Auteur: ChrisBernasco

Tekstschrijver van beroep. Op mijn blog Goeie Nummers deel ik mijn liefde voor en verwondering over de popmuziek.

Het mooiste pop-anthem

Vandaag richt Goeie Nummers de schijnwerper op het pop-anthem, wat mij betreft een van de wonderlijkste verschijningen in de popmuziek, met vertegenwoordigers als You’ll Never Walk Alone (Gerry & The Pacemakers), The Final Countdown (Europe) en We Shall Overcome (Pete Seeger). Wonderlijk onder meer omdat zo’n nummer meestal niet als anthem geboren wordt, maar er gaandeweg eentje wordt.

Een andere bijzonderheid is dat een goede Nederlandse vertaling ontbreekt – afgezien van ‘volkslied’ voor ‘national anthem’. Als je ‘anthem’ opzoekt in het Van Dale Groot woordenboek Engels-Nederlands vind je alleen vertalingen als beurtzang, motet, koraal, lofzang en hymne, allemaal termen uit de kerkmuziek. De online Cambridge Dictionary daarentegen omschrijft een anthem een stuk breder: a song that has special importance for a particular group of people, an organization, or a country, often sung on a special occasion.

Ik voel de neiging om te speculeren over waarom wij Nederlanders de betekenis van hymne niet op dezelfde manier uitbreiden als men in het Angelsaksisch taalgebied heeft gedaan. Zou het zijn dat we daarvoor te calvinistisch zijn, of juist te veel van God los? Hoe het ook zij, ook hier in de Lage Landen zijn we niet vies van massaal meezingen met een rockband bij sportwedstrijden en (stadion)concerten. Denk aan Born in the USA van Bruce Springsteen, Rockin’ In the Free World van Neil Young of We Are The Champions en We Will Rock You van Queen.

Maar er zijn ook anthems die niet zozeer uitnodigen tot samenzang danwel meebrullen, maar die wel door specifieke groepen worden omarmd als verbindend lied met speciale betekenis voor speciale gelegenheden. John Lennons Imagine verenigt pacifisten, Respect (Aretha Franklin) vrouwen, Redemption Song (Bob Marley) Afrikanen overal ter wereld, My Generation (The Who) Britse jongeren geboren tussen 1945-55, Woodstock (CSN&Y) de gelijknamige Amerikaanse generatie. Maar wat is nu het mooiste pop-anthem?

Voor mij is dat een lied dat niet zo heel ver van zijn oorsprong verwijderd is, een lied dat lof zingt, hoop geeft en zich naar boven richt. Dicht bij de kerk dus, ook in de muzikale stijl: A Change Is Gonna Come van Sam Cooke, een wereldse gospelsong uit 1964. Het lied roept vanaf de eerste regel strijd en onderdrukking op: ‘I was born by the river, in a little tent / and just like the river I’ve been running ever since.’ In het derde couplet gaat Cooke specifiek in op de rassenscheiding in de VS: ‘I go to the movie and I go downtown / Somebody keep tellin’ me “don’t hang around”.’

Uiteindelijk overwint de hoop, dat maakt A Change Is Gonna Come tot een echt anthem: ‘It’s been a long a long time comin’, but I know a change is gon’ come / Oh, yes it will.’ Het lied is bijna zestig jaar oud, maar nog steeds actueel. Voor veel Amerikaanse artiesten geldt het coveren van dit nummer ook als een ultieme uitdaging: je moet veel klasse hebben om dit te durven – en het er ook nog eens goed vanaf te brengen. Voor mij staat de originele versie, met Sam Cooke’s hoogreikende tenor, nog steeds bovenaan.

Het mooiste straatliedje

De popmuziek kent talloze liedjes over straten – en toevallig zijn het ook vaak goeie nummers. Denk aan Penny Lane (The Beatles), Baker Street (Gerry Rafferty) of Dead End Street (The Kinks). Deze week ga ik op zoek naar het fraaiste lied dat ooit over een straat is gemaakt, waarbij ik me beperk tot echt bestaande straten die op stadsplattegronden voorkomen en waar we in principe overheen zouden kunnen lopen, fietsen of rijden.

Dat betekent dat, hoe jammer ook, liedjes met willekeurige naamloze straten, bijvoorbeeld Winter Streets (Michael Talbot & The Wolfkings), Racing in the Street (Bruce Springsteen) of Dancing in the Street (Martha & the Vandellas) afvallen. Hetzelfde geldt voor nummers waarin de straat in feite een metafoor is voor een bepaald gevoel, zoals in Mercy Street (Peter Gabriel), Lonely Avenue (Ray Charles), Dirty Blvd. (Lou Reed) of Boogie Street (Leonard Cohen). We moeten helaas streng zijn.

Het moet gaan om een plek die de liedjesschrijver van nabij kent, waar hij of zij dingen heeft gezien of meegemaakt en uit de eerste hand over kan vertellen. Dat geldt zeker voor de bescheiden hit Oude Maasweg van The Amazing Stroopwafels uit 1981, die langzaam uitgroeide tot Nederpopklassieker. De Rotterdammers, die overigens begonnen als straatmuzikanten, vonden de gezochte troosteloosheid op een hen welbekende plek in het Botlekgebied.

Ook Mark Knopflers fraaie verhalende liedjes zijn vaak gesitueerd op herkenbare reële plaatsen. De eerste twee Dire Strait-albums bevatten onder meer de nummers The Wild West End en Portobello Belle, ontleend aan Knopflers omzwervingen in zijn begintijd in Londen. Later schreef hij nog Telegraph Road en Drover’s Road.

Mijn favoriete straatliedje duurt bijna 7 minuten en staat op Van Morrisons sixties-meesterwerk Astral Weeks: Cyprus Avenue. Morrison (1945) keert in dit nummer in gedachten terug naar zijn jeugd in Belfast. De straat uit de songtitel verwijst naar de Cyprus (of Cypress) Avenue in Oost-Belfast, een chique straat met Edwardiaanse en Victoriaanse huizen aan de goede kant van het spoor – niet de kant waar de jonge George Ivan Morrison woonde.

Volgens de zanger zelf schreef hij Cyprus Avenue in 1968 in zijn tweede vaderland de Verenigde Staten als een stream of consciousness, een ononderbroken associatiestroom waarbij het bewustzijn bijna wordt uitgeschakeld. Misschien is het nummer daarom zo’n wonder van tegenstrijdigheid: een eenvoudig drie-akkoordenschema tegenover geraffineerde strijkers- en clavecimbelpartijen, en een perspectief van iemand die zich laat ketenen en zich tegelijkertijd daaraan probeert te ontworstelen.

De ‘ik’ in het lied is een buitenstaander die gevangen zit in een auto en als gebiologeerd door de ruiten kijkt naar wat daarbuiten gebeurt: de rijkdom, de lommerrijke laan, schoolmeisjes die langslopen. Morrisons zang komt uit zijn tenen maar als hij probeert te spreken, ‘zit zijn tong vast’. Maar dan ziet hij zijn ‘Lady’ aankomen, ‘rainbow ribbons in her hair’, in een koets getrokken door zes witte paarden. In zijn droomwereld is het liefde op het eerste gezicht. ‘Nobody stops me from loving you baby / So young and bold, fourteen-year old / Baby, baby, baby, baby.’ Het is een beeld en een gevoel waarnaar de zanger steeds moet terugkeren, of hij wil of niet. Zo spannend kom je het in de popmuziek zelden tegen.

Luidsprekers… over het laag & het geklaag

Gastblog door Robert Endert

Om goede muziek te waarderen doet het er niet toe of je deze via een transistorradiootje beluistert of via een peperdure ‘high-end’-installatie. Toch weet iedereen dat er verschil is. Waarin zit hem dat dan?

De aanwezigheid van natuurgetrouwe lage tonen blijkt een belangrijke factor te zijn voor de emotionele impact van muziek. Bastonen voel je niet alleen letterlijk, maar vooral ook figuurlijk. Wie is er nooit in trance geraakt op een lekkere lage beat?

(meer…)

Het mooiste breakup-album

De romankunst kent verschillende categorieën om boeken op inhoud of karakter in te delen: psychologische, historische en naturalistische romans, ideeën- en coming of age-romans en feelgoodromans, om er een paar te noemen. Hoe anders is dat in de popmuziek: in welke inhoudelijke categorieën kun je popalbums zoal indelen, afgezien dan van het muziekgenre, zoals rock, funk, country, indie enzovoort?

Ik kan niet meer dan twee albumcategorieën bedenken die met enige regelmaat opduiken in de kolommen van popscribenten: het protestalbum en het breakup-album. Misschien komt dat doordat popalbums in tegenstelling tot romans vrijwel altijd bestaan uit een verzameling korte stukken – vaak een stuk of 10, 12 liedjes – die in sfeer en thematiek een bepaalde afwisseling moeten bieden. Protest- en breakup-albums zijn dan de uitzondering op de regel.

(meer…)

Het geluidje

Gastblog door Robert Magdelijns

transistorradio 2

De kwaliteit van je muziekinstallatie moet natuurlijk niet uitmaken; een Goed Nummer laat zich onder alle omstandigheden gelden. Of is dat toch te kort door de bocht?

Ik moest meteen aan het volgende verhaal denken toen Goeie Nummers-blogger Chris me vroeg om een gastcolumn te schrijven over het belang van goed geluid.
Hij ging ergens spelen met zijn band Divaz, en een Leidse Volkszanger (nee, niet Rubberen Robbie) zou daar ook optreden, gebruikmakend van hun zanginstallatie.
Voor het optreden meldde zich de manager van de zanger met de legendarische tekst:
‘Ik kom effe kijken naar het geluidje.’
Natuurlijk ook van belang voor een zanger die alleen een tape met de begeleidende muziek bij zich heeft.

(meer…)

Hoe belangrijk is goede geluidsapparatuur?

stereotoren

Bijna wekelijks doe ik hier op Goeie Nummers een voorstel over wat goeie muziek is. Ik schrijf bijvoorbeeld dat Rainy Night in Georgia (Tony Joe White) het mooiste regenliedje ever is, en The Moon is a Blind Eye (I Am Kloot) het mooiste maanliedje. Boude stellingen waar je als popliefhebber iets mee kunt. Maar waar ik het in al deze blogstukjes nooit over heb gehad, is de manier waarop al die goeie nummers onze oren bereiken. Ik denk daar zelden over na – en daarin sta ik niet alleen.

Er is in de popmuziek een grote en merkwaardige discrepantie tussen de makers aan de ene kant en de consumenten aan de andere kant. Muzikanten en opnametechnici sparen kosten noch moeite om een optimale sound te creëren voor de luisteraar, terwijl die de liedjes op zijn of haar beurt vaak achteloos afspeelt op een smartphone, draadloos speakertje of matige stereo-installatie. Een groot deel van het monnikenwerk van de artiest wordt zo tenietgedaan door vervorming, een geluidsbrij of wegvallende geluidsfrequenties. Zonde.

(meer…)

Geïnspireerd door je collega’s

Je kunt als bevriende muzikanten een tijdlang onbekommerd in een oefenruimte samenspelen, maar op een gegeven moment moet je er toch aan geloven: de band moet een naam hebben. Op internet zijn diverse tips te vinden voor het kiezen van een goede bandnaam, misschien wel omdat het altijd lastiger is om jezelf te definiëren dan een ander – en helemaal als je het ook nog onderling eens moet zien te worden. De Popschool Maastricht biedt daarvoor zelfs een online bandnaamgenerator aan.

Veel bands zoeken hun toevlucht in datgene wat de leden sowieso bindt: de muziek van hun gedeelde pophelden. Hiermee laten ze hun beoogde publiek in een notendop zien waar ze hun inspiratie vandaan halen en waar ze zelf voor staan: verleden en toekomst in één. Zo leidden The Rolling Stones hun naam af van het nummer Rollin’ Stone van bluesicoon Muddy Waters. Dat een rollende steen ook nog eens stond voor de ongebonden vrijbuiter paste toevallig ook prima bij hun gewenste imago.

(meer…)

Iconische drummers

Het theater van de popmuziek heeft wel wat religieuze trekjes. En dus zijn er ook iconen. Artiesten die boven de rest uitsteken, helden die in feite meer zijn dan zichzelf omdat ze een archetype vormen, een model neerzetten waaraan navolgers moeten voldoen of waaraan ze zich moeten meten.

Sommige artiesten – of eigenlijk hun managers of platenlabels – dragen zelf actief aan zo’n iconische status bij door zich te tooien met bijnamen als The King (Elvis Presley), The King of Pop (Michael Jackson) of The Queen of Soul (Aretha Franklin). In andere gevallen ontvangen ze dit soort eretitels door fans of journalisten, zoals God (Clapton) of His Bobness (Bob Dylan).

(meer…)

Zet die Frank Zappa-muziek af!

Toen in 1989 in Tsjecho-Slowakije de Fluwelen Revolutie plaatsvond, werd er opeens een verrassend licht op de popmuziek geworpen. Verschillende westerse artiesten bleken voor de mensen achter het IJzeren Gordijn een iconische status te hebben: hun muziek was voor veel dissidenten een bron van kracht geweest in hun lange moeizame strijd tegen het onderdrukkende communistische regime.

Lou Reed, bijvoorbeeld, was voor de inmiddels als president aangestelde Vaclav Havel een baken van hoop in bange dagen, al vanaf het moment dat de toneelschrijver twintig jaar eerder de hand had weten te leggen op de lp White Light/White Heat van The Velvet Underground. Het leidde in 1990 tot een veelbesproken ontmoeting tussen de twee zo ongelijksoortige beroemdheden.

(meer…)

Meer mondharmonica

Een buitenbeentje, dat is het. Klein, schel, onooglijk, bijna onzichtbaar op een podium. Niet heel veelvuldig ingezet in de popmuziek, maar er ook niet uit weg te denken. Vanaf het prille begin bezet de mondharmonica zijn eigen niche en blijkt daarin tegelijk behoorlijk veelzijdig – tenminste als je er even bij stilstaat.

Veel van de vroege bluesartiesten begeleidden zichzelf op de mondharmonica, lieten hem antwoord geven op hun gezongen klachten. Anderen, zoals Little Walter, James Cotton en Sonny Terry werden echte specialisten en haalden echt alles eruit wat erin zit. Een van de meest indrukwekkende bespelers is Sonny Boy Williamson (1912-1965), die hier door vernuftige hand- en ademtechniek van zijn bluesharp een swingend ritme-instrument maakt. Maar hij kon hem net zo gemakkelijk heerlijk laten jammeren.

(meer…)