Geluk of mensenrecht?

In de Volkskrant van afgelopen woensdag stond een opvallend nieuwsbericht over een ‘zangrel’: voorvechters van vrouwenrechten in Afghanistan waren in opstand gekomen tegen een aangekondigd verbod op zingen in het openbaar voor meisjes boven de twaalf jaar. Onder de hashtag #IAmMySong gingen al snel vele filmpjes van zingende meisjes rond op de sociale media.

Het bericht trof me. Hoe zou het zijn wanneer de machthebbers mij vanwege mijn sekse zouden verbieden om in het openbaar te zingen. Moeilijk om me zoiets voor te stellen, omdat zingen in onze westerse samenleving niet geassocieerd wordt met zonde en ook omdat algemene beperkingen voor mannen hier ondenkbaar zijn.

Maar ook omdat ik me mijn leven niet goed kan voorstellen zonder zang. Vanaf mijn veertiende sta ik af en toe op een podium als zanger in een band, en ooit zat ik in een kamerkoor. Ik zong weleens mee tijdens een demonstratie, een kerkdienst, en vaak tijdens popconcerten. Waar zouden we zijn als daar straffen op stonden?

Een tijdje geleden las ik het boek Zingen is geluk van Barber van de Pol. Niet het doorwrochte samenhangende betoog waar ik op gehoopt had, wel een verrassende associatieve duik in een zee van persoonlijke, anekdotische, wetenschappelijke en filosofische kennis over het fenomeen zang. Van der Pol strooit met fraaie citaten, vertelt onder meer over haar oude moeder, die alleen tijdens het zingen weer ‘geborgen leek in haar oorsprong, een wonder dat iedereen herkent’. Ik herkende dat zeker.

Het boek riep ook als vanzelf allerlei associaties bij me op. Bijvoorbeeld dat zang zo’n mysterieus fenomeen is. Zangers en zangeressen lijken zich namelijk altijd enigszins los te zingen van hun gewone dagelijkse persoonlijkheid. Introverten geven zich bloot (Prince), stotteraars krijgen geoliede stembanden (B.B. King), stukken chagrijn ontdooien (Van Morrison). En er is nog iets: wat ze zingen lijkt nooit in een rechte lijn van de stembanden naar de oren van de luisteraars te gaan, maar hangt eerder in een wolkje tussen publiek en zanger in, zodat ze allebei iets boven zichzelf uit moeten stijgen om elkaar daar in dat wolkje te ontmoeten.

Het is misschien ook daarom dat er live bij het einde van een liedje altijd een kort, licht ongemakkelijk gevoel is, dat we het liefst snel opvullen met applaus. Vooral bij een abrupt einde heb je dat: muzikant en publiek vallen met een schok in plaats van met een zachte landing in zichzelf terug. Het duurt een halve seconde voordat ze weer in hun oude zelf passen. Is dit misschien de reden waarom veel muzikanten tijdens een optreden tussen de liedjes zo weinig tegen hun publiek praten?

Het omgekeerde fenomeen ervaar ik soms bij musicals, op de momenten dat de acteur of actrice die ik tot dan toe bijna voor een reëel bestand mens heb aangezien, van spreken opeens overstapt op zang. Ken je dat korte verwarrende gevoel? Het is alsof het personage je opeens ontglipt, minder reëel en geloofwaardig wordt. Je dreigt als kijker je suspension of disbelief te verliezen en kunt je moeilijker inleven in het verhaal. Misschien is dit wel waarom sommige mensen musicals zo haten.

Zingen is geluk deed me ook nadenken over de relatie tussen levens- en zanglust. Want die twee lijken voor mij altijd onlosmakelijk verbonden: ik zing als ik zin heb in het leven, als ik zin hebt in het leven zing ik – al is het maar een vaag geneurie of een zinnetje dat door mijn hoofd speelt. Ik denk dat ik in mijn leven slechts een paar korte, episodes heb gekend waarin de lust tot zingen me verging. Gelukkig maar.

In Afghanistan ondertussen kiest Ahmad Sarmast, oprichter van het Afghaanse Nationale Instituut voor Muziek en initiator van de #IAmMySong-protestactie, een andere benadering om het belang van zang te onderstrepen. Volgens hem schendt het nieuwe decreet van de Afghaanse overheid ‘de muzikale rechten van Afghaanse meisjes en berooft hen van de helende kracht van muziek’, zoals hij in het Britse dagblad The Guardian zegt. ‘Het schendt ook (…) de internationale conventie voor de rechten van het kind’. Hier is de VN-verklaring voor de Universele Rechten van de Mens als grote kapstok gebruikt, maar ik denk dat het in feite gewoon een andere manier is om te zeggen wat Barber van de Pol ook zegt: dat zingen geluk is.

Een paar mooie liedjes over zingen ter afsluiting: I Am Singing (Stevie Wonder), Song Sung Blue (Neil Diamond), Sing A Song (Earth, Wind & Fire), Nowadays Clancy Can’t Even Sing (Buffalo Springfield) en Today I Sing The Blues (Aretha Franklin). Op de Goeie Nummers-playlist op Spotify is dit rijtje nog wat uitgebreid. Ik wens je een zangvol weekend!

Geef een reactie