De muziek uit je jeugd

Vorige week vroeg ik me wat onrustig af of ik met het langzaam breder worden van mijn muzieksmaak ook een deel van mijn identiteit aan het verliezen was. Daarna bedacht ik dat je de relatie tussen die twee ontwikkelingen natuurlijk ook heel anders kunt interpreteren: misschien zijn identiteit en muzieksmaak in de puberteit en adolescentiefase gewoon sterker aan elkaar verbonden dan later. Als tiener, zoekende naar mijn ware aard, kon ik de muziek goed gebruiken als de steunpilaar die ik nu, zo’n veertig jaar later, minder nodig heb.

Deze interpretatie biedt zeker enige geruststelling, maar roept ook de vraag op of de muziek voor mij dan tegelijkertijd niet sterk aan betekenis heeft ingeboet. Dat wat ooit een noodzakelijke levensbehoefte was en diepe impact op mijn gevoelsleven had, zou dan nu misschien meer een soort luxe in mijn bestaan zijn geworden, iets wat ik zonder veel problemen kan missen. Is dat ook zo?

Een belangrijke aanwijzing voor die stelling is te vinden in iets wat ik vorige week in de vuur van mijn betoog over het hoofd had gezien. Ik had het steeds over alle schotjes die tussen mij en verfoeide genres omvielen, maar ik vergat wat zich toen binnen die schotjes bevond – de muziek waardoor ik me met liefde liet omsingelen.

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mensen altijd sterk verbonden blijven met de muziek waar ze tussen hun 12e en 24e naar hebben geluisterd. Het zijn de jaren waarin de persoonlijkheid wordt gevormd, en de muziek is daar tot in de diepste vezels en hersencellen aan vastgeklonken. Je hoeft maar een liedje uit die tijd te horen, of je onbewuste brengt levendige herinneringen aan – om maar iets te noemen – een dampend klassenfeestje of onbeantwoorde liefde naar boven. Dit is de muziek die de rest van je leven als onzichtbaar gezelschap bij je blijft. Herkenbaar?

Bij mij werkt het in elk geval wel zo. Mijn muzikale identiteit mag dan inmiddels naar verschillende kanten uitwaaieren, de diepste kern ligt in de platen- en cassettekast die ik tussen 1975 en 1988 aanlegde. Bij mij bevatte die kast trouwens vooral muziek uit de jaren 1968-1980: Beatles, Stones, The Band, Jackson Browne, Joni Mitchell, James Taylor, Elvis Costello, Joe Jackson, Graham Parker. Kennelijk loop ik in mijn leven steeds gemiddeld zeven jaar achter mijn tijdgenoten aan – dat stukje identiteit laat zich hieruit ook gemakkelijk afleiden.

Maar die verknochtheid gaat verder. Ze geldt niet alleen de artiesten met wie ik me destijds identificeerde. Ook Neil Diamond, ABBA, The Bee Gees of Julien Clerc – artiesten die ik toen faliekant afwees – doen me eerlijk gezegd meer dan zelfs de meest interessante acts van nu. Song Sung Blue, Dancing Queen, Staying Alive, This Melody – die zijn van mij, niemand kan me ze afpakken. En dat geldt eerlijk gezegd toch minder voor het werk van hedendaagse acts als Fiona Apple, Lankum of Robert Ellis, hoe goed ze ook zijn.

Langzaam dringt zich een conclusie aan me op: muziek – oude en nieuwe – doet me nog steeds veel, maar niet op dezelfde manier. Aan elke periode in mijn leven – school, studie, nieuwe huizen, relaties, gezin, werkkringen – zijn bepaalde liedjes en artiesten verbonden. De laatkomers vormden steeds een nieuwe schil rondom een vaste, onveranderlijke kern: de muziek uit mijn jeugd. En ik vind dat eigenlijk wel een prettig en geruststellend idee zo op de vrijdagmiddag. Dit liedje van jaren 70-grootheid Stevie Wonder lijkt me daarbij zeer passend. Goed weekend!

Geef een reactie