
Tijdens het WK Voetbal in Amerika horen we voor de wedstrijd steeds de volksliederen van de landen waarvoor de twee teams uitkomen. Wat daarbij opvalt: in sommige gevallen wordt er door voetballers en publiek helemaal niet gezongen – omdat het gaat om volksliederen zonder tekst, iets wat goedbeschouwd een contradictio in terminis is.
Spanje is een van de landen met zo’n instrumentaal volkslied (naast San Marino, Kosovo en Bosnië en Herzegovina), en de achtergrond daarvan wordt in een Volkskrant-artikel van afgelopen maandag mooi belicht. Het verhaal: de Marcha Real is eind 18e eeuw gecomponeerd om militaire parades en koninklijke evenementen te begeleiden. Het is dus in principe niet gemaakt om op mee te zingen.
Bovendien, zo verklaart historicus Xosé Manoel Núñez Seixas van de Universiteit van Santiago de Compostela, is het de Spanjaarden ondanks diverse pogingen nooit gelukt politieke overeenstemming te bereiken over de tekst. Niet onlogisch, gezien de geschiedenis van Spanje, met haar inquisities, Burgeroorlog (1936-1939), regiotwisten en Franco-dictatuur (1939-1975). Vergelijkbare gevoeligheden spelen in Kosovo en Bosnië en Herzegovina. Maar dan heb je wel een probleem met je nationale hymne, die tenslotte bedoeld is om de gehele bevolking te verenigen onder één melodie en een aantal zingbare verzen – in het geval van het WK meebrulbare verzen die de eigen strijders aanmoedigen en de tegenstanders angst aanjagen.
Zou je hieruit kunnen afleiden dat het makkelijker is om een land te verenigen onder instrumentale muziek dan onder een tekst? Zijn melodie en ritme meer verbindend en minder verdelend dan woorden? Wie op zoek gaat naar de antwoorden op die vragen komt uit bij een lange reeks wetenschappelijke bronnen. Musicologen, filosofen, esthetici en breinwetenschappers hebben zich allemaal over de verhouding tussen tekst en muziek gebogen. Omdat de gehanteerde terminologie mij al snel deed duizelen, wendde ik me tot mijn eigen ervaring en intuïtie – vaak de beste of in elk geval de kortste weg naar een antwoord.
Die intuïtie vertelde me dat instrumentale muziek inderdaad eerder zorgt voor eenheid dan liederen mét tekst. Niet elke soort muziek spreekt weliswaar iedereen aan – zo heb je bijvoorbeeld uitgesproken opera- en operetteminnaars en -haters, net als bij de genres metal, elektronisch, country en folk. Maar toch, je laat je doorgaans gemakkelijker meevoeren door een melodie en een ritme; aan een tekst kun je op de een of andere manier irritant blijven haken.
Herinner je je bijvoorbeeld nog de commotie over de tekst van het officiële Koningslied ter ere van de inhuldiging van kroonprins Willem-Alexander in 2013, onder meer over de frase ‘de dag die je wist dat zou komen’? En daar ging het alleen nog maar om de grammatica of stijl van de tekst, niet eens over de inhoud. Vergelijkbaar is de storende stijlbreuk van het woord ‘oogcontact’ in het lied Stil in Mij (1994) van Van Dik Hout – in elk geval in mijn oren. En in Polle Eduards Ik wil jou (1978) zit de zin ‘Ja, ze noemen mij een ruige donder’ identificatie met de ik-figuur toch wel behoorlijk in de weg.
Misschien komt het verschil tussen muziek en tekst wel het sterkste naar voren bij plechtigheden zoals een nationale herdenking of een uitvaartdienst. Op zo’n moment ervaar ik instrumentale muziek meestal als meer troostend dan liederen met tekst. Instrumentale muziek is volledig abstract, gaat rechtstreeks naar je hersenstam of een ander hersengebied waar de ratio niet welkom is. Bij de liedteksten die je hoort ga je met je gedachten toch automatisch zoeken naar de betekenis van de woorden. En dat leidt af.
Terug naar de volksliederen. Zullen we ooit zien dat de voetbalteams van Spanje, San Marino, Kosovo en Bosnië en Herzegovina hun volkslied zingen in plaats van de kaken bijna onnatuurlijk op elkaar houden? Ik moet denken aan onze eigen nationale hymne, met de onverwoestbare en nauwelijks nog te bevatten regels ‘Wilhelmus van Nassauwe, ben ik van Duitschen bloed, Mijn vaderland getrouwe ben ik tot in den dood’. Misschien moeten de instrumentale volksliederen van die vier Europese landen teksten krijgen die even ongrijpbaar zijn als het Wilhelmus. Zodat niemand zich eraan kan storen. Voordat het zover is, wens ik je komende zondag in de WK-finale in elk geval nog één keer veel plezier met de woordloze Spaanse hymne – en hun weergaloze voetbalprestaties!
Waar denk je aan bij het woord voodoo? Waarschijnlijk aan duistere rituelen en enge poppetjes met naalden. Dat is het beeld dat films en andere populaire media bij ons op het netvlies hebben gebrand. In werkelijkheid bevindt voodoo zich in je eigen platenkast.
Deze verrassende les is te vinden in het vorig jaar verschenen boek Voudou van Leendert van der Valk. De muziekjournalist maakte eerder al indruk met
De eerste ontdekking is dat het niet puur om muziek gaat maar om een religie. Maar dan een die onlosmakelijk verbonden is met muziek: voodoo. Voodoo – knoop het in je oren – is niets meer of minder dan de meergoden-religie die van de 16e tot in 19e eeuw vanuit Afrika meereisde in de slavenschepen naar Noord- en Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Een religie waarin de dansende gelovigen via liedjes en complexe drumritmes in contact komen met het hogere.
In het nieuwe land fungeerde voodoo voor de slaven als het onzichtbare cement dat hen met elkaar en hun land van herkomst verbond. Het geloof werd meestal door de christelijke machthebbers verboden, maar ondergronds leefde het voort. En in de 20e eeuw kwam het naar boven: in de jazz en in de eerste vormen van wat tegenwoordig valt onder de noemer popmuziek – of blues, rock-‘n-roll, soul, gospel, r&b, salsa, latin, funk, kaseko, reggae of rock.
In gospelmuziek zit het vraag-en-antwoordpatroon van de voodoorituelen, en het klappen vervangt de oorspronkelijke trommels. In de blues van Robert Johnson is de Afrikaanse bemiddelende god Legba veranderd in de christelijke duivel. En in de rock-‘n-roll herken je de clave – de kenmerkende vijf basisaccenten van West-Afrikaanse ritmes. Wat een injectie is dat geweest. Tot dan toe was populaire muziek een behoorlijk duffe bedoening die vooral hoofd en hart aansprak. Met de groove van voodoo mochten ook lichaam en ziel eindelijk meedoen.
Voudou is een rijk boek, vol informatie en – soms duizelingwekkende – ervaringen. Te veel om hier even samen te vatten, maar één citaat kan ook veel zeggen: ‘Soms lijkt het alsof de Atlantische Oceaan een gigantische draaikolk is die ritmische wrakstukken van de stranden oppikt en ze op andere continenten laat aanspoelen, om ze eeuwen later weer terug te slingeren.’ Wow. Wat een prachtig beeld. De beïnvloeding gaat dus niet alleen van oost naar west, maar maakt een cirkelbeweging die nog steeds doorgaat: James Brown putte in de jaren 50 uit Afrikaanse bronnen voor zijn opzwepende funk; Nigeriaan Fela Kuti haalde de inspiratie voor zijn seventies afrobeat op zijn beurt bij Mr. Dynamite. En zo gaat het door.


