blog

Echter dan de werkelijkheid

Afgelopen zaterdag was ik voor de 6e of 7e keer te vinden op het jaarlijkse americana-festival Ramblin’ Roots in het Utrechtse muziekpaleis TivoliVredenburg. Ramblin’ Roots, de opvolger van het roemruchte Blue Highways, presenteert in vier zalen 18 acts die samen een mix van folk, country, blues en soul ten gehore brengen. En al is de line-up vanwege corona de afgelopen jaren iets bescheidener en minder Amerikaans, het festival heeft voor mij nog altijd een magnetische aantrekkingskracht.

Ik vroeg me af – als onderdeel van de never-ending zoektocht naar mijn eigen smaakontwikkeling –  waarom dat eigenlijk zo is. Waar komt mijn liefde voor de americana vandaan en waarom is die tot op de dag van vandaag blijven bestaan? En is er iets over te zeggen dat niet alleen voor mij geldt, maar ook voor al die andere liefhebbers die in een soort bedevaart jaarlijks naar Ramblin’ Roots komen?

Het is meestal niet gemakkelijk om te zeggen waarom je van een bepaald genre houdt. Onze muziekvoorkeuren zitten onzichtbaar in onszelf verborgen. Muziek laat zich sowieso slecht beschrijven. Het gaat om iets intuïtiefs en raadselachtigs. Wat ik wel kan zeggen is wanneer en hoe mijn liefde voor americana is ontstaan.

Het was 1975. Ik was 12, zat net op de middelbare school en de radio zond wekelijks ‘specials’ uit. Dj’s als Theo Stokkink of Vincent van Engelen besteedden een heel uur lang, soms in een serie van meerdere afleveringen, aandacht aan één artiest of één groep. Een openbaring, je hoorde nu eens niet de bekende liedjes uit de hitparade, maar werk van serieuze albumartiesten die vaak 5 of 10 jaar eerder furore hadden gemaakt, zoals Stevie Wonder, Van Morrison en Jimi Hendrix.

Die uitzendingen lieten mij kennismaken met verloren gewaande schatten die exclusief voor mij leken te bestaan. Ze staan nog steeds in mijn geheugen gegrift. De meeste indruk maakten misschien wel de specials over The Band, Bob Dylan en Crosby, Stills, Nash & Young. Allemaal artiesten die diep putten uit de rijke Amerikaanse muziektradities.

De onbekende steden, streken en mensen in hun liedjes spraken zoveel meer tot mijn verbeelding dan wat ik om me heen zag in de aangeharkte betonnen slaapstad waarin ik opgroeide. De muziek was meer ‘echt’ dan de realiteit van mijn eigen leven. En ik kon helemaal in die verhalende liedjes verdwijnen, ik waande me in het ruige landschap aan de overkant van de oceaan. Ze drukten een tijdloze waarheid uit. Denk aan A Hard Rain’s Gonna Fall (Dylan), The Night They Drove Old Dixie Down (The Band) of Almost Cut My Hair (CSNY).

Ook hedendaagse americana zoals die van Birds of Chicago (American Flowers) of Cassandra Jenkins (Hard Drive) heeft voor mij die kwaliteiten. Mijn liefde voor het genre komt voort uit een verlangen naar een wereld met een betekenisvol verhaal. Ik vind het mooi als muziek niet zozeer een herkenbaar fragment uit de werkelijkheid presenteert, maar iets groters, iets waar de realiteit geen vat op heeft. Een echte wereld ver verwijderd van spreadsheets, algoritmes en deadlines, mode en social media. Dat is wat mij elk jaar naar Ramblin’ Roots trekt. Herkenbaar, ook voor jou?

A Lucky Guy

Als popfan dicht je je muziekhelden gemakkelijk bovenmenselijke kwaliteiten toe. Je bewondert ze niet alleen als muzikanten en liedjesschrijvers, maar verwacht onwillekeurig dat ze in hun privéleven qua levenskunst ook boven gewone stervelingen verheven zijn. Op die valkuil betrapte ik mezelf deze zomer tijdens het lezen van Last Chance Texaco, de vorig jaar verschenen autobiografie van Rickie Lee Jones.

De Amerikaanse singer-songwriter (1954) verhaalt daarin smakelijk en swingend over de hoogte- en dieptepunten in haar leven en loopbaan. Vanaf haar vroege jeugd tot de onverwachte jazzy wereldhit Chuck E.’s in Love en het debuutalbum waarmee ze in 1979 in één klap haar naam vestigde, tot en met de (professionele) inzinkingen die ze in de jaren daarna doormaakte voordat ze weer opkrabbelde met sterke platen als It’s Like This (2000) en Balm in Gilead (2009).

Last Chance Texaco is een fascinerend en ongewoon popboek. Geen evenwichtige popbiografie zoals een journalist met een mengeling van bewondering en een zekere afstandelijkheid zou kunnen schrijven. Ook geen glad verhaal dat een artiest met hulp van een ghost writer publiceert om het eigen imago op te poetsen of bij te stellen.

Wat is deze autobiografie wel? Dat vroeg ik me tijdens het lezen een aantal keren af – en dat bedoel ik niet als diskwalificatie, het boek is eerder even ongrijpbaar als de artieste zelf. Is dit vooral bekentenisliteratuur vol pikante onthullingen? Of is het in de eerste plaats bedoeld als een dienst aan de fans, die immers nooit genoeg van hun idool kunnen krijgen? Of is het Jones’ doel om een aantal dingen recht te zetten en haar eigen plek in de popgeschiedenis te claimen?

Waarschijnlijk van dat alles allemaal een beetje. Jones klapt een paar keer uit het bed over haar minnaars van weleer (Tom Waits, Dr. John, Lowell George), heeft een paar appeltjes te schillen met deze of gene in de muziekbusiness en deelt diverse pluimen uit aan collega’s en vrienden. Voor de fans toont ze de real-life inspiratiebronnen van soms raadselachtige nummers als Coolsville, Last Chance Texaco en Skeletons. Ook maakt ze zich boos over de manier waarop de muziekpers haar en andere vrouwelijke artiesten behandelt.

Maar dit alles zijn bijkomstigheden. In de kern is dit een verhaal over de doorwerking van een moeilijke jeugd – en over de kracht van muziek. Jones groeide op in wat je een probleemgezin zou kunnen noemen. Haar moeder werd opgenomen in een weeshuis nadat de instanties haar moeder ongeschikt hadden bevonden als ouder. Haar vader, zoon van een eenbenige varieté-artiest, was een muzikale en verslavingsgevoelige man van twaalf ambachten, dertien ongelukken. Afwezige ouders, onderlinge spanningen tussen de kinderen en constante verhuizingen leverden bij de jonge Rickie Lee vooral een onbedwingbare zwerflust op.

Het boek staat vol schrijnende situaties. Bijvoorbeeld hoe de tiener Rickie Lee wegloopt van huis en bij terugkomst door haar moeder met afwijzing wordt begroet. En toch worden de ouders in het boek nooit veroordeeld. Het woord verwaarlozing valt nergens. Maar het schemert op elke pagina tussen de regels door.

Ondertussen is Last Chance Texaco ook een ode aan de Muziek. Want in dat getroebleerde gezin wordt naar hartelust gezongen en gemusiceerd. En de ontdekking van haar zangtalent is voor Rickie Lee een serieuze uitweg uit de misère. En een uitlaatklep. Dat wordt de lezer duidelijk als ze uitlegt hoe haar ervaringen verwerkte in liedjes die haar moesten verzoenen met haar demonen.

Dat succes en roem je niet altijd kunnen beschermen tegen demonen uit het verleden, dat wordt ook duidelijk. Op het hoogtepunt van haar succes wordt Jones bijvoorbeeld tijdens een optreden bevangen door onzekerheid door één onbegrijpelijke kreet uit het publiek. En een enkele negatieve recensie weet ze decennia later nog moeiteloos uit haar geheugen op te diepen.

Uit deze episodes komt uiteindelijk ook de ware bedoeling van het boek naar voren. Door haar levensverhaal te delen wordt Rickie Lee’s eenzaamheid verlicht en haar trauma’s verhelderd. Daar is het allemaal om begonnen – bewust of onbewust. Net als haar werk biedt Last Chance Texaco op zijn eigen, indirecte manier een blik in een trotse en kwetsbare ziel die troost en aandacht zoekt. Wij popliefhebbers danken er een rijk oeuvre aan.

“He used to walk with me

He used to talk to me

See, we have these secrets

That no one else could hear

Well, he’s not the only one

No, no not the only one

But what happens to them?

Do they matter?

Do they disappear

Into a lonely girl?

Now I’m a lonely girl

I want somebody with me in the world”

[…]

I’ll cry awhile

But when I wake up

Tomorrow is a new day

I’m a lucky guy

Hey, I’m a lucky guy

Real, real lucky guy

Hey, I’m a lucky guy”

A Lucky Guy (Pirates, 1981)

Een goeie houding

Onlangs zag ik een grappig filmpje van de Spaanse straattheatergroep PuntMoc (kijken vanaf 12:07), die in pantomime een reeks muziekstijlen uitbeelden. Soms moet je iets langer kijken, maar meestal kun je snel de bedoelde muziekstijl afleiden uit hun gebaren. Puur op basis van visuele informatie dus, zonder geluid. Het deed me beseffen hoe belangrijk de bewegingen, houdingen en gezichtsuitdrukkingen van muzikanten zijn.

Zelf groeide ik op in de jaren 70, een periode waarin de technische mogelijkheden van geluidsstudio’s al snel tot in de hemel reikten. Nog voordat ik ooit een band of artiest in levenden lijve zag, had ik al heel veel fraai geproduceerde muziek beluisterd. Het gevolg was dat ik en mijn generatiegenoten popmuziek voornamelijk met de oren tot ons namen. Het kwam zover dat de kwaliteit van popbands werd afgemeten aan de mate waarin ze het geluid van de lp op het podium perfect konden reproduceren – waanzinnig.

De afgelopen corona-tijd heeft ons weer laten inzien dat muziek in de kern nog steeds gaat om optreden, een performance geven. Wat hebben we het gemist, artiesten die voor hun publiek staan en iets creëren dat op geen enkele manier reproduceerbaar is, iets dat alleen in het moment bestaat. Iets ook dat met al onze zintuigen wordt beleefd, niet alleen met onze oren. En – met ons hele lichaam.

Headbangen (metal), nonchalant genieten (jazz), weidse armgebaren (musical), synchrone danspasjes en brede smiles (soul en disco), stoer zwaaien met microfoonstandaards (rockers), drukke handchoreografie (hiphop), zelfs de introverte blik omlaag bij shoegazers – we merken nu weer hoezeer dat allemaal bij het theater van de popmuziek hoort – misschien wel het wezen ervan uitmaakt.

Hussel de genres en de poses maar eens door elkaar. Metalfans die kekke soulpasjes maken. Jazzcats die met microfoonstandaards jongleren. Singer-songwriters in houthakkersshirts die theatraal neerknielen en hun ogen naar de hemel opheffen. Je ziet meteen dat er iets niet klopt. Zonder de juiste poses is de popmuzikant verloren, want: ongeloofwaardig. De popartiest moet behalve muzikant dus ook een acteur van het zuiverste water zijn. Maar er is wel een verschil. De artiest moet iemand zijn die acteert vanuit zijn of haar authentieke zelf. Want de lichaamshouding is niets minder dan een levenshouding.

Als toetje om na te genieten van deze overpeinzing een act van een man die als popmuzikant en podiumdier volledig autodidact was en als theatrale persoonlijkheid zijn gelijke niet kende.

Het mooiste dialoogliedje

Schrijvers in de Oudheid en de Middeleeuwen waren dol op de dialoog. Bijvoorbeeld in filosofische teksten over uiteenlopende onderwerpen – van liefde en politiek tot geloof en troost in tegenspoed – zoals in Plato’s Dialogen. De samenspraak was het literaire middel bij uitstek om een bepaald vraagstuk van alle kanten af te pellen om er meer inzicht in te krijgen. En in toneel en theater gebeurt het vandaag de dag nog steeds zo.

Hoe zit dat eigenlijk met popliedjes? Zitten daar ook zulke bijzondere dialogen in? De meeste popsongs zijn in essentie juist monologen: een ‘ik’ die het woord richt tot een ‘jij’ of tot een anonieme luisteraar. Denk aan talloze liefdesliedjes en andere nummers waarin de artiest zijn of haar hart uitstort. Toch zijn er wel degelijk uitzonderingen op de regel.

De bekendste van die uitzonderingen is waarschijnlijk Hey Joe, in de uitvoering van Jimi Hendrix uit 1965. Deze murder ballad is helemaal gebouwd rondom de dialoog, met een aangever en een afmaker. Elk couplet begint met de vraag van een onbekende aan de hoofdpersoon: ‘Hey Joe, what you doin’ with that gun in your hand?’ Het zijn Joe’s antwoorden die het verhaal van de overspelige vrouw en de tragische afloop stukje bij beetje duidelijk maken.

Een verwante track is Cocaine in My Brain, een dikke hit uit 1976 van reggae-artiest Dillinger. De openingswoorden zijn een grappige variant van Hendrix’ klassieker: ‘Hey, Jim, I want to ask you something, I want you to spell something for me Jim’. Hier is het nieuwkomer John die met zijn vragen als aangever fungeert, zodat de doorgewinterde Newyorker Jim voor ons de beroemde stad op geheel eigen wijze kan herspellen.

Een ander fraai voorbeeld van een dialoog-popsong: Dire Straits’ Romeo & Juliet. Frontman Mark Knopfler spiegelt zijn eigen romantische ervaringen aan die van bekende personages uit Shakespeare’s toneelstuk en de musical West Side Story. De woorden die de hooghartige Juliet en de arme Romeo met elkaar wisselen geven deze melancholieke klacht een ongekend beeldende kwaliteit.

Bob Dylan put in The Ballad of Frankie Lee and Judas Priest (John Wesley Harding, 1967) uit een nog oudere traditie. Als een middeleeuwse troubadour wisselt hij verhalende passages over de lotgevallen van twee bevriende zwervers met tegengestelde karakters af met stukjes dialoog. In dit geval is de samenspraak zo raadselachtig dat de luisteraar zich blijft afvragen wat je uiteindelijk aan moet met de expliciete moraal – dat je nooit ergens moet zijn waar je niet thuishoort – en dat is misschien ook wel de bedoeling van de enigmatische zanger.

Mijn favoriete dialoogliedje voor vandaag? Een nummer dat eruit springt omdat de zanger twee mensen hartstochtelijk met elkaar laat discussiëren over zaken die de kern van het leven vormen. In Father & Son van Cat Stevens staan een vader en een zoon – beiden vertolkt door de zanger, de ene met lage en de andere met hoge stem – onverzoenlijk tegenover elkaar.

De een preekt berusting en behoedzaamheid, wil de ander beschermen tegen teleurstellingen. Die ander is klaar met luisteren, wil zelf het leven ontdekken. Beiden zitten vast in hun eigen waarheid en willen door de ander begrepen te worden. En zo blijven ze beiden alleen op hun eiland. Dit nummer heeft geen expliciete moraal nodig, het doet je de tragiek voelen zonder die erin te wrijven. Heel simpel. Gewoon door twee mensen met elkaar te laten praten.

Ken je meer mooie dialoogliedjes? Laat het weten in het dialoogvenster hieronder!

Het koelste liedje

Welk popliedje kan ons het best verkoelen tijdens een hittegolf?

Wat kun je doen wanneer het kwik hoog oploopt, zoals nu, en de hitte als een zware deken op je drukt? Misschien kun je soelaas vinden in een ijsje of een koud biertje, of een luchtwerveling uit een ventilator. Maar mogelijk kan ook de popmuziek, net als in zoveel andere moeilijke situaties, hier iets betekenen. Welk liedje brengt de verkoeling waar we nu zo’n behoefte aan hebben?

Het eerste probleem waar ik tegenop loop: zodra ik denk aan koele liedjes, denk ik meteen aan hitte, en aan nummers die hitte oproepen. Fight the Power van Public Enemy uit 1989 is er zo een. De track is prominent aanwezig in de soundtrack van Do the Right Thing van Spike Lee, een film over loeiheet New York waarin de interraciale spanningen steeds hoger oplopen en waarbij je als kijker ook meteen zweetdruppeltjes op je voorhoofd krijgt.

(meer…)

De ultieme vakantieplaylist voor het hele gezin

Toen onze kinderen nog klein waren brandde ik ter voorbereiding van een buitenlandse vakantie vaak een paar cd’s met mp3’tjes met favoriete nummers van mijzelf en de Vrouw. Elke cd bevatte 50 tot 60 nummers, dus daar was iedereen in de auto onderweg een flinke tijd zoet mee. En het bijzondere is: het menselijk muziekgeheugen zorgt ervoor dat we al meezingend, -wiegend en -klappend mooie herinneringen verzamelen voor later, als elk van ons die liedjes weer eens terughoort.

Inmiddels zijn onze dochter en zoon respectievelijk 19 en 16. Ze gaan nog mee op vakantie, maar er wordt eerst onderhandeld over de duur en de bestemming. En over de muziekkeuze tijdens de lange rit. Gelukkig is er nu Spotify. Daarmee kun je gemakkelijk van tevoren een kilometerslange vakantieplaylist samenstellen die straks met hulp van Bluetooth of een kabeltje uit de speakers komt.

(meer…)

Suzanne Vega en de richting van de tijd

Afgelopen woensdag zag ik Suzanne Vega in het Utrechtse muziekpaleis TivoliVredenburg. Ik ben fan vanaf het uitkomen van haar titelloze debuutalbum in 1985. Nummers als Marlene on the Wall, Luka, Small Blue Thing, ik heb ze in mijn studententijd grijsgedraaid. En daarom was het concert van eergisteren deels een reis terug in de tijd.

Het werk van de Newyorkse singer-songwriter sloeg destijds in als een bom, als je dat tenminste van zulke intelligente, zacht gezongen liedjes kunt zeggen. In elk geval had ze meteen grote invloed op andere artiesten, zoals haar landgenotes Melissa Etheridge en Shawn Colvin en in ons land Nits-frontman Henk Hofstede. En hoewel ze altijd interessante muziek is blijven maken, zijn Vega’s hoogtijdagen beperkt tot de helft van de jaren 80, zodat ik afgelopen week opvallend veel mensen tegenkwam die nog nooit van haar hadden gehoord.

(meer…)

De muziek van mijn broer

De voorgaande weken heb ik mezelf losjes verdiept in de ontwikkeling van mijn eigen muzieksmaak. Met het idee dat ik andere mensen hiermee zou kunnen inspireren om hetzelfde te doen. Ik vond het een interessante – en ook enigszins weemoedig stemmende – exercitie. Een trip down memory lane en tegelijk een poging om de soms zinloos lijkende toevalligheden van een leven (lees: mijn leven) betekenis te geven.

Ik schreef over de muzikale invloed van vrienden, van mijn vader, van mijn moeder. Over een andere influencer – waarschijnlijk de belangrijkste – mijn oudere broer Wim, schreef ik al eerder. Ik ga die blog van twee jaar geleden hier niet herhalen, maar ik grijp deze gelegenheid wel graag aan om een pijnlijke omissie goed te maken. Mijn broer bracht mij namelijk niet alleen in contact met Lou Reed, David Bowie, John Coltrane en JJ Cale, maar ook met een groep muzikanten die sindsdien voor altijd in mijn hart zitten: The Allman Brothers Band.

(meer…)

Het mooiste liedje voor onder de douche

Vanwege de toenemende droogte maakt waterbedrijf Vitens zich zorgen over afnemende drinkwatervoorraden. In een recente nieuwsbrief vragen ze hun klanten onder meer om korter te douchen. Van gemiddeld 8,4 naar maximaal 5 minuten – dat bespaart ruim 27 liter per douchebeurt.

Om korter te douchen geeft Vitens de tip om een favoriet muziekje van maximaal 5 minuten op te zetten vlak voordat je de eerste waterstralen over je heen laat kletteren – en eronderuit te stappen zodra de muziek stopt. Een slim advies nu steeds meer mensen met de huidige draadloze speakertjes elk gewenst liedje via streaming ook in de badkamer kunnen afspelen. Ik vroeg me af: wat zou in dit geval het ultieme doucheliedje zijn?

(meer…)

Albumverjaardag ◉ Paul Simon

Het titelloze debuutalbum van Paul Simon is niet wat het lijkt. Wie er nu, een halve eeuw na verschijning naar luistert, hoort misschien een goede maar typische jaren-70 singer-songwriterplaat met melodieuze liedjes en intelligente teksten. Voor de artiest zelf was het destijds vooral een duik in het diepe, en voor het poppubliek was het album in verschillende opzichten behoorlijk verrassend.

Net zoals de breuk met zijn maat Art Garfunkel anderhalf jaar eerder was geweest. Weinig mensen begrepen waarom het tweetal op het hoogtepunt van hun succes, kort na hun meesterwerk Bridge over Troubled Water, uit elkaar ging. En net als bij The Beatles werd er door fans en journalisten volop gespeculeerd over de redenen.

(meer…)

De muziek van mijn moeder

In een van mijn oudste herinneringen ben ik dicht bij het volmaakte geluk. Ik lig als vijfjarige met een boek onder de tafel terwijl mijn moeder aan het strijken is en de radio aanstaat. Een beschermde plek om weg te dromen terwijl er af en toe klanken van buiten doordringen. Mijn moeder zet de radio harder bij een kunstig liedje van Jasperina de Jong dat volgens mij bij een reclame hoorde. We hadden er ook een plaatje van.

Mijn moeder werd geboren in 1932, in een net en eenvoudig Leeuwarders gezin waarin muziek een niet onbelangrijke plek innam. Naar verluidt kon mijn opa uit zijn hoofd hele aria’s fluiten, en zijzelf was op de kweekschool – de voorganger van de PABO –  een van de weinige studenten die een melodie meteen in muzieknoten kon omzetten (solvège). Maar sporten vond ze als hobby toch belangrijker dan muziek.

(meer…)

Wie is ‘ik’ in een poplied?

theo nijland

In een interview van een tijdje geleden licht zanger-pianist Theo Nijland zijn hilarische nummer Wat een leuk liedje (2008) toe. In dit leuke liedje reageert Nijland op de hem veelvuldig gestelde vraag waarom zijn liefdesliedjes meestal gericht zijn aan vrouwen terwijl hij zelf homo is. De impliciete stelling onder de vraag is dat Nijland daarmee eigenlijk ‘aan het liegen’ is en dat dat dus verkeerd is – een opvatting die de zanger duidelijk afwijst.

ik 2

Deze discussie vestigt ook de aandacht op een interessante vraag waar we misschien niet dagelijks bij stilstaan: wie zien wij als luisteraars voor ons bij de ‘ik’ in een liedje? Het antwoord dat als eerste bij je opkomt is waarschijnlijk: degene die het lied zingt. Natuurlijk. We nemen aan – meer of minder bewust – dat de ‘ik’ overeenkomt met de persoon van de zanger(es). Dat blijkt ook uit het feit dat we vaak even verwarring voelen als een artiest een nummer van een artiest van het andere geslacht covert.

James Blake

Zo word ik bij James Blake’s versie van Joni Mitchells A Case of You even bevangen door twijfel of de jonge Engelsman wel overtuigend in Mitchells ‘ik’ kan kruipen, ook vanwege de verwijzingen naar haar vaderland Canada. In Aretha Franklins versie van Otis Reddings Respect neemt de zangeres haar toevlucht tot een tekstaanpassing: om het jaren 60-nummer geloofwaardig te maken spreekt het ik-personage haar thuiskomende partner (kostwinner) aan in plaats van andersom .

ik

Maar is het echt zo eenvoudig – koppelen we de ‘ik’ inderdaad direct aan de zanger(es)? Of weten we diep in ons hart eigenlijk dat het maar fictie is? Of laten we het liever in het midden? Hmm – dingen die we elke dag gedachteloos doen zijn soms ingewikkelder dan ze lijken.

Bredero

In de vorig jaar verschenen biografie van Bredero, De hartenjager, presenteert literair-historicus René van Stipriaan de 17e-eeuwse dichter en toneelschrijver als een vroege voorloper van de 20e-eeuwse popliedjesschrijvers. Bredero pionierde door zijn naam in verschillende varianten te laten rondzingen in zijn teksten. Hij zaaide zo verwarring over hoe je de ‘ik’ in dat werk moest lezen: was het Bredero zelf, of was de ‘ik’ toch een personage – of was het een personage dat leek op de schrijver? Een popliedje gebeurt volgens Van Stipriaan hetzelfde. Het liedje is een korte ‘dagdroom’ van de artiest, wat het een ‘vleugje autobiografie’ geeft.

YouEen vleugje biografie, dat vind ik mooi. En ik trek die redenering graag nog iets door: zoals alle dromen is zo’n dagdroom weliswaar van de dromer, maar bevindt hij zich ook buiten zijn geest. Een droom is letterlijk on-werkelijk. En dat geeft de luisteraar de kans om erin te stappen en zich een eindje te laten meevoeren. Met andere woorden: de ‘ik’ in een liedje is een beetje de artiest, een beetje een personage, maar uiteindelijk vooral degene die luistert: jij.

Albumverjaardag ◉ Wilco – Yankee Hotel Foxtrot

Als er één band is die aangemerkt kan worden als vaandeldrager van de alt-country, dan is het Wilco. En als er één album iconisch is in dat lastig te omschrijven genre, dan is het Yankee Hotel Foxtrot, deze week 20 jaar oud geworden. Een cultklassieker van de vroege 21e eeuw.

Voor de band zelf is de verjaardag aanleiding voor een speciale Yankee Hotel Foxtrot Anniversary Tour en een uitgebreide re-issue van het album. De fan heeft ruime keuze: een ‘gewone’ dubbel-lp of -cd of een super-de-luxe uitgave van maar liefst 8 cd’s of 11 lp’s, met allerhande outtakes en making-of’s. Of iets ertussenin. Daaruit kun je de status van dit album wel zo’n beetje aflezen.

(meer…)

De muziek van mijn vader

Deze weken ben ik op zoek naar de ontwikkeling van mijn eigen muzieksmaak. Wie beïnvloedden mijn luistergedrag? Wie zetten mij op het spoor van nieuwe artiesten? En hoe werkt dat door tot op de dag van vandaag? Naast de radio en muziekbladen zijn de belangrijkste influencers waarschijnlijk mijn vrienden geweest. Daar schreef ik vorige keer al over.

Maar je moet je familie zeker ook niet uitvlakken. Ouders, broers en zussen zijn door hun voortdurende aanwezigheid natuurlijk medebepalend voor je muzieksmaak, al gaat dat proces vaak onbewust. Zelfs voor je geboorte schijn je al muziekvoorkeuren te ontwikkelen omdat er geluid van buiten in de baarmoeder doordringt. In de kinderjaren daarna, voordat je je eigen muziek gaat kiezen, wordt je vaak blootgesteld aan de muziek van je ouders. Vandaag zoom ik in op de – volgens mij grotendeels onbedoelde – muzikale opvoeding die ik kreeg van mijn vader.

(meer…)

De muziek van je vrienden

life is better with friends

Hoe ontdek je nieuwe muziek? Hoe kom je op het spoor van interessante artiesten, liedjesschrijvers, of muziekgenres die je nog niet kent? Ik had het daar een tijdje geleden over via WhatsApp met een paar van mijn vrienden, allemaal popliefhebbers van dezelfde generatie, opgegroeid in de jaren 70 – dus allemaal met ruime ervaring en een goede muzieksmaak, zeg ik dan.

De antwoorden waren divers. Aanbevelingen van Spotify werden genoemd als wegwijzers naar nieuwe muziek, naast recensies in NRC en Volkskrant. Verder online popmedia zoals Heaven en Pitchfork maar ook YouTube en Facebookgroepen zoals Americana Liefhebbers. De conclusie uit de inventarisatie: er zijn meer dan genoeg plekken om nieuwe muziek te ontdekken. En de tijd van slechts enkele belangrijke tipgevers – zoals muziekbladen en die goeie ouwe radio – is voorgoed voorbij.

(meer…)

Liefde op het eerste gehoor

Sommige artiesten dringen pas na lange tijd tot je hart door. Andere grijpen je meteen bij de kladden, meteen de eerste keer dat je ze hoorde. Je wordt van de sokken geblazen. Staat in vuur en vlam. Zoiets heb je nog nooit gehoord. Wat ís dit? Hoe kan dit er zijn? Is er nog meer van?

Vaak houdt de artiest levenslang een speciaal plekje in je hart, want iets van de eerste keer blijft altijd hangen. Bij mij tenminste wel. Als ik denk aan de keren dat dit fenomeen mij te pakken kreeg, komt als eerste Sultans of Swing van Dire Straits bij me op. Het was 1978 – ik was veertien, de meest ontvankelijke leeftijd voor muziek – toen het nummer van Mark Knopflers band de Nederlandse hitparade binnenkwam.

(meer…)

Het mooiste instrumentale tussenstuk

Een paar weken geleden passeerden op Goeie Nummers verschillende popnummers met bijzondere middle eights. Toen ging het over tussenstukken met zang – de meest voorkomende soort in de popmuziek – vandaag over hun instrumentale tegenhangers. Liedjes waarin de gezongen coupletten en refreinen worden afgewisseld met een gedeelte waarin de artiest van het gebaande pad afwijkt, met vaak een solo-instrument zoals gitaar of saxofoon in de hoofdrol.

Het instrumentale tussenstuk is vaak een waar kunststukje, meer nog dan de gezongen variant. Opvallende akkoordenreeksen, modulaties, tempowisselingen soms zelfs. Het verrassingseffect is groter – alsof je in de bus zit en de chauffeur opeens besluit van de vaste route af te wijken: een omweg met als doel de passagiers iets moois of uitzonderlijks te laten zien. En jij, overgeleverd aan de muziek zoals aan de chauffeur van de snelbus, moet gewoon mee.

(meer…)

Albumverjaardag ◉ Nick Drake – Pink Moon

Op 30 oktober 1971 verscheen Nick Drake volgens afspraak voor de eerste van twee opnamesessies in de Londense Sound Techniques-studio. Elf basistracks zou hij daar op twee achtereenvolgende avonden opnemen. Behalve de singer-songwriter was alleen studiotechnicus John Wood aanwezig. Toen Wood hem na afloop van de tweede sessie vroeg welke arrangementen en overdubs hij erbij wilde hebben, antwoordde Drake: “Ik wil geen andere instrumenten erbij. Helemaal niets.” En zo zou Pink Moon – afgezien van de paar pianoklanken in het titelnummer – ook verschijnen. Zang en een akoestische gitaar, verder niets.

Een paar jaar daarvoor had Drake zijn debuut gemaakt met Five Leaves Left (1969), kort daarna gevolgd door Bryter Layter (1970). Twee platen vol razendknappe melancholieke folksongs die op de een of andere manier allebei vrijwel onopgemerkt bleven, zowel bij recensenten als bij de muziekliefhebbers. Na deze teleurstelling viel de van nature introverte muzikant ten prooi aan depressies en trok hij zich terug bij zijn ouders op het platteland van Tanworth-in-Arden. Tot hij zich anderhalf jaar later onverwacht weer bij Wood meldde met nieuwe liedjes.

(meer…)

Het mooiste tussenstuk

Sommige muziekjournalisten noemen het de ‘middle eight’, acht maten in een popliedje die afwijken van de coupletten en refreinen, meestal na het tweede refrein. Ikzelf gebruik door gewenning altijd het minder elegante woord ‘tussenstuk’. Een vaak aangehaald voorbeeld is het stukje in We Can Work It Out (Beatles) dat begint met ‘life is very short and there’s no time’ (op 0.43) of het complexe middengedeelte van Good Vibrations (Beach Boys) dat eindigt met een langgerekt ‘aaaaahhhhh’.

Het tussenstuk is een element in popsongs dat mij steeds dierbaarder wordt, waarschijnlijk omdat het ook steeds schaarser wordt. Wie naar de huidige hitparade luistert, kan er lang en vergeefs naar zoeken. Maar ook in recent werk uit de alternatieve pophoek – ik noem een Big Thief, een Arcade Fire of een Beach House – tref je het kleinood nauwelijks nog aan. Zou het kunnen dat het tussenstuk op weg is naar de uitgang?

(meer…)

Popcitaten die zeggen ‘Zo zit het’

Sommige zinnetjes uit een popsong blijven altijd bij je. Voor mij bijvoorbeeld ‘I’ve just reached the place where the willow don’t bend,’ uit Bob Dylans Going, Going, Gone – ik schreef daar eerder al eens over. Sommige tekstregels uit popsongs worden in de loop der tijd gevleugelde citaten, tekstfragmenten die herhaald worden en soms ook een eigen leven gaan leiden, buiten het liedje om. Daarover ging het een paar weken geleden op Goeie Nummers.

Vandaag zoek ik specifiek naar apodictische popcitaten: tekstregels die een onomstotelijke waarheid verkondigen, liever gezegd, die een uitspraak doen met de overtuiging die deze onweerlegbaar is. Popregels met ambitie. Als ze echt goed zijn, geven ze ons het gevoel dat we een dieper inzicht in het leven krijgen.

(meer…)