popmuziekblog

Gerechtigheid

Af en toe ontwaakt in mij een koene ridder die onversaagd en onbaatzuchtig opkomt voor de verdrukten der aarde. Meestal gaat het dan om ondergewaardeerde artiesten of platen. Daarbij bevind ik mij als 21e-eeuwse Robin Hood in goed gezelschap: in de popjournalistiek zijn zulke rechtvaardigheidscampagnes een genre op zichzelf geworden.

Zo heb je om te beginnen het fenomeen van het Vergeten Meesterwerk: een plaat dat om onbegrijpelijke redenen uit beeld is geraakt. Denk aan Tunnel of Love van Bruce Springsteen of Who Are You van The Who – doen ze een belletje rinkelen? Daarnaast zijn er de Icoon-Rehabilitatie-acties: een artiest die ooit door de hele popwereld werd omarmd maar daarna zo werd verguisd dat dit beeld inmiddels weer rechtgezet moet worden. Denk Sting, Mark Knopfler of Phil Collins.

De derde vorm draait om een artiest die tot dusver ten onrechte te onbekend en te onbemind is gebleven en voor wie de popscribent ‘een lans breekt’. Voorbeelden daarvan zijn ex-Byrds Gene Clark (1944-1991) en singer-songwriter Laura Nyro (1947-1997), die postuum meer erkenning kregen dan bij leven.

Maar als de artiest nog leeft kan zo’n campagne natuurlijk een stuk meer impact hebben, zoals bij de Amerikaanse singer-songwriter en multi-instrumentalist Emitt Rhodes (Decatur, Illinois, 1950). Begin jaren 70 bracht Rhodes vier albums uit met inventieve melodieuze folkrock, maar na Farewell to Paradise (1973) leek Rhodes voor altijd afscheid te hebben genomen van de muziekbusiness.

Het lot beschikte anders. In 2001 gebruikte filmregisseur Wes Anderson (Moonrise Kingdom, The Grand Budapest Hotel) een track van Rhodes voor zijn film The Royal Tenenbaums. Acht jaar later maakte de Italiaanse filmmaker Cosimo Messeri een veelgeprezen documentaire over de lotgevallen van de onfortuinlijke singer-songwriter, onder de titel The One Man Beatles. Een jaar later gevolgd door het album Long Time, No See – A Tribute to Emitt Rhodes, waarop verschillende artiesten zijn nummers coveren.

Al die aandacht moet effect hebben gesorteerd, want in 2016 verscheen na een paar single-releases in 2015 eindelijk Rhodes’ eerste volwaardige album in 43 jaar: Rainbow Ends. De verwachtingen van critici en publiek waren door vier decennia radiostilte flink opgeschroefd – en de plaat loste ze nog in ook.

Rainbow Ends klinkt totaal niet hip en had in feite gewoon in de jaren 70 gemaakt kunnen worden, de tijd dat Rhodes optrad in The Troubadour in Los Angeles, de vaste hang-out van de Californische folkrockscene. Maar gek genoeg klinkt de plaat niet ouderwets – dit soort singer-songwriterpop is in de tussentijd kennelijk tijdloos geworden.

Rainbow Ends is een gevarieerde plaat met gevoelige ballads, melodieuze rockers en bluesy popsongs. Rhodes’ stem klinkt verrassend jong voor zijn 65 jaar, de melodieën wedijveren met die van Paul McCartney, zijn teksten zijn direct en persoonlijk. Het is zo’n topplaat waarvan je niet precies kunt zeggen wat hem zo goed maakt, maar die je graag telkens weer opzet.

Ik ben heel blij dat Wes Anderson en Cosimo Messeri begin deze eeuw de koene ridder in zichzelf hebben opgetrommeld. Want vóór 2016 had ik nog nooit van Emitt Rhodes gehoord, en nu kan ik op mijn beurt voor gerechtigheid voor deze onderschatte artiest pleiten: het is werkelijk ónbegrijpelijk dat deze artiest tot dusver zo weinig erkenning heeft gekregen – dus check him out!