
Een paar weken geleden ging ik op zoek naar ‘de sterkste albumopener aller tijden’. Het liep uit op een mooi lijstje, waarbij ik de lat steeds hoger moest leggen om uiteindelijk tot een keuze te komen. Tijdens die speurtocht viel me op dat er ook een boel topplaten zijn zonder zo’n topopener. Soms begint zo’n album zelfs met een lied dat fans en critici maar weinig kan bekoren.
Een paar voorbeelden. Queen opent haar album Jazz (1978) met het allesbehalve representatieve Mustapha, met zijn Midden-Oosterse invloeden. Woodface (1991) van Crowded House begint met Chocolate Cake, een sarcastisch nummer dat sterk contrasteert met de melodieuze en meeslepende liedjes die volgen. R.E.M. oogstte in datzelfde jaar onbegrip met openingstrack Radio Song van Out of Time vanwege de rap van gastmuzikant KRS-One en de blikkerige geluidseffecten.
Bob Dylan was de artiest die in dit opzicht de zwaarste kritiek mocht ontvangen. Op zijn klassieke album Blonde on Blonde (1966) nog wel. Weinigen begrepen waarom het in hun ogen flauwe en rommelige Rainy Day Women #12 & 35 de introductie vormde voor een verder uiterst consistent album met topnummers als Visions of Johanna, I Want You, Just Like a Woman en Sad Eyed Lady of the Lowlands.
Ik vraag me af wat de oorzaak kan zijn van zo’n mismatch tussen de keuze van de artiest/producer/platenmaatschappij en de ontvangst bij fans en recensenten. Hebben de makers een verkeerde inschatting gemaakt of wilden ze luisteraars bewust op het verkeerde been te zetten, bijvoorbeeld om hun artistieke vrijheid te benadrukken? Of waren er andere redenen?
Een algemeen antwoord is moeilijk te geven. Vooral omdat er weinig informatie te vinden is over het proces waarin artiesten, producers en platenmaatschappijen de liedvolgorde (ook wel: sequencing) op hun albums bepalen. (Bedenk hierbij dat er bij een album met 10 tracks in principe 3.628.800 volgordes mogelijk zijn, dus het is misschien fijn dat je niet het hele proces hoeft te volgen.) Wat uit interviews en boeken wel duidelijk wordt, is dat de liedvolgorde meestal pas laat in het opnameproces wordt bepaald, nadat de opnames, de mix en de liedselectie allemaal zijn afgerond. In het geval van Blonde on Blonde betekende dat waarschijnlijk dat Rainy Day Women #12 & 35 als binnenkomer werd gekozen omdat het als single al in de hitlijsten had gestaan.
Bij andere platen zou je kunnen denken aan een andere logische strategie: geef je mooiste schatten niet meteen prijs, maar werk langzaam toe naar een dramatisch hoogtepunt, net als bijvoorbeeld in een tragedie of epos. Mogelijk was dat het idee van Gerry Rafferty, die op City to City prijsnummers Baker Street, Right Down the Line, Stealing Time, City to City en Whatever’s Written in Your Heart voor later op het album bewaarde en opende met het langzame The Ark.
Ik vermoed dat J.J. Cale zijn 3e studioalbum Okie om een vergelijkbare reden liet starten met het rustige en weinig opzienbarende Crying. Opvallend, want de man uit Tulsa, Oklahoma was vermaard om zijn keuze van sterke openingstracks – denk aan Call Me the Breeze op Naturally en Lies op Really. Cale zal zich bij Okie helemaal geen zorgen hebben gemaakt om het vasthouden van luisteraars. Hij wilde ze waarschijnlijk eerder langzaam laten wennen aan de ongekende kwaliteit van wat zou volgen: nummers als Rock and Roll Records, Cajun Moon, I Got the Same Old Blues, Everlovin’ Woman en nog veel meer. Hij wilde zijn fans gewoon niet aan het schrikken maken. Ook best een slimme strategie.
Als eigentijdse muziekluisteraar ben je vooral een zapper. Als het huidige liedje niet bevalt ga je naar het volgende, hoppend van de ene artiest naar de andere, door de genres heen. Een uitstekende manier om je beperkte luistertijd efficiënt te besteden – maar persoonlijk dompel ik me liever voor langere tijd onder in één soort muziek. Door naar een heel album (!) te luisteren of, liever nog, me een aantal dagen achter elkaar (!!) onder te dompelen in het oeuvre van een bepaalde groep of artiest – mits dat natuurlijk sterk en interessant genoeg is.
Vaak gaat het dan om een artiest die in de loop van de tijd uit mijn playlist was verdwenen en door een of andere aanleiding weer op mijn pad komt. Zo verdiepte ik me een tijdje geleden in Van Morrisons album Keep Me Singing (2016) – om vervolgens weer dagenlang door Ierland te dwalen met Van the Man en zijn vroege meesterwerken Astral Weeks, Moondance en Veedon Fleece.
En zo was ik de afgelopen week bijna steeds diep into R.E.M., nu naar aanleiding van
De duik in de wereld van Michael Stipe c.s. leverde onverwachte indrukken op. De indieband uit Georgia fungeerde in de media vooral als onderwerp van een muziekpolitieke discussie (‘is R.E.M. niet te commercieel geworden?’) of als wegbereider voor bands als Nirvana en Pearl Jam. Maar wie anno 2018 gewoon naar ze gaat luisteren, wordt getroffen door de ontzettend sterke liedjes en het tijdloze karakter van hun eigenzinnige mix van sixties folkrock en seventies/eighties new wave.
Neem bijvoorbeeld
Tijdens mijn duiktocht dacht ik terug aan R.E.M.’s optreden op Pinkpop 1989 – hoog in mijn persoonlijke Concert-Top 10 – waar frontman Stipe fungeerde als Sjamaan, Voorganger en Martelaar ineen. Halverwege de meeslepende set scheurde hij zijn shirt kapot, en waar zoiets bij andere acts aanstellerig zou overkomen, was het daar op het podium in Landgraaf volkomen geloofwaardig. Rock-‘n-roll doet ertoe, dat was het effect. En datzelfde gevoel had ik vandaag toen ik weer uit het water kwam en mijn veren uitschudde.