jazz

Uit m’n bubbel – jazz

luchtbelAls je de tijdgeest mag geloven zijn weinig dingen slechter voor je gezondheid dan in je eigen bubbel blijven. De comfort zone is zogezegd het nieuwe roken. Daarom verliet ik een tijdje geleden mijn met alt.country en oude soul gevulde luchtbel voor een duik in de dance (EDM) – om daarna weer heel snel in m’n bubbel terug te keren. Ditmaal was de jazz aan de beurt.

New Orleans Jazz & Heritage FestivalEr zijn genoeg redenen om me in jazz te verdiepen. De allerbelangrijkste is wel dat het genre ontstond in de City of Sin, ook wel The Big Easy, The Crescent City of gewoon New Orleans genoemd, en wat daar aan funky en groovy klanken uit te voorschijn komt vind ik vaak simpelweg het einde. Bovendien staat jazz aan de basis van de rock-‘n-roll en dus van zo’n beetje alles dat de moeite waard is in het leven.

ErasmusbrugDe rock-‘n-roll en de jazz verloren elkaar gek genoeg al vrij vroeg en ook vrij langdurig uit het oog. De eerste werd almaar commerciëler, de tweede steeds ingewikkelder. Gelukkig zijn de twee tegenwoordig weer min of meer on speaking terms, zodat mij als bubbel-verlater diverse bruggetjes te beschikking staan. Ik heb het dan overigens niet over de folkjazz van Astral Weeks (Van Morrison) of Mingus (Joni Mitchell) en ook niet over de latin-jazz of salsa van Tito Puente en Eddie Palmieri. Hoe fantastisch ook, die muziek zit al in mijn bubbel: het gaat me nu om de instrumentale geïmproviseerde muziek die vanuit de jazz naar de popmuziek reikt.

399px-Miles_Davis_22Zoals veel van het werk van Miles Davis (1926-1991). De trompettist-componist was in de jaren 40 en 50 niet alleen Mr. Cool 3.0, maar in 1959 produceerde hij ook het uiterst toegankelijke Kind of Blue, het best verkochte jazzalbum uit de geschiedenis. Miles houdt me niet op het puntje van mijn stoel door de noten die hij speelt maar door wat hij weglaat.

John ScofieldIemand die in de jaren 80 met Miles speelde en tot op de dag van vandaag actief is op de podia en in de studio, is gitarist John Scofield (1951). Scofield kan heel veel op zijn instrument, maar hij hoeft het allemaal niet zo nodig te showen. Ik laat zijn melodieuze licks graag net zolang om mijn oren buitelen tot ik een grote dikke vette grijns op m’n gezicht heb.

Benjamin HermanIn eigen land is saxofonist-bandleider Benjamin Herman (1968) zo’n stijlvolle bruggenbouwer. De in Londen geboren Amsterdammer swingt en groeft al 25 jaar op eclectische wijze met zijn New Cool Collective, en ter ere van zijn vijftigste verjaardag kwam hij recentelijk met maar liefst drie gloednieuwe albums tegelijk. Met Project S produceert hij een soort loungemuziek waarbij je kunt relaxen zonder in slaap te vallen. Een beetje als yoga maar dan anders.

Eric VloeimansEric Vloeimans (1963) is ook niet vies van een potje genrevervaging. Zijn formatie Gatecrash klinkt een stuk aangenamer dan je op grond van de naam zou verwachten. Doe je ogen dicht bij de klanken van de klassiek geschoolde trompettist en hele films spelen zich op je innerlijke doek af. Bij jou misschien romcoms of thrillers, bij mij vooral roadmovies met louterende ontmoetingen.

Amersfoort JazzAl met al valt de boze buitenwereld van de jazz dus best  mee. Komend weekend blijf ik er nog even in vertoeven tijdens Amersfoort Jazz. Op het driedaagse festival is genoeg te vinden voor de popfan die wel eens wat anders wil. Check it out!

 

 

Albumverjaardag: ‘Court & Spark’ van Joni Mitchell

vuurwerkHet jaar is nauwelijks begonnen, de lucht hangt nog vol kruitdampen en oliebollenwalm. Men wrijft zich in de ogen, verwenst de champagne en vraagt zich af hoe lang de goede voornemens goed zullen blijven. Dit moet ook ongeveer de situatie zijn geweest toen Court & Spark van Joni Mitchell op 1 januari 1974 op de wereld werd gezet.

big-yellow-taxiDe Canadese singer-songwriter was eind jaren 60 neergestreken aan de westkust van de VS. Met haar intrigerende melodieën en persoonlijke teksten maakte ze in het flowerpowertijdperk snel furore, scoorde zelfs hitsingles als ‘You Turn Me On, I’m a Radio’ en Big Yellow Taxi, Mitchells bekende milieuprotestsong.

1974_joni_mitchellTussen 1968 en 1972 produceerde Mitchell (1943) elk jaar een album, met toenemend commercieel en artistiek succes. In 1973 besluit ze het aantal optredens echter drastisch terug te brengen en besteedt ze een groot deel van haar tijd in de studio. Wat ze daar allemaal doet wordt aan de startstreep van 1974 duidelijk.

hoes-court-sparkOp Court & Spark is Mitchells vertrouwde sobere folksound van zang, akoestische gitaar en piano verrijkt met drums, bas en elektrische gitaar, aangevuld met blazers, percussie, fluiten en strijkers. Gerenommeerde sessiemuzikanten als Larry Carlton en Joe Sample verlenen hun diensten, en het meest opvallend zijn de jazzinvloeden die de muziek doordesemen.

trein-door-landschapElk liedje op dit album lijkt je mee te nemen op een grillige trip met onbekende bestemming. Met verbazing lees je op de hoes dat de nummers meestal maar zo’n drie minuten duren. Als een vakantie van twee weken die voor je gevoel een half jaar heeft geduurd. Luister maar eens naar de titeltrack.

single-help-meNet als Blue van drie jaar eerder bevat Court & Spark bijna louter hoogtepunten, maar de toon is lichter, met onder meer het poppy ‘Help Me’ en het jazzy ‘Raised On Robbery’, beide op single uitgebracht. Het absolute prijsnummer is voor mij Down To You, zo melancholiek en troostrijk als je het in de popmuziek maar kunt vinden.

330px-joni_mitchell_1975Van alle jazzfolkplaten die Mitchell zou maken, is Court & Spark me het dierbaarst, mogelijk omdat de spanning tussen de strenge ambachtelijkheid van folk- en popsongs en de muzikale vrijheid van de jazz hier maximaal is. Het is daarmee ook een gedurfde plaat. Joni Mitchell stond met haar ene been nog in de popwereld met zijn strakke regels, met het andere stapte ze zelfbewust de vrijheid in. De releasedatum moet symbolisch bedoeld zijn. Moge Court & Spark nu, 43 jaar later, een inspiratie zijn voor ons in 2017.

 

Een rokerige nachtclub in de jaren ’30

ML&TLBHJe stapt over de drempel van een nachtclub in de jaren dertig. Achter in het etablissement, door de rookslierten heen, ontwaar je op het krappe podium een swingende ragtime-band. Al snel raak je in de ban van de stoere, sexy zangeres achter de microfoon. Dit is ongeveer wat je overkomt als je luistert naar Meschiya Lake & The Little Big Horns.

Meschiya Lake live.jpgEen paar jaar geleden hoorde en zag ik de neo-traditionele band uit New Orleans voor het eerst, op het festival Take Root in Groningen. Met een retestrakke tuba in plaats van de contrabas of basgitaar brachten de vijf mannen en een vrouw het oude jazz-, ragtime- en bluesmateriaal volkomen overtuigend naar de 21e eeuw. Zangeres Meschiyah (spreek uit: Mà-sjie-ja) Lake maakte zowel indruk door haar verschijning als haar stem. Met haar rijkelijk getatoeëerde armen en torso past ze helemaal in het beeld van de vrouw die haar carrière begon als vuurspuwer en glaseter in een circus.

meschiyalakeandthelittle2De band debuteerde in 2012 met Lucky Devil, een jaar later gevolgd door Foolers Gold. Na deze twee albums volgde een uitgebreide tournee over de wereld, en nu is er een nieuw album, Bad Kids Club: misschien een tikkeltje moderner en gevarieerder dan de voorgangers, maar verder is er weinig veranderd. En dat is maar goed ook.

ML&TLBH picknickLekker smerig klinkt Lake’s stem in Brand New Funk. Weemoedig als Billie Holliday in Hey Marry Wanna en Woman Seeking Man. Uitdagend in het aloude ‘Lectric Chair Blues van Blind Lemon Jefferson. En de trombones, saxofoons, klarinetten en trompetten buitelen ouderwets als jonge honden over elkaar heen.

ML&TLBH tuba.pngDe drie albums zijn, vooral als je je versterker een beetje opendraait, heerlijke opwarmers voor de plek waar mevrouw Lake & De Kleine Grote Hoorns volledig tot hun recht komen: op het podium. En dat komt goed uit. Tussen 5 en 13 mei kun je op diverse plekken in ons land, bijvoorbeeld in TivoliVredenburg en Paradiso, een tijdreis maken naar een rokerige jazzclub in The Big Easy. Check ‘em out.

Ontdekkingen (2)

hoofddekselsEigenlijk zou ik bloggen over een nieuwe veelbelovende vorm van ‘muziektherapie’, maar ik werd afgeleid door eerst de tv en toen door mijn agenda. Daarom een verhaal over twee ontdekkingen van de afgelopen jaren: mannen van dezelfde generatie, met herkenbare hoofddeksels, die allebei de jazz diep in het grote hart dragen.

tvOp tv bij Nieuwsuur zag ik Remco Campert een van zijn gedichten voordragen, onder muzikale begeleiding van de saxofonist met bril en hoedje die het afgelopen decennium zo veel heeft bijgedragen aan het vaderlandse jazzklimaat: Benjamin Herman. En in m’n agenda, zag ik blij verrast, staat voor volgende week een andere muzikale held op mijn programma: de man met de zwarte helm-muts-pet die je hart doet smelten met zijn fluwelen stem: Gregory Porter.

Benjamin Herman van links opzijAltsaxofonist en bandleider Benjamin Herman (Londen, 1968), in 2008 trouwens uitgeroepen tot Nederlands Best Geklede Man, blaast niet alleen prachtige melodieuze solo’s, je komt hem ook op allerlei plekken in verschillende bands tegen. Een overal waar je hem ziet, straalt hij een ongelooflijk coole jaloersmakende welwillendheid en klasse uit. Met zijn eigen combo en met zijn werk voor Typhoon of Remco Campert. Of met zijn New Cool Collective natuurlijk, die energieke fusiongroep die je van je sokken blaast met een mix van funk, afro, be-bop en balkan. Daarbij: als ik zijn ontwapenend-stuiterend-stotterende aankondigingen hoor, komt er vanzelf een brede grijns op m’n gezicht, daar kan ik niets aan doen. #happy

Gregory PorterAls een soort reusachtige teddybeer, zo staat Gregory Porter (Los Angeles, 1971) op het podium. Onder dat hoofddeksel schijnt een geheim schuil te gaan, de man praat er niet over, laten we het maar vergeten, het is gewoon een handelsmerk. Maar die stem, dat is zijn echte handelsmerk. Ik zag eens een filmpje waarop de Amerikaanse souljazz-zanger het beroemde ‘You Send Me’ van Sam Cooke coverde. Bij andere uitvoeringen van die klassieker denk je: mooi gedaan hoor, maar geef mij toch maar Sam. Niet dus bij Gregory. Aanstaande donderdag 8 oktober mag ik hem zien optreden in Tivoli in Utrecht. #geluksvogel

Beide mannen mag je eigenlijk niet te missen. Dat hoeft ook niet, ze zijn niet ver weg en ze houden van optreden. Dus ik zou zeggen: check ‘em out!

 

 

Albumverjaardag – The Nightfly van Donald Fagen

Donald Fagen hoes The NightflyVandaag is het precies 32 jaar geleden dat Donald Fagens The Nightfly verscheen. Destijds, in 1982, waren de meningen over het eerste soloalbum van de zanger-toetsenist van Steely Dan nogal verdeeld. Die van mijzelf trouwens ook, herinner ik me: ‘mooi, maar veel te glad’ – in dat soort categorieën dacht ik als 19-jarige. Het album bleef in de schaduw hangen van erkende Steely Dan-klassiekers als Aja (1977) en Gaucho (1980). Ten onrechte. Want The Nightfly is zo’n plaat die elk jaar mooier wordt.

The Nightfly is een conceptalbum in de beste betekenis van dat beladen woord: een verzameling liedjes die één thema speels en van verschillende kanten benadert. In een krappe 39 minuten brengt Donald Fagen (Passaic, New Jersey, 1948) een hele verdwenen wereld tot leven: die van een Amerikaanse tiener die eind jaren ’50 gegrepen wordt door de (jazz)muziek, de beat-poets en het verlangen naar het spannende leven dat hem over een paar jaar te wachten staat. Ook de muziek op het album ademt helemaal de sfeer van die tijd, bijvoorbeeld het swingende Ruby Baby (een cover van Leiber en Stoller), het jazzy ‘Walk Between the Raindrops’ en ‘Maxine’, met zijn vijfstemmige zangpartijen. Ondertussen is de digitale productie van begin jaren ’80 strak en modern – anno 2014 klinkt de plaat nog steeds fris en lekker.

IgylogoI.G.Y. is het bekendste nummer. Dit International Geophysical Year is niet verzonnen; dit was een internationaal wetenschappelijk project uit 1957-1958 dat beoogde de wereld te verbeteren door middel van de techniek. Met de ontnuchterende kennis van de voorafgaande 25 jaar kijkt de zanger in dit nummer terug op dat naïeve optimisme. Maar niet cynisch. De volwassen Fagen veroordeelt zijn jeugdige alter ego niet. Dat het mooie van The Nightfly: nostalgie en ironie houden elkaar perfect in evenwicht.

Donald Fagen als jonge jongenHet is waarschijnlijk ook Donald Fagens meest persoonlijke album. Bij Steely Dan verschansten hij en zijn muzikale partner Walter Becker zich achter een façade van cryptische songteksten en schimmige antwoorden in interviews. In de liner notes van The Nightfly schrijft Fagen echter dat de liedjes een weergave zijn van ‘certain fantasies that might have been entertained by a young man growing up in the remote suburbs of a northeastern city during the late fifties and early sixties, i.e., one of my general height, weight and build’. Voor Fagens doen ongehoord expliciet.

Donald Fagen nuNa The Nightfly maakte Fagen nog drie soloalbums: Kamakiriad (1993), Morph the Cat (2006) en Sunken Condo’s (2012). Stuk voor stuk geweldige platen, luister/kijk maar eens naar Wheather in My Head. Maar toch, geen daarvan haalt het voor mij bij zijn eersteling. Soms lijkt het of de zanger zich na The Nightfly liever weer terugtrok in zijn comfort zone. Jammer, maar bij nader inzien volkomen logisch. Zo’n album maak je maar eens in je leven.

Meer weten? Lees dit boeiende Engelstalige artikel uit 2007 naar aanleiding van de jubileumeditie van The Nightfly.

Catherine Russell – Check her out

catherine russell 3“You better not knock on my door at night / Better keep your mouth shut good and tight / ‘Cause my man’s an undertaker / He’s got a coffin just your size.” Dat is nog eens een binnenkomer. Ik hoorde die zinnen voor het eerst in 2006 uit de mond van een voor mij totaal onbekende zangeres: Catherine Russell, op haar solodebuut Cat.

Daarvóór had Russell (1956) overigens al een respectabele staat van dienst opgebouwd als achtergrondzangeres bij onder meer Steely Dan, Paul Simon en David Bowie. Bovendien stamt ze uit zogeheten jazz-adel: vader Luis was bandleider bij Louis Armstrong, moeder Carline Ray was een bekend bassiste en zangeres.

Catherine Russell is zo’n type dat graaft in het verleden om het heden te verrijken. Op de vijf platen die ze tot dusver opnam, zingt ze bijna vergeten nummers uit de jaren ‘20 tot en met ‘50. Muziek die tussen de jazz en blues in hangt, van artiesten als Esther Phillips (‘What a Diff’rence a Day Makes’), Cleo Patra Brown (‘de vrouwelijke Fats Waller’) en Little Willie John (‘Need Your Love So Bad’, ‘Fever’). Nummers met een verhaal, en altijd met een fijne hook.

Aangestoken door Cat ging ik in 2012 naar het Bimhuis in Amsterdam om Russell in levenden lijve te zien optreden. Op hetcatherine russell podium bleek ze niet alleen de prima zangeres met de goedgekozen liedjes die ik van haar platen kende. Ze was een belevenis. Niet diva-achtig, maar gewoon als vrouw van vlees en bloed, gezegend met een geweldige stem.

Met die krachtige, veelzijdige stem gaf Russell elk nummer precies wat het nodig had. De ene keer uitdagend en sensueel, dan weer smekend, smalend, grappig, ontroerend of ontwapenend  – en ook nog eens alsof het allemaal vanzelf gaat. Soms kon je een speld horen vallen, op andere momenten klonken lachsalvo’s op. Een zaal vol mensen aan het touwtje van Russells stem.

Check her out op YouTube. Bijvoorbeeld het melancholieke Sad Lover’s Blues, het dubbelzinnige Kitchen Man of het funky Luci. Catherine Russell is een buitengewone zangeres. Iemand die je serieus neemt als ze je waarschuwt voor haar man en de doodskist die speciaal voor jou klaarstaat.