Jekyll en Hyde in de popmuziek

Wil ik dit wel weten? Die vraag stelde ik mezelf deze zomer toen Akwasi ophef veroorzaakte met zijn uitspraak over Zwarte Piet tijdens de Black Lives Matter-demonstratie op de Dam. En onlangs opnieuw bij het nieuws dat de rapper-activist EO-journalisten onheus had bejegend. Het gevolg van dit soort informatie is namelijk dat je de muziek van Akwasi bijna zou vergeten. En dat zou jammer zijn, bijvoorbeeld vanwege zijn vorig jaar verschenen album Sankofa, een lekkere positieve hiphopplaat met Afrikaanse invloeden (prijsnummer Je Bent Nodig, samen met Typhoon & Fresku).

Het is niet de eerste keer dat ik worstel met de discrepantie die tussen een artiest en zijn muziek aan de ene kant en ‘de mens achter die artiest’ aan de andere kant. Zo maakte soulster James Brown opwindende feelgood muziek, terwijl de man Brown voor zijn omgeving vaak een tiran was. De artiest John Lennon zong over vrede op aarde, de mens Lennon gedroeg zich privé vaak minder harmonieus. Het meest recente voorbeeld in dit illustere rijtje: Van Morrison. De Belfast Cowboy smelt in zijn werk mystiek, folk en soul op onnavolgbare wijze samen, maar dreigde onlangs de Noord-Ierse regering met een rechtszaak tegen de coronamaatregelen, die volgens hem zijn gebaseerd op ‘pseudo-wetenschap’.

Ik vraag me af hoe zulke tegenstrijdige bewegingen in één en dezelfde persoon kunnen huizen. Heeft het te maken met de genialiteit van deze kunstenaars, die nou eenmaal vaak gepaard gaat met grenzeloosheid en onaangepast gedrag? Of behoren deze artiesten gewoon tot het type mens dat zich aan de buitenwereld presenteert met een fraai gezicht dat totaal niet overeenkomt met hun gedrag achter de schermen? Ik zocht eerst in de literatuur naar een antwoord.

In de roman Grace Notes (1997) van de Noord-Ierse schrjiver Bernard McLaverty denkt de hoofdpersoon, een jonge componiste, terug aan haar vader, die bekendstond als de meest getapte vent van de buurt. Bij thuiskomt hing de man ‘zijn goede humeur op een haakje aan de binnenkant van de deur’, herinnert ze zich, om daarna het gezin te tiranniseren. Het lijkt me goed mogelijk dat Brown, Lennon en Morrison vergelijkbare types zijn, maar dat dit bij hen gewoon wat meer opvalt omdat ze zo in de schijnwerpers staan.

Het zou ook kunnen dat de tegenstelling tussen buitenkant en binnenkant veel universeler is. De Schotse schrijver Robert Louis Stevenson verzon in 1886 een romanfiguur die uit twee tegengestelde personen bestond: de eerbiedwaardige Dr. Jekyll die overdag zieken genas, en de sinistere Mr. Hyde die ’s nachts zijn duistere lusten botvierde. Stevenson suggereert dat Jekyll en Hyde staan voor de positieve en negatieve aandriften die wij allemaal hebben. Misschien moeten we het contrast tussen de artiest en de mens achter de artiest dus ook zo bekijken: Brown, Lennon en Morrison zijn net als jij en ik, een mix van goed en kwaad. Hun gespletenheid komt misschien alleen meer naar buiten omdat zij meer onder druk staan door de eisen van publiek, platenmaatschappij en media.

Toch denk ik dat er nog iets anders aan de hand is. Het verschil tussen artiest en privépersoon lijkt bij popartiesten vaak echt héél groot, groter dan bijvoorbeeld bij schrijvers of schilders. Denk naast het viertal hierboven aan een Curtis Mayfield, een John Martyn, een Lou Reed, een Michael Jackson (4x sorry voor hun fans, het doet mij ook pijn maar ik kan er niet omheen). Ik vermoed dat dat minder aan hen ligt dan aan de popmuziek zelf.

Want een popsong, en muziek in het algemeen, vraagt als het ware om een goede, zuivere inborst. Chagrijn en bitterheid zijn de vijand van een goed liedje. Als zanger kun je niet anders dan jezelf van je beste kant laten zien, anders kan het publiek zich niet laten meezuigen door je smeekbede, je klacht, je oproep, je droef verhaal. En wij luisteraars kunnen op onze beurt niet anders dan de artiest vereenzelvigen met zijn lied. Daarom verwachten we ook zoveel van de mens achter de artiest. We willen dat hij steeds de allerbeste versie van zichzelf is, op het podium en daarbuiten. Ga er maar aan staan. De grote vraag is eigenlijk: hoe komt het dat zoveel popartiesten níet op ons overkomen als Jekyll en Hyde?

Geef een reactie