijstjes. Popmuziek. Drie dingen waar ik geen genoeg van kan krijgen. En dus ging er een flinke shot dopamine door mijn brein toen ik onlangs het boek Bowie’s Boekenkast van John O’Connell onder ogen kreeg, met als ondertitel: De honderd boeken die het leven van David Bowie veranderden.

In 2013 ging in het Londense Victoria & Albert Museum de expositie David Bowie Is van start, een carrière-overzicht met zo’n vijfhonderd voorwerpen uit Bowie’s persoonlijke archief, zoals kostuums, schilderijen en handgeschreven songteksten. Onderdeel van de expositie, die daarna met groot succes de wereld over zou gaan, was ook een lijst met de honderd boeken die Bowie naar eigen zeggen het meest hadden beïnvloed.

Die Top 100 van Bowie bevatte alleen auteursnamen en titels. Uitleg zat er niet bij. Voor de Britse muziekjournalist John O’Connell, tevens Bowie-bewonderaar en literatuurliefhebber, moet dit een onweerstaanbare uitnodiging zijn geweest. Wat zou deze lijst over Bowie vertellen, wat wilde Bowie ermee over zichzelf vertellen, en vooral: hoe was Bowie’s muziek beïnvloed door deze boeken? Als een soort detective ging O’Connell op onderzoek, op basis van onder meer oude interviews met het Britse genie.

Het speurwerk van O’Connell leert ons allereerst hoeveel Bowie las en hoe breed zijn belangstelling was: van literaire klassiekers en science fiction tot popjournalistiek en Russische geschiedenis, hij stond voor heel veel genres open, zoals hij als artiest ook deed met verschillende elementen uit theater, mode en beeldende kunst.

Het meest interessant in Bowie’s boekenkast vind ik de echo’s van de boeken die O’Connell terugvindt in Bowie’s muziek. Zo kent het album Diamond Dogs (1974) twee tracks die letterlijk teruggaan op George Orwell’s 1984, Big Brother en 1984, naast het beklemmende We Are the Dead, dat teruggaat op de zin die hoofdpersonage Winston uitspreekt tegen zijn geliefde Julia vlak voordat de soldaten binnenvallen om het tweetal van elkaar te scheiden.

In zo’n lijst ga je onwillekeurig ook op zoek naar overeenkomsten tussen jezelf en de artiest, dat is een van de attracties. Je wilt weten: welke boeken heb ik ook gelezen? En zit een van mijn eigen favorieten ertussen? En ja, ik voelde een extra shot dopamine toen ik midden in de lijst De tijgerkat zag staan, het postuum verschenen meesterwerk van Guiseppe Tomasi di Lampedusa uit 1958.

De tijgerkat, geschreven in prachtige ironische stijl, vertelt het tragische verhaal van de Siciliaanse aristocraat don Fabrizio, die beseft dat de adel, die eeuwenlang op zijn gemak van de macht heeft genoten, gedoemd is te verdwijnen. De belangrijkste zin van het boek: ‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden’. De parallel met de neergang van het extravagante rocksterrendom kan de sensibele Bowie niet zijn ontgaan.

In 2002 – Bowie was toen 55 – verscheen Heathen, een album waarop het besef van de eigen sterfelijkheid zich opdringt. Het album opent in doom-sfeer met Sunday, waarvan de centrale regels luiden: And nothing has changed / Everything has changed. Prachtig hoe Bowie zich op het eind uit de ellende door het ritme omhoog laat trekken. Lees het boek, luister ondertussen naar Heathen. Fantastische popmuziek die kan ontstaan wanneer een groot artiest zich laat inspireren door grote schrijfkunst.

Albumverjaardag – After the Goldrush

Neil Young’s After the Goldrush, deze week vijftig jaar oud, was een van de eerste lp’s die ik kocht, omstreeks 1977 denk ik. Mijn fascinatie begon met de hoes: de voorkant somber donkergrijs met goudkleurige letters, de zanger die met opgetrokken schouders door een onbestemde straat loopt, de achterkant een close-up van Young’s hippiespijkerbroek. Binnenin de uitklaphoes ligt de artiest ontspannen met gitaar op een sofa. Zoveel vrijheid en melancholie, onweerstaanbaar voor de tiener die ik was, opgroeiend in slaapstad Zoetermeer.

En dat was alleen nog maar de buitenkant van After the Goldrush. Van het vinyl stegen de prachtigste liedjes op, vol liefdespijn en eenzaamheid. In 1977 was After the Goldrush al een oude plaat. Mijn klasgenoten draaiden nieuwe lp’s van The Eagles, Fleetwood Mac, ELO en Supertramp. Dit was iets anders. Vanaf het begin van mijn luistercarrière was ik gericht op de muziek van voor mijn tijd: The Beatles, CSNY, The Band, Joni Mitchell, de soul van Stax en Motown. De rol van buitenstaander paste me destijds het beste.

Vanaf zijn eerste titelloze debuut, met daarop het veelzeggende The Loner, had Neil Young de eenzaamheid bezongen, je zou bijna zeggen gevierd. En hoeveel mensen zich daarin herkenden, bleek wel uit de grote schare fans die de Canadees vooral na zijn doorbraakalbum Harvest (1972) zou opbouwen. Bij elkaar vormden die buitenstaanders een aanzienlijke club, waarvan ik deel mocht uitmaken.

After the Goldrush laat ook zien hoe vreemd het kan gaan met reputaties. Bij verschijning maakte het gezaghebbende popmagazine Rolling Stone er gehakt van – inmiddels weet elke popliefhebber met oren aan zijn hoofd dat het album gewoon wereldklasse is, en bovendien Neil Young’s beste. Waar hem dat in zit? Misschien in het onopvallende maar effectieve pianospel van de destijds pas 18-jarige Nils Lofgren dat het album kleurt. Of in de vele wonderschone achtergrondkoortjes, waarin onder meer Stephen Stills figureert.

Het belangrijkste is waarschijnlijk dat After the Goldrush, in tegenstelling tot bijna alle andere albums die ik ken, geen enkele zwakke plek kent. Naast de mooie introspectieve countryfolkliedjes zijn er sterke rocknummers als Southern Man en onvergetelijke niemendalletjes als Till The Morning Comes. En natuurlijk bevat de plaat een aantal van de mooiste liedjes die Young ooit schreef.

Een daarvan is I Believe In You, met zijn ingehouden begeleiding die alle ruimte geeft aan de zanger. De titel is bedrieglijk, de kernvraag van het lied is of je een verbroken relatie ooit kunt herstellen: ‘Am I lying to you when I say that I believe in you’. Vertwijfeling klonk nooit mooier. Een andere van mijn favorieten is een melodieus en soulful rocknummer zoals alleen Neil Young kan maken: When You Dance I Can Really Love. Muurbloempje realiseert zich voor het eerst dat hij echt van iemand kan houden. Dat resoneerde.

Het is 2020, ik luister terug en denk: wie zich een buitenstaander voelt, eenzaam, verlaten of onbegrepen, kan zich ook nu nog laven aan deze gelijkgestemde ziel die op de een of andere manier vanuit zijn eigen wanhoop troost weet te bieden. After the Goldrush is vijftig jaar oud – en nog steeds springlevend.

The Band – broederschap en plankenkoorts

Vorige week zag ik in de bioscoop de nieuwe documentaire Once Were Brothers, over de opkomst en ondergang van een van de meest invloedrijke en bijzondere bands uit de popgeschiedenis: The Band. Ik ging in één keer een heel stuk terug in de tijd.

Het verhaal van The Band in zevenmijlspassen: vier Canadezen en één Amerikaan begeleiden vanaf begin jaren 60 als The Hawks de ruige rockabilly-zanger Ronnie Hawkins. In 1966 rekruteert Bob Dylan het vijftal voor de roemruchte tournee door Europa en de VS waarop hij ‘elektrisch gaat’ en meer scheldwoorden dan applaus mag incasseren.

In 1968 beginnen de vijf mannen voor zichzelf, dopen zich om tot The Band en komen met een verpletterend debuutalbum: Music From Big Pink, een plaat met ‘nieuwe muziek die klonk alsof ze er altijd al geweest was’, zoals Bob Dylan zou zeggen. Acht jaar en zes studioalbums later is het alweer voorbij als ze samen met muzikale vrienden een groots afscheidsconcert geven onder de veelzeggende titel The Last Waltz.

Het is een verhaal vol fantastische muziek en veel ellende. Van de vijf muzikanten zijn alleen gitarist-songschrijver Robbie Robertson en toetsenist Garth Hudson nog in leven. Pianist-zanger Richard Manuel pleegde in 1983 zelfmoord, bassist-zanger Rick Danko stierf op 1999 aan een hartaanval, drummer-zanger Levon Helm in 2012 na een lang ziekbed. En ondanks de sterke onderlinge banden gingen de mannen niet als vrienden uit elkaar.

Het was Robbie Robertson, de belangrijkste drijvende kracht van The Band, die in 1976 de stekker eruit trok omdat hij het drugsgebruik en bijbehorende gedrag van Manuel, Danko en Helm niet meer trok. Later volgden nog bittere verwijten, vooral van de kant van Helm, omdat songschrijver Robertson ten onrechte bijna al het geld zou opstrijken. De twee hebben nooit meer echt vrede gesloten.

De ondertitel van Once Were Brothers luidt ‘Robbie Robertson and The Band’. Want we zien en horen in feite Robertsons verhaal. Garth Hudson, inmiddels in de 80, was niet in staat om aan de film mee te werken. Levon Helm komt in een paar oude filmpjes aan het woord. Het maakt de documentaire al met al enigszins eenzijdig. Je krijgt het idee dat Robertson op zijn 77e graag zijn kant van het verhaal wilde vertellen. Toch overtuigt Once Were Brothers.

Want je voelt hoe geweldig deze vijf muzikanten elkaar aanvoelden – de documentaire toont daar prachtige staaltjes van. Ze klikten met elkaar door hun liefde voor de muziek, door onderling respect en door gewoon heel veel samen te spelen. Je gelooft dat het vijftal inderdaad een broederschap vormde – die uiteindelijk dus het toneel werd van broedertwisten en neergang. Een verhaal van muzikaal meesterschap en menselijk onvermogen.

Deze maand is het ook vijftig jaar geleden dat het derde album van The Band uitkwam: Stage Fright. Volgens muziekjournalisten begon hiermee de weg omlaag, na de twee klassiekers Music From Big Pink en opvolger The Band (1969). Maar in mijn hart heeft Stage Fright een speciaal plekje – het was mijn eerste lp van het illustere gezelschap, en ik draaide hem grijs.

Ik koester het album uit 1970 nog steeds. Vanwege de herinnering en vanwege de geweldige nummers die erop staan. Zoals het melancholische Sleeping en de rocker The Shape I’m In, beide hartverscheurend gezongen door Richard Manuel. En titeltrack Stage Fright, mogelijk geïnspireerd op Robertsons daadwerkelijke aanvallen van plankenkoorts. En mijn favoriet The Rumor, waarin Helm, Danko en Manuel afwisselend de vocalen voor hun rekening nemen.

Zet deze plaat op en je voelt dat er iets op komst is. Het is de tweede akte van een tragedie. Alles lijkt nog goed te gaan, maar er is een plottwist in de maak: iemand, iets, heeft het voorzien op deze idylle. Het noodlot, de duivel, een verboden vrucht misschien. Stage Fright is van een onheilspellende schoonheid. Check it out.

Eerherstel voor de jaren 80

Een tijdje geleden heb ik me hier op Goeie Nummers – en ook in mijn boek Diepe groeven – enigszins laatdunkend uitgelaten over een tijdvak waaraan sommige popliefhebbers buitengewoon goede herinneringen blijken te koesteren: de jaren 80. Van verschillende kanten kreeg ik daar wat commentaar op – heel beschaafd hoor, bedreigingen zaten daar niet of nauwelijks bij – maar zoiets zet je toch aan het denken.

In eerste instantie was ik verwonderd over die reacties. Ze troffen me als hernieuwd bewijs van het wetenschappelijk vastgestelde feit dat muziek uit het ‘eigen’ tijdvak, dat wil zeggen de muziek die mensen ongeveer tussen hun 12e en 25e horen, altijd een bijzonder plekje in hun hart blijft innemen. Zelfs als het gaat om liedjes met de steriele synthesizerklanken en het overdreven galmende drum- en zanggeluid van de jaren 80, gespeeld door muzikanten met bizar groot en doorgeföhnd haar.

In tweede instantie kwam er een ander soort verwondering bij, namelijk over mezelf. Hoe kwam het eigenlijk dat ik, doorgaans toch de nuance zelve, zo generaliserend en negatief over een heel muzikaal tijdvak sprak? Had ik misschien om een of andere reden van de eighties in mijn hoofd een karikatuur gemaakt, bijvoorbeeld omdat ik op mijn beurt vasthield aan de stijl van de jaren 70 (‘mijn tijd’) en daarom de daaropvolgende nieuwe stromingen zonder meer had afgewezen? Had ik de sterke punten van de jaren 80 gewoon over het hoofd gezien? Zulke blinde vlekken kun je niet uitsluiten, zelfs niet bij lieden die van zichzelf beweren dat ze ‘altijd een open oor hebben voor nieuwe muziek’ .

Ik had een frisse blik op die jaren 80 nodig. Feitelijk, onafhankelijk, onbevooroordeeld, objectief: welke artiesten waren baanbrekend, wat waren de kwaliteiten van die muziek, hoe zag het poplandschap er over de hele breedte uit? Als toetssteen fungeerde de onvolprezen serie Luisteren &Cetera van Pieter Steinz en Bertram Mourits, en dan dus het deel over de jaren 80. Welke hoogtepunten ontwaarden Steinz en Mourits in die periode, waar ik geneigd was om alleen dieptepunten te zien?

Het boek grijpt me meteen bij de oren: Joy Division – Closer (1980). Inderdaad, tijdloze en gepassioneerde doemrock die de popmuziek blijvend heeft beïnvloed. Twee jaar later: Michael Jackson – Thriller. De plaat die de vonken tussen soul, funk, rock en pop definitief heeft doen overslaan – denk Beat It. 1983: Tom Waits introduceert exotische klanken die niet van een ander werelddeel maar rechtstreeks uit het onderaardse lijken te komen (Swordfishtrombones).

1986: The Smiths (The Queen Is Dead) voegen een scheut Britse humor én melodrama aan de popmuziek toe en Paul Simon (Graceland) doet hetzelfde met Afrikaanse stijlen. Folk vindt zichzelf opnieuw uit met de folkpunk van the Pogues (If I Should Fall From Grace, 1988). Prince’ produceert in dit decennium negen (!) steengoeie albums, waaronder Sign O’ the Times (1987). Hoe kon ik het vergeten? Dit gebeurde dus allemaal in die tien jaar waaraan ik zo’n hekel zei te hebben.

Maar het ging nog verder. Onlangs sprak ik iemand die helemaal verslingerd is aan de elektronische muziek van de jaren 80 en de artiesten die daar nu op voortborduren. Ik luisterde opnieuw naar The Human League, Orchestral Manoeuvres in the Dark, Spandau Ballet, Ultravox enzovoort, en realiseerde me opeens iets. In hun muziek – inclusief synthesizers, galm en onheilszwangere melodieën – sloop een nieuw, theatraal element de rock-‘n-roll binnen, iets Europees, iets donkers. Een verrijking waarvan je echo’s aantreft bij hedendaagse bands als Arcade Fire en Tame Impala. Holy moly.

In 1988 stond singer-songwriter Tracey Chapman ter ere van Nelson Mandela’s 70e verjaardag voor een volgepakt Wembley Stadium, gewapend met alleen haar stem en een akoestische gitaar. Ze zong haar prachtsong Fast Car, en dat was voor mij toen een eerste lichtstraaltje na bijna tien donkere muziekjaren. Zo was het.

Maar nu, zovele jaren later, is wat mij betreft een mea culpa, een diepe buiging, kortom eerherstel voor die eighties wel op zijn plaats, ook voor de synthesizers en de galm. En nee, ik zwicht hiermee niet voor de intimidatie en druk vanuit de sociale media: dit is puur voortschrijdend inzicht, dit komt recht uit mijn hart. Tears For Fears’ Everybody Wants To Rule The World (1985) is hierbij waarschijnlijk wel het mooist denkbare commentaar.

P.S. Wie gewend is om op Goeie Nummers ook afbeeldingen te zien, die mogelijkheid lijkt met de laatste versie van deze websoftware verdwenen te zijn., behalve voor wie flink wil betalen. Je mag de beelden er dus helemaal zelf bij bedenken!

Klanken van oorsprong

The Blue DiamondsAfgelopen maandagavond zag ik op NPO2 de documentaire Klanken van Oorsprong van Hetty Naaijkens-Retel Helmrich. Aan de hand van belangrijke hoofdrolspelers wordt hierin het verhaal verteld van de Indische Nederlanders die tussen 1946 en 1960 naar ons land kwamen en hier een muzikale carrière opbouwden. Van vroege rock-‘n-rollhelden als de Tielman Brothers en The Javelins tot The Blue Diamonds, Sandra Reemer en Doe Maar-toetsenist Ernst Jansz.

affiche docu Klanken van oorsprongIk zag de documentaire nu voor de tweede keer, de eerste keer was bij de bioscoop-release in 2018. In de zaal destijds vooral Indische Nederlanders, herinner ik me. Af en toe hoorde ik iemand zachtjes grinniken bij een smakelijke anekdote die de muzikanten, inmiddels flink op leeftijd, opdisten over hun gloriedagen. Soms werd het ook stil in de zaal, als lang verzwegen pijn naar boven kwam, bijvoorbeeld over het onbegrip waarop de Indische Nederlanders destijds in ons land stuitten. (meer…)

Waar zijn de rocksterren?

Karl Ove KnausgardAls je tegenwoordig het woord rockster tegenkomt, lijkt het steeds te gaan over mensen buiten de popmuziek. Thomas Piketty wordt ‘rockster-econoom’ genoemd, schrijver Karl Ove Knausgård ‘literaire rockster’, de alternatief boerende Joel Salatin is de ‘rockster van de landbouw’, Suzanne Schulting ‘de popster in de Nederlandse shorttrackwereld’. Popartiesten zelf worden nauwelijks nog zo aangeduid, dus de vraag rijst: waar zijn de echte rocksterren gebleven?

Uncommon PeopleEen welsprekend antwoord op die vraag wordt geleverd door David Hepworth in zijn boek Uncommon People. The Rise and Fall of the Rock Stars (2017). Volgens de Britse muziekjournalist is de rockster te vergelijken met de cowboy. Ooit werkten er in Amerikaanse Westen echte koeienherders, inmiddels is de cowboy iets van vroeger, een archetype, een benaming voor bijvoorbeeld een ondernemer die zich niks aantrekt van de regels in zijn branche. (meer…)

Hoe belangrijk is de tekst?

Al vanaf mijn tienerjaren – de jaren 70 – speel ik als zanger-gitarist in amateurbandjes op kleine podia mijn zelfgeschreven popliedjes. Zonder grote ambities of verdiensten. Het is een pretentieloze bezigheid die tegelijkertijd heel belangrijk voor me is. Niet alleen vanwege ‘het sociale gebeuren eromheen’, maar ook omdat ik met die liedjes iets van mezelf kan uitdrukken, in een stijl die precies bij mij past – iets waar in mijn dagelijks werk niet zoveel ruimte voor is.

Zo’n tien jaar geleden besloot ik één ding te veranderen: ik schakelde van het Engels over op het Nederlands. Vanaf toen zong en schreef ik alleen nog in mijn moedertaal. En dat ene ding bleek een bijzonder verschil te maken. Het was alsof ik over een drempel stapte en in een onbekende wereld terechtkwam, misschien zelfs wel in een wereld die er daarvoor gewoon nog niet was. (meer…)

Een wijk vol popartiesten

muziekwijk AlmereBegin jaren 90 kreeg ook Almere-Stad zijn eigen muziekwijk. Een wijk voor zo’n twintigduizend inwoners, met straten die werden vernoemd naar beroemde componisten en musici. Daarbij bleef men, zoals een stad op nieuw land betaamt, niet in het verleden hangen. Usual suspects Bach, Mozart en Beethoven liggen hier broederlijk naast nieuwlichters als Schönberg en Andriessen, en jazzcats als Louis Armstrong en Duke Ellington worden geflankeerd door hun jongere verwanten: de popartiesten.

Wat zien we hier allemaal: parallel aan de Elvis Presleystraat lopen de Jimi Hendrix- en Bob Marleystraat. Alle drie kruisen ze de doorlopende Rolling Stonesstraat, waarop ook de Beatlesweg en de Supremes- en Golden Earringstraat uitkomen. Geinig popwijkje, ingebed tussen muzikale buurten met chansons, jazz, kleinkunst en klassiek. Ik ben benieuwd hoe het hier zou klinken als deze muziek allemaal tegelijkertijd op orkeststerkte zou worden afgespeeld. (meer…)

Muziek als medicijn: spijt

senecaSpijt is een indringer die zich doorgaans moeilijk laat verdrijven. Filosofen van de stoïcijnse levenskunst beweren dat dergelijke nare gevoelens het gevolg zijn van denkfouten en dat je zo’n fout door logisch redeneren kunt rechtzetten. Maar zonder me met Seneca c.s. te willen meten, vraag ik me af of muziek in dit geval niet veel meer uithaalt dan de ratio.

jackson-browne-nuLuister maar naar These Days van Jackson Browne, van zijn album For Everyman uit 1973. De Amerikaanse singer-songwriter, tegenwoordig een montere 68-jarige die oogt alsof de tijd hem al twee decennia met rust heeft gelaten, was destijds nog een vroegoude jongeling die vaak met de handen in het haar zat. Gelukkig voor ons. (meer…)

Het weekend kan beginnen

sterrenhemelDeze week op Goeie Nummers geen diepzinnige bespiegelingen over het wezen van de popmuziek of voorspellingen hoe het daarmee verder zal gaan. Wel even de spotlight op gewoon een paar associatief gekozen goeie nummers. Van oude bekenden en nieuwe sterren aan het firmament.

London BridgeOp vrijdagmiddag ben ik toe aan wat rustgevende of juist opwekkende tracks. Jij ook? En dan komt Westerman (voluit Will Westerman) goed van pas. De 28-jarige singer-songwriter uit Londen heeft net zijn eerste album Your Hero Is Not Dead uitgebracht. De Volkskrant noemt hem vanwege zijn troostrijke popliedjes ‘de juiste man op het juiste moment’. Dit is zijn single Confirmation uit 2018. (meer…)