2021

3 x toptraditie van eigen bodem

Als er op Goeie Nummers aandacht is voor muziek van landgenoten gaat het meestal om artiesten die in het Nederlands zingen, zoals Spinvis, Daniël Lohues of Eefje de Visser. Misschien is dat logisch omdat de in het Engels zingende landgenoten in mijn hoofd moeten concurreren met zowat de hele popwereld, maar toch zou het zonde zijn om deze artiesten over het hoofd te zien.

Zeker als we kijken naar de sterke soloalbums die Douwe Bob, Bertolf en Anne Soldaat de afgelopen maanden uitbrachten. Drie gevestigde namen, van drie verschillende generaties, die bijna gebroederlijk alle drie komen met nieuwe muziek die zoveel traditie ademt dat je het misschien wel als retro kunt betitelen.

Douwe Bob (Douwe Bob Posthuma, 1992), in 2016 nog de Nederlandse inzending naar het Eurovisie Songfestival met Slow Down, bracht eerder vier platen uit met smaakvolle popliedjes die de invloed van countryrock verraden. Op zijn nieuwe album Born to Win, Born to Lose haalt hij die Amerikaanse muziektradities nog sterker naar voren, aangevuld met een fikse scheut soul en gospel. Wat vooral opvalt, naast de fraaie en persoonlijke liedjes, is Douwe Bobs ijzersterke zang – in dat opzicht staat hij voor mij in ons land op eenzame hoogte. Luister bijvoorbeeld naar Hold On. Ook leuk: in Amsterdam weet hij de plattelandsmuziek van de VS op overtuigende wijze in onze hoofdstad te laten landen.

Bertolf (Bertolf Lentink, 1980) maakte naam als zanger-multi-instrumentalist in talloze samenwerkingsverbanden en produceerde vanaf 2009 al verschillende soloalbums. Bertolf is zo iemand die zingt en speelt alsof het hem allemaal geen enkele moeite kost – en misschien is dat ook zo. Geweldige melodieën en arrangementen, prachtig gespeeld, maar de teksten overtuigden mij niet altijd, waardoor ik me niet helemaal aan zijn muziek kon overgeven. Op Happy In Hindsight, zijn achtste soloalbum, zijn muziek en tekst juist helemaal in evenwicht en word je aangenaam meegesleurd van de ene naar de andere stijl van eind jaren 60 en begin 70. Geniet van de heerlijke titeltrack of de vrolijk huppelende country van Don’t Look Up, Don’t Look Down.

Ook Anne Soldaat (1965) bracht zijn achtste solo-album uit: Facts & Fears. De voormalige zanger-gitarist van Daryll-Ann toerde de afgelopen jaren samen met Yorick van Norden langs theaters met covers van veronachtzaamde liedjes van ‘unsung heroes’ als Emitt Rhodes, Gene Clark en Biff Rose. Het coveren lijkt Soldaat geïnspireerd te hebben om ook in zijn eigen werk op Facts & Fears ruim te putten uit de stijlen van de jaren 60 en 70. De nummers zitten vol met verrassende wendingen en meezingbare melodietjes, en Soldaat geeft zijn gitaar steeds net dat beetje vervorming mee waardoor het lekker gaat rocken. Luister naar het Kinks-achtige You’re Hard to Find of het fraaie I Was Lost.

Betekent het iets dat deze Nederlandse artiesten alle drie voor een ‘retro’-aanpak kiezen? Doen ze mee aan wat popjournalist Simon Reynolds afkeurend ‘onze verslaving aan de popgeschiedenis’ heeft genoemd? Ik weet het niet. Het is waar dat geen van drieën echt iets nieuws aan de genres toevoegt, maar of dat erg is? Het levert in elk geval zeer genietbare muziek op waar het spelplezier vanaf spat – iets waar we in dit lange coronajaar inmiddels wel naar snakken. Bovendien geven zowel Douwe Bob als Bertolf en Anne Soldaat zich in hun teksten op een subtiele manier bloot. Retro? Ik zou zeggen: de mannen geven hun eigen unieke kleur aan de traditie.

Meer goeie nummers van deze artiesten horen? Op de Spotify-playlist van Goeie Nummers vind je de genoemde liedjes plus nog een paar extra.

Popartiest of filosoof?

Hier op Goeie Nummers verbind ik de popmuziek graag af en toe met andere domeinen van het leven. Bijvoorbeeld door te doen alsof popmuziek een sportwedstrijd is, een medicijn, een wetenschapsdiscipline of zelfs een vorm van psychotherapie (en ik hou me aanbevolen voor tips op dit gebied).

Daarom was ik verrast toen ik gisteren in mijn mailbox een bericht aantrof met de kop ‘this is why philosophy should be more like popmusic’. Hier was iemand aan het woord met dezelfde voorliefde als ik, maar dan omgekeerd: zijn/haar eigen ‘vakgebied’, in dit geval de filosofie, vergelijken met de popmuziek.

De mail was afkomstig van The School of Life, de internationale organisatie die ‘mensen helpt om meer voldoening uit het leven te halen met behulp van inzichten uit de filosofie, psychologie en kunsten’. Volgens de afzender heeft de rock-‘n-roll zich vanaf de jaren 50 ontwikkeld van een frivool medium met weinig inhoud tot ‘s werelds belangrijkste medium voor het uitdrukken van ideeën. Om te overleven in het huidige tijdperk zou de oude ‘stoffige’ filosofie net zo aansprekend, toegankelijk en vooral opwindend moeten zijn als de popmuziek.

Ik hou er wel van als mensen zo soepeltjes een eeuw en een paar millennia aan elkaar knopen. Maar ik was ook verrast. Niet omdat de filosofen van The School of Life kennelijk jaloers zijn op de populariteit van de popmuziek – dat zie je bij schrijvers, politici en wetenschappers ook – maar wel omdat ze haar zoveel ideeënrijkdom en maatschappelijke impact toeschrijven.

Heeft de popmuziek inderdaad zo’n grote intellectuele rijkdom als The School of Life suggereert? Ontwikkelen popartiesten inzichten en ideeën die kunnen tippen aan de diepe inzichten van Plato, Wittgenstein, Arendt, Nussbaum en hun collega’s? Dat lijkt me toch iets te veel eer. De gemiddelde popartiest lijkt me, gelet op zijn of haar output, geen al te diepe denker.

Maar ik zou me ook kunnen vergissen. Zie ik popmuzikanten over het hoofd die misschien de uitzondering op de regel vormen? Zijn er wel degelijk artiesten die ons, net als filosofen, scherper doen waarnemen, liedjesschrijvers die de raadselen van het bestaan voor ons weten te duiden of die ons leren nieuwe vragen aan de wereld te stellen?

De eerste die dan bij me opkomt is John Lennon, die nummers schreef als Help!, Working Class Hero en Imagine. Ook de satire van Randy Newman, de introspectie van Joni Mitchell en de literatuur van Bob Dylan hebben filosofische trekken – zij lijken alle drie dieper door te dringen in de werkelijkheid. Maar de meest filosofische onder de popartiesten is voor mij toch de man die de wereld in 1963 in verstomming naar zichzelf liet luisteren met The Sound of Silence: Paul Simon.

Simon (Newark, NJ, 1941) getuigt in zijn liedjes van een niet-aflatende wil om het leven te onderzoeken. Hoewel de toon vaak licht is, schuwt hij existentiële vragen niet. In American Tune (Here Goes Rhymin’ Simon, 1973) plaatst hij de ontheemdheid van zijn goddeloze generatie op de troostrijke koormelodie van Bach uit de Matthäus-Passion. You Can Call Me Al (Graceland, 1986) zet hij de vaak geïroniseerde midlifecrisis zonder schroom in de spotlights. In I Don’t Believe (Surprise, 2006) klopt de sterfelijkheid aan de deur.

Ook als het gaat om aforismen, iets waar je toch vaak een filosoof herkent, staat de Newyorker zijn mannetje. Arthur Schopenhauer had ‘De meest zekere manier om niet heel ongelukkig te worden is niet te verlangen heel gelukkig te worden.’ Paul Simon komt met ‘Everybody loves the sound of a train in the distance, everybody thinks it’s true’ (Train in the Distance). Nietzsche: ‘Dat wat mij niet doodt, maakt mij sterker’. Simon: ‘Nor is it strange that after changes upon changes, we are more or less the same’ (The Boxer).

Perfectionistisch als hij is, produceerde Simon in zijn lange loopbaan slechts vijftien soloalbums. Daarop tref je meer pakkende one-liners aan dan in het oeuvre van pak ‘em beet honderd van zijn collega’s bij elkaar. Zoals ‘The more I get to thinking, the less I tend to laugh’ (Oh, Marion), ‘losing love is like a window in your heart, everybody sees you’re blown apart’ (Graceland), zinnetjes die raken en blijven plakken.

Dat laatste komt natuurlijk ook door dat belangrijke verschil tussen de rock-‘n-roll en de filosofie: de muziek, het medium dat zich zo moeilijk laat begrijpen en waarop zoveel filosofen zich dan ook al eeuwenlang hebben stukgebeten. Een popartiest heeft het voordeel dat hij zijn wijsheden kan verpakken in aansprekende, toegankelijke en opwindende liedjes. Misschien zit hier wel een mooie tip in voor The School of Life.

Albumverjaardag – Tigermilk van Belle and Sebastian

Een paar weken geleden zou ik iets gaan schrijven over een album dat zojuist een kwart eeuw oud was geworden: Tigermilk, het debuutalbum van Belle and Sebastian uit 1996. Dat stukje kwam er niet van, maar het onderwerp was in mijn ogen belangwekkend genoeg voor een herkansing. Niet omdat Tigermilk is opgenomen in Robert Dimery’s standaardwerk 1001 Albums You Must Hear Before You Die – al is zoiets wel een pré – en ook niet omdat de stijl van de Schotten zo’n groot stempel op de popmuziek heeft gezet. Waarom dan wel?

Ten eerste omdat het album een eenling is, een solitaire boom in een weiland, en de band een uniek rondreizend circus in het weidse poplandschap. De ontstaansgeschiedenis van het album ook al bijzonder. Op basis van een ingestuurde demo kregen singer-songwriter Stuart Murdoch en drummer Richard Colburn van het Glasgowse Stow College de kans om een heel album op te nemen. Ze raapten inderhaast een stel jonge muzikanten bij elkaar, doken de studio in en de rest is geschiedenis, in elk geval popgeschiedenis in de niche die de band sindsdien eigenhandig heeft gecreëerd.

(meer…)

50 jaar Blue

Deze week verschenen in verschillende media artikelen naar aanleiding van de 50ste verjaardag van Joni Mitchells iconische album Blue. Volgens muziekblogger Bob Lefsetz staat Blue, hoewel het bij verschijning geen groot verkoopsucces was, in het rijtje The White Album van The Beatles en Blonde on Blonde van Bob Dylan, maar dan coherenter dan de eerste en muzikaler dan de tweede. In The New York Times vertellen 25 artiesten over de impact van het album op hun eigen werk en wijzen ze vaak op de humoristische kanten van het meesterwerk dat toch bekendstaat als uiterst melancholiek.

Ik maakte eind jaren 70 kennis met Joni Mitchell via haar album Hejira. Pas daarna hoorde ik haar andere werk, van de folk van Clouds tot de jazz van Mingus. Voor mij is Blue Mitchells pièce the résistance. Het langgerekte woord uit de titeltrack – een van mijn favoriete kippenvelnummers – is wat ik het vaakst voor me uit neurie als ik in een nadenkende stemming ben. Blue is de plaat die ik mensen aanraad als ze de Canadese artieste willen leren kennen – of als ik vind dat ze dat zouden moeten doen.

(meer…)

Smeltkroes, Stoofpot en Spons

De lof van New Orleans als muziekstad moet geregeld opnieuw bezongen worden. Bijvoorbeeld hier op Goeie Nummers. Want als er één stad aanspraak kan maken op de titel Bakermat van de Rock-‘n-Roll dan is het The Big Easy, zoals de stad in Louisiana ook wel wordt genoemd. In deze ‘noordelijkste stad van de Cariben’ (weer een ander alias) kwamen invloeden uit Cuba, Sicilië, Frankrijk en Afrika in de eerste helft van de 20e eeuw samen in een culturele en muzikale smeltkroes waaruit de jazz en de oervorm van de rock-‘n-roll ontstonden, waaruit vervolgens zo’n beetje alles in de popmuziek voortkwam.

New Orleans baarde grootheden als Louis Armstrong, Jelly Roll Morton, Fats Domino en Little Richard. Hun opvolgers hadden namen als Allen Toussaint, Dr. John, The Meters en The Neville Brothers. Zij demonstreerden dat NOLA (alias nr 4) ook een spons was voor nieuwe stijlen, met name funk. Ze voegden die ingrediënten aan de bestaande mix toe om er een typisch-Zuidelijke New Orleans-stoofpot mee te brouwen, waarin alle smaken onnavolgbaar door elkaar heen lopen en elkaar versterken.

(meer…)

Meer tamboerijn

Er zijn instrumenten in de popmuziek die nooit de erkenning krijgen die ze verdienen. De triangel. De koebel. En ook de tamboerijn hoort daarbij: een muziekinstrument dat waarschijnlijk vooral wordt geassocieerd met saaie muzieklessen op de basisschool en vage gospelkoortjes op straat. Ten onrechte. De tamboerijn is een onmisbaar radertje in de machinerie van de popmuziek dat tegelijkertijd nauwelijks opvalt. Hoe kan dat?

Eerst dat onopvallende. Misschien zit hem dat deels in het uiterlijk. De kleine platte trommel met losse mini-bekkens, officieel ‘schelringen’ genoemd, heeft niets van het sierlijke van de gitaar of het imposante van een drumstel, piano of orgel. De tamboerijn (in Oudnederlands: ‘beltrom’) heeft wel een lange geschiedenis in de volksmuziek, maar daar heb je qua uitstraling weinig aan in de rock-‘n-roll.

(meer…)

Met welke popster deel jij je verjaardag?

Wist je dat je in een groep van twintig mensen een kans van 41,1% hebt dat er minstens twee mensen dezelfde verjaardag hebben? En in een groep van dertig mensen zelfs 70,1%? Meer dan je dacht waarschijnlijk. Dit geinige weetje haalde ik uit de column van Ionica Smeets in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. Altijd leuk voor op feestjes als we die ooit weer gaan hebben, en ik moest ook denken aan een dik boek over ‘de geheime taal van verjaardagen’ dat ik lang geleden onder ogen kreeg.

The Secret Language of Birthdays beschrijft 366 persoonlijkheidsprofielen op basis van een mix van astrologie, numerologie, intuïtie en tarot. Ik geloof natuurlijk totaal niet in die dingen, maar natuurlijk toch meteen naar mijn eigen geboortedag: 2 oktober. En daar viel mijn oog, tussen enkele zeer herkenbare inzichten over de sterke en zwakke kanten van mijn karakter, op een lijstje beroemdheden met dezelfde geboortedag.

(meer…)

Kunnen mensen elkaar veranderen?

Vorig jaar las ik de roman Normal People van de Ierse schrijver Sally Rooney (1991). De roman vertelt het verhaal van twee jonge mensen van rond de twintig, Marianne en Connell, die een aantal jaren en enkele tragische misverstanden nodig hebben om de ballast van hun jeugd achter zich te laten en erachter te komen dat ze toch echt voor elkaar bestemd zijn.

Zo samengevat is het een weinig opzienbarend verhaal, maar de kracht van Normal People, verschenen in 2018, zit in de meeslepende wijze waarop de groeipijnen van en de interactie tussen de twee hoofdpersonen worden weergegeven. En ook in de subtiele manier waarop het boek de lezer laat nadenken over de invloed die mensen op elkaar kunnen uitoefenen. Aan het eind van het boek stelt auteur Rooney bij monde van Marianne dat ‘mensen elkaar echt kunnen veranderen’. Op het eerste gezicht een vreemde bewering, want we weten immers allemaal dat je een ander mens niet kunt veranderen, en dat je zoiets ook niet zou moeten willen. Toch?

(meer…)

3 x Engeland

Toen ze nog bij de EU hoorden konden we ze vaak wel schieten, die eigenwijze Britten. Toen ze aan de Brexit gingen doen nog meer. Maar nu ze zich in overdrachtelijke zin zeker 200 mijl van ons verwijderd hebben, beginnen we die excentrieke eilanders toch wel een beetje te missen. Het is misschien ook daarom dat ik de laatste weken behoorlijk verslingerd ben geraakt aan drie vrij recente acts uit het VK: Snowpoet, Sault en Arlo Parks.

Snowpoet laat zich moeilijk in een hokje stoppen. De pers maakt wel vergelijkingen met Björk, maar wat mij betreft is de IJslandse zangeres een stuk minder aards dan dit Londense duo. Hun recente album Wait For Me bevat folkachtige popsongs met sterke melodische hooks, ingebed in subtiele elektronica. Er zit iets mysterieus in, iets dat sluimert maar ook kan opflakkeren en misschien zelfs uitbarsten. Grootste troef van Snowpoet is zangeres Lauren Kinsella, die afwisselend intiem, ontwapenend, afstandelijk en groots klinkt. Ze houdt je als luisteraar als het ware aan een touwtje, zodat je aandacht steeds opnieuw naar haar toe wordt getrokken. Luister bijvoorbeeld naar Roots.

(meer…)

Het mooiste vogellied

Het is de tijd waarin we elke ochtend weer vogels horen, als aankondiging van de lente. Gisteren liep ik in een bos, mijn oren gespitst op het geluid van onder meer vinken en spechten, en ik moest denken aan alle bijzondere en vreemde vogels in de popmuziek. Aan bands genoemd naar vogelsoorten, zoals The Eagles, The Black Crows, Old Crow Medicine Show, The Byrds en Noel Gallagher’s High Flying Birds, om er een paar te noemen. En aan de liedjes die aan onze gevederde vrienden zijn gewijd.

Net zoals dichters van oudsher veel vogels in hun werk opvoeren, moeten de overeenkomsten tussen deze twee zingende diersoorten ook voor veel liedschrijvers te groot zijn om te negeren. Mannetjesvogels zingen onder meer om hun territorium af te bakenen en vrouwtjes te lokken. Ik ben vast niet de enige die hierin iets van het type rockzanger herkent. In elk geval zijn er flink wat vogelliedjes in de rock-‘n-roll te spotten – en er zitten hele mooie tussen.

(meer…)