2026

De fans niet aan het schrikken maken

lp-cover van album Okie van J.J. Cale

Een paar weken geleden ging ik op zoek naar ‘de sterkste albumopener aller tijden’. Het liep uit op een mooi lijstje, waarbij ik de lat steeds hoger moest leggen om uiteindelijk tot een keuze te komen. Tijdens die speurtocht viel me op dat er ook een boel topplaten zijn zonder zo’n topopener. Soms begint zo’n album zelfs met een lied dat fans en critici maar weinig kan bekoren.

Een paar voorbeelden. Queen opent haar album Jazz (1978) met het allesbehalve representatieve Mustapha, met zijn Midden-Oosterse invloeden. Woodface (1991) van Crowded House begint met Chocolate Cake, een sarcastisch nummer dat sterk contrasteert met de melodieuze en meeslepende liedjes die volgen. R.E.M. oogstte in datzelfde jaar onbegrip met openingstrack Radio Song van Out of Time vanwege de rap van gastmuzikant KRS-One en de blikkerige geluidseffecten.

Bob Dylan was de artiest die in dit opzicht de zwaarste kritiek mocht ontvangen. Op zijn klassieke album Blonde on Blonde (1966) nog wel. Weinigen begrepen waarom het in hun ogen flauwe en rommelige Rainy Day Women #12 & 35 de introductie vormde voor een verder uiterst consistent album met topnummers als Visions of Johanna, I Want You, Just Like a Woman en Sad Eyed Lady of the Lowlands.

Ik vraag me af wat de oorzaak kan zijn van zo’n mismatch tussen de keuze van de artiest/producer/platenmaatschappij en de ontvangst bij fans en recensenten. Hebben de makers een verkeerde inschatting gemaakt of wilden ze luisteraars bewust op het verkeerde been te zetten, bijvoorbeeld om hun artistieke vrijheid te benadrukken? Of waren er andere redenen?

Een algemeen antwoord is moeilijk te geven. Vooral omdat er weinig informatie te vinden is over het proces waarin artiesten, producers en platenmaatschappijen de liedvolgorde (ook wel: sequencing) op hun albums bepalen. (Bedenk hierbij dat er bij een album met 10 tracks in principe 3.628.800 volgordes mogelijk zijn, dus het is misschien fijn dat je niet het hele proces hoeft te volgen.) Wat uit interviews en boeken wel duidelijk wordt, is dat de liedvolgorde meestal pas laat in het opnameproces wordt bepaald, nadat de opnames, de mix en de liedselectie allemaal zijn afgerond. In het geval van Blonde on Blonde betekende dat waarschijnlijk dat Rainy Day Women #12 & 35 als binnenkomer werd gekozen omdat het als single al in de hitlijsten had gestaan.

Bij andere platen zou je kunnen denken aan een andere logische strategie: geef je mooiste schatten niet meteen prijs, maar werk langzaam toe naar een dramatisch hoogtepunt, net als bijvoorbeeld in een tragedie of epos. Mogelijk was dat het idee van Gerry Rafferty, die op City to City prijsnummers Baker Street, Right Down the Line, Stealing Time, City to City en Whatever’s Written in Your Heart voor later op het album bewaarde en opende met het langzame The Ark.

Ik vermoed dat J.J. Cale zijn 3e studioalbum Okie om een vergelijkbare reden liet starten met het rustige en weinig opzienbarende Crying. Opvallend, want de man uit Tulsa, Oklahoma was vermaard om zijn keuze van sterke openingstracks – denk aan Call Me the Breeze op Naturally en Lies op Really. Cale zal zich bij Okie helemaal geen zorgen hebben gemaakt om het vasthouden van luisteraars. Hij wilde ze waarschijnlijk eerder langzaam laten wennen aan de ongekende kwaliteit van wat zou volgen: nummers als Rock and Roll Records, Cajun Moon, I Got the Same Old Blues, Everlovin’ Woman en nog veel meer. Hij wilde zijn fans gewoon niet aan het schrikken maken. Ook best een slimme strategie.

Volkslied met of zonder tekst?

Tijdens het WK Voetbal in Amerika horen we voor de wedstrijd steeds de volksliederen van de landen waarvoor de twee teams uitkomen. Wat daarbij opvalt: in sommige gevallen wordt er door voetballers en publiek helemaal niet gezongen – omdat het gaat om volksliederen zonder tekst, iets wat goedbeschouwd een contradictio in terminis is.

Spanje is een van de landen met zo’n instrumentaal volkslied (naast San Marino, Kosovo en Bosnië en Herzegovina), en de achtergrond daarvan wordt in een Volkskrant-artikel van afgelopen maandag mooi belicht. Het verhaal: de Marcha Real is eind 18e eeuw gecomponeerd om militaire parades en koninklijke evenementen te begeleiden. Het is dus in principe niet gemaakt om op mee te zingen.

Bovendien, zo verklaart historicus Xosé Manoel Núñez Seixas van de Universiteit van Santiago de Compostela, is het de Spanjaarden ondanks diverse pogingen nooit gelukt politieke overeenstemming te bereiken over de tekst. Niet onlogisch, gezien de geschiedenis van Spanje, met haar inquisities, Burgeroorlog (1936-1939), regiotwisten en Franco-dictatuur (1939-1975). Vergelijkbare gevoeligheden spelen in Kosovo en Bosnië en Herzegovina. Maar dan heb je wel een probleem met je nationale hymne, die tenslotte bedoeld is om de gehele bevolking te verenigen onder één melodie en een aantal zingbare verzen – in het geval van het WK meebrulbare verzen die de eigen strijders aanmoedigen en de tegenstanders angst aanjagen.

Zou je hieruit kunnen afleiden dat het makkelijker is om een land te verenigen onder instrumentale muziek dan onder een tekst? Zijn melodie en ritme meer verbindend en minder verdelend dan woorden? Wie op zoek gaat naar de antwoorden op die vragen komt uit bij een lange reeks wetenschappelijke bronnen. Musicologen, filosofen, esthetici en breinwetenschappers hebben zich allemaal over de verhouding tussen tekst en muziek gebogen. Omdat de gehanteerde terminologie mij al snel deed duizelen, wendde ik me tot mijn eigen ervaring en intuïtie – vaak de beste of in elk geval de kortste weg naar een antwoord.

Die intuïtie vertelde me dat instrumentale muziek inderdaad eerder zorgt voor eenheid dan liederen mét tekst. Niet elke soort muziek spreekt weliswaar iedereen aan – zo heb je bijvoorbeeld uitgesproken opera- en operetteminnaars en -haters, net als bij de genres metal, elektronisch, country en folk. Maar toch, je laat je doorgaans gemakkelijker meevoeren door een melodie en een ritme; aan een tekst kun je op de een of andere manier irritant blijven haken.

Herinner je je bijvoorbeeld nog de commotie over de tekst van het officiële Koningslied ter ere van de inhuldiging van kroonprins Willem-Alexander in 2013, onder meer over de frase ‘de dag die je wist dat zou komen’? En daar ging het alleen nog maar om de grammatica of stijl van de tekst, niet eens over de inhoud. Vergelijkbaar is de storende stijlbreuk van het woord ‘oogcontact’ in het lied Stil in Mij (1994) van Van Dik Hout – in elk geval in mijn oren. En in Polle Eduards Ik wil jou (1978) zit de zin ‘Ja, ze noemen mij een ruige donder’ identificatie met de ik-figuur toch wel behoorlijk in de weg.

Misschien komt het verschil tussen muziek en tekst wel het sterkste naar voren bij plechtigheden zoals een nationale herdenking of een uitvaartdienst. Op zo’n moment ervaar ik instrumentale muziek meestal als meer troostend dan liederen met tekst. Instrumentale muziek is volledig abstract, gaat rechtstreeks naar je hersenstam of een ander hersengebied waar de ratio niet welkom is. Bij de liedteksten die je hoort ga je met je gedachten toch automatisch zoeken naar de betekenis van de woorden. En dat leidt af.

Terug naar de volksliederen. Zullen we ooit zien dat de voetbalteams van Spanje, San Marino, Kosovo en Bosnië en Herzegovina hun volkslied zingen in plaats van de kaken bijna onnatuurlijk op elkaar houden? Ik moet denken aan onze eigen nationale hymne, met de onverwoestbare en nauwelijks nog te bevatten regels ‘Wilhelmus van Nassauwe, ben ik van Duitschen bloed, Mijn vaderland getrouwe ben ik tot in den dood’. Misschien moeten de instrumentale volksliederen van die vier Europese landen teksten krijgen die even ongrijpbaar zijn als het Wilhelmus. Zodat niemand zich eraan kan storen. Voordat het zover is, wens ik je komende zondag in de WK-finale in elk geval nog één keer veel plezier met de woordloze Spaanse hymne – en hun weergaloze voetbalprestaties!

Albumverjaardag ◉ Joan Armatrading

Ik moet een jaar of 14 zijn geweest toen ik Down To Zero voor het eerst hoorde. Ik weet wel dat ik meteen verkocht was. Het nummer van Joan Armatrading bestond uit gelijke delen folk en soul – toen al mijn favoriete muziekgenres – en ik werd getroffen door die bijzondere donker klinkende stem, die zo raak verwoordde hoe je je op sommige momenten opeens tot nul gereduceerd kunt voelen. Een even afschuwelijk als herkenbaar gevoel.

Down To Zero is de openingstrack van Joan Armatradings titelloze derde studioalbum, deze maand precies een halve eeuw oud. (Dat ik het nummer vorige week niet noemde is een onvergeeflijke en onbegrijpelijke omissie, waarvoor ik graag vergeving vraag.) Een mooie aanleiding om de plaat met nieuwe – of eigenlijk oude – oren te beluisteren, op zoek naar wat hem zo waardevol maakt.

Naast de titeltrack waren Save Me, Love & Affection en Tall in the Saddle destijds mijn favorieten, weet ik nog. Gevoelige ballads met precies de juiste (zang)accenten om ze bite te geven. Nog steeds geniet ik hiervan, maar mijn aandacht wordt nu vooral getrokken door de meer funky tracks, zoals Join the Boys, Water With the Wine en People. Wat een vette grooves. Het album ljkt hier een bijna een tegenhanger van Stevie Wonders Songs in the Key of Life uit datzelfde jaar, met Armatradings akoestische gitaar op de plek van Wonders toetsen.

Bijzonder en uniek zijn bij Joan Armatrading ook haar teksten. Op papier lijken ze bijna betekenisloos en ook tamelijk onpoëtisch. Maar als je luistert naar hoe ze op de muziek staan hoor je in een keer de diepte, de soul, je snapt waarom alleen dat woord op die plek kan staan. En zo neemt ze je onweerstaanbaar mee in emoties als teleurstelling, verliefdheid, melancholie en verwondering.

Joan Armatrading heeft een bijzondere waarderingsgeschiedenis. Bij verschijnen werd het album volop geroemd en figureerde het hoog op de jaarlijsten van bijvoorbeeld de Britse magazines NME en Sounds. En ook het aantal ‘sterren’ van bepalende onlinemagazines liegt er niet om. Bovendien noemde producer Glyn Johns, die ook werkte met artiesten als The Rolling Stones, the Eagles en The Beatles, dit het beste album waaraan hij ooit had bijgedragen.

Toch komt Joan Armatrading nauwelijks voor in Top 100’s of 200’s van Beste Albums Aller Tijden die in de loop der tijd door gezaghebbende poppublicaties werden samengesteld, met uitzondering van Robert Dimery’s 1001 Albums You Must Hear Before You Die. Hoe dat komt? Mogelijk vanwege de bescheidenheid van de singer-songwriter zelf. Armatrading (Saint Kitts and Nevis, 1950) hield haar privéleven altijd zorgvuldig buiten de schijnwerpers en wilde alleen haar muziek laten spreken.

Mogelijk stond ook Armatradings veelzijdigheid canonisering in de weg. Ze startte met folkachtige pop, verbreedde naar soul, reggae en r&b, experimenteerde met synthesizers en gitaar-noise, was niet op een bepaald genre vast te pinnen. Zo word je nooit de wegbereider voor een nieuw genre voor (vrouwelijke, zwarte) singer-songwriters. Armatrading bleef tot op de dag van vandaag een eigenzinnige artiest die alleen naar haar eigen muze luistert. Check her out.

De beste openingstrack

Een popact met een nieuw album heeft veel concurrentie. Van andere artiesten, van andere leuke tijdsbestedingen. Het is dus zaak om de luisteraar meteen bij de lurven te pakken met een sterke openingstrack. Een lied dat hem of haar meteen de rest van het album in trekt en er tegelijkertijd een voorafschaduwing van is. Dat lijkt een moeilijke opgave, maar op mijn zoektocht naar de beste opener stuit ik al snel op een behoorlijke waslijst van goeie nummers die aan de criteria voldoen.

Wat denk je bijvoorbeeld van Purple Haze (Jimi Hendrix, Are You Experienced?). Call Me the Breeze (J.J. Cale, Naturally). Five Years (David Bowie, Ziggy Stardust and the Spiders from Mars). Chuck E’s in Love (Rickie Lee Jones). Refugee (Tom Petty & the Heartbreakers, Damn the Torpedoes). Rehab (Amy Winehouse, Back to Black). Meteen al een aardig lijstje, en bovendien gemakkelijk uit te breiden. Om het zoekgebied af te bakenen bepaal ik dat de beste openingstrack ook een nieuwe fase in de muziek van een artiest moet introduceren, zijn of haar programma moet laten horen. Welke liedjes en albums blijven dan over?

The Beatles hadden vanaf 1963 in razend tempo de wereld veroverd met hun innovatieve beatmuziek. Na Rubber Soul (1965) en Revolver (1966) moest er een nog grotere stap volgen: Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band. De albumtiteltrack kondigt niet alleen liedjes als With a Little Help From My Friends, She’s Leaving Home en Lucy in the Sky with Diamonds aan. Met de circus-achtige introductie van een fictieve band van de officier namen de Fab Four tegelijkertijd virtueel afscheid van hun oude zelf.

Aan de overkant van de oceaan werd Brian Wilson van The Beach Boys geïnspireerd en uitgedaagd door de band uit Liverpool, met name door Rubber Soul. Bijna in zijn eentje produceerde Wilson het meesterwerk Pet Sounds (1966). Bijzondere melodieën, harmonieën, instrumenten en teksten kwamen samen in complex gearrangeerde popliedjes zoals ze nooit eerder in de popmuziek te horen waren. En het eerste wat de luisteraar daarvan meekreeg, was de onweerstaanbare uitnodiging Wouldn’t It Be Nice.

Maar ook dit lijstje laat zich zonder veel moeite aanvullen. Bijvoorbeeld met What’s Going On van Marvin Gaye uit 1971: hier klonk een nieuwe Marvin, een soulman die zich in losmaakte van de supercommerciële Motown-baas Berry Gordy. Of met London Calling, de opener van de gelijknamige lp van The Clash uit 1979, waarmee de band hun punksound 300% vergrootte naar de rest van de muziekwereld. Of denk aan Running Up That Hill van Kate Bush’ Hounds of Love, waarmee de Britse singer-songwriter zichzelf in 1985 opnieuw uitvond.

Om echt de onverbiddelijk beste openingstrack te kiezen moet de song daarom niet alleen wervend, representatief en programmatisch zijn voor de artiest of band, maar moet hij ook een nieuwe weg in het poplandschap openbaren, er liefst zelfs als een herkenningspunt voor een hele generatie bovenuit steken. Waar is die track te vinden?

Op het album Nevermind van Nirvana uit 1991. Op Smells Like Teen Spirit van Nirvana. Wat een nummer om een album mee te openen. Eerst die felle riff van een enkele kale gitaar, dan een vette distorted tweede gitaar eroverheen, dan een vreemd liggend akkoord, een schorre bezwerende stem vanuit de diepte, een afwachtende bridge en dan uiteindelijk die geschreeuwde ontlading in het refrein: “With the lights out, it’s less dangerous / Here we are now, entertain us / I feel stupid and contagious / Here we are now, entertain us.”

De single, het album, de band en het bijbehorende rockgenre grunge waren in één keer overal. En ze drukten een stempel op de hele jaren 90. Smells Like Teen Spirit is een anthem voor het decennium. Geen lied drukte de woede, de verlatenheid, de vervreemding van een generatie beter uit. De positie op dit iconische album kon niet beter gekozen zijn.

Jon Dee Graham

Foto van singer-songwriter Jon Dee Graham

Breedgeschouderd, gruizige stem, felle lichtblauwe ogen die wat van de wereld hebben gezien. Een kop die stormen heeft doorstaan. Zo zag ik Jon Dee Graham in 2001 voor het eerst, tijdens zijn optreden op Blue Highways, het jaarlijkse americanafestival dat tussen 2000 en 2011 plaatsvond in Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht.

Ondersteund door drie begeleiders zong Graham over demonen, eenzaamheid, eeuwige onrust. Bijvoorbeeld in Way Down in the Hole. En over de liefde, dat ook. Met een tederheid die in tegenspraak leek met zijn stem en voorkomen. Een kwetsbare natuurkracht, die indruk kreeg ik destijds in de kleine zaal van Vredenburg.

Een jaar of zes later zag ik hem opnieuw. Een bezield optreden in de roemruchte Continental Club in zijn thuisstad Austin, Texas. Op een steenworp afstand van zijn huis. Het was het moment waarop ik me realiseerde dat de vele Amerikaanse artiesten die ik op Nederlandse podia had bewonderd zich bij ons altijd lichtelijk ontheemd moeten hebben gevoeld. En het was een buitenkans om Graham daar in zijn eigen habitat te aanschouwen.

Een van de liedjes die Graham in de Continental Club presenteerde, was een destijds nieuw nummer getiteld Burning Off the Cane. Over het ongrijpbare gevoel aan het eind van de zomer wanneer boeren voor de oogst het suikerriet in brand steken. Hij vertelde hoe het hem jaren had gekost om de sfeer van die dagen te vangen. Het lied zou terechtkomen op zijn album Swept Away (2008). Het tekent het perfectionisme van Graham als liedjesschrijver, zijn obsessie om in een paar goedgekozen woorden een heel verhaal te vertellen.

Graham begon als een soort punker, met The Skunks. Met rootsmuzikant Alejandro Escovedo vormde hij eind jaren 80 de band True Believers, die een kleine schare diehard fans opbouwde. Daarna werkte hij onder meer met John Hiatt en Patty Griffin en ontwikkelde hij in de jaren 90 zijn eigen mix van rock, blues en americana, met zijn karakteristieke, Tom Waits-achtige, stemgeluid.

Op 27 maart jl. overleed Graham, na een val, 67 jaar oud pas. Zijn laatste jaren stonden deels in het teken van gezondheidsproblemen. In 2023 zette hij die om in een vitaal album met de geweldige titel Only Dead For A Little While. Een sterke plaat met tien liedjes over leven, liefde en dood – liedjes waarin de singer-songwriter nergens omheen draait.

Jon Dee Graham raakte me. Zijn liedjes, zijn persoon. Hoe hij op het podium stond, hoe hij frank en vrij de zaal in keek. Zijn wrange humor, zijn gulheid ook. Het nummer 100 $ Bill begint met de zinnen ‘I broke a hundred dollar bill for two tickets on the bus to the hills. Well my boy stood up from his seat, he said, “I have never seen Christmas lights like these”’. Een van de sterkste en tederste vader-zoonliedjes die ik ken. Ik mis Jon Dee. Hij is bij ons.