Het nieuwe Spinvis-album

Op Goeie Nummers probeer ik de waan van de dag te mijden. Tijdloze muziek, tijdloze vragen over muziek, daarover moet het bij voorkeur gaan. Vandaag voert de actualiteit toch de boventoon, want vorige week – precies op mijn verjaardag, 2 oktober, dat kan geen toeval zijn – verscheen het nieuwe album van Spinvis: 7.6.9.6. Een mysterieuze woordloze titel die er natuurlijk om vraagt door Spinvis-exegeten te worden uitgeplozen.

In een interview las ik dat 7.6.9.6. vanwege de splendid isolation van corona wederom vooral huisvlijt was geworden, net als Spinvis’ baanbrekende debuutalbum uit 2002. Op dat titelloze debuut had Erik de Jong, zoals Spinvis voor de burgerlijke stand heet, vrijwel alles thuis in zijn eentje in elkaar geknutseld met behulp van echte instrumenten en allerlei elektronica. Ik was benieuwd of die werkwijze weer zo’n bijzonder album zou opleveren.

Het album doet van alle platen die Spinvis tot nu maakte, inderdaad het meeste denken aan zijn eersteling. Hetzelfde wonder van eigenzinnige pop-arrangeerkunst bijvoorbeeld. Neem de opener Ze slapen. Lange dromerige elektronische klanken die je naar binnen lokken, veertig seconden later een klein gitaartje, dan de eerste woorden, een basgitaar, pas na twee minuten vallen de drums in, als stevige bodem voor piano, strijkers, meer stemmen. Het wordt groter en groter, je stijgt op, om op het einde weer vrij snel op aarde terug te komen, alsof je over een trapje vanaf een podium naar beneden loopt om je weer onder de mensen te begeven.

Het album heeft ook wel iets weg van een prentenboek waarin je steeds weer nieuwe details kunt vinden. Bij elke luisterbeurt hoor je iets dat je daarvoor nog niet had opgemerkt: een rammelend gitaartje, fluitje, triangel, politiesirene, ik meende zelfs het geluid van een real-life pingpongspel te ontwaren. Het is een soort kinderlijk plezier dat je met zo’n plaat de ruimte kunt geven.

Een andere overeenkomst met Spinvis’ debuut: meer up-tempo nummers en ook weer die milde tegendraadsheid in de teksten die ik erg kan waarderen. Want hoe veel ontroering voorganger Trein Vuur Dageraad uit 2016 ook te bieden had, het album was mij net iets te zoet. Nu stelt Spinvis met een nummer als Stuntman weer zo’n onvergetelijke eenling aan ons voor, zoals hij eerder deed met Ronnie en Astronaut. En dat gebeurt dan met een puntig vervormd gitaarriffje als basis en een lekker retro funky gitaartje dat opeens in het refrein opduikt. Lekkerrrr!

De aantrekkingskracht van Spinvis is voor mij ook een raadsel dat steeds opnieuw om ontrafeling vraagt. Vandaag denk ik dat de sleutel is: hij legt dingen dicht tegen elkaar waarvan je denkt dat ze niet bij elkaar passen. Akoestische instrumenten en elektronica. Poëtische beelden en achteloze cliché-zinnetjes die we dagelijks in de mond nemen. Kale mechanische drums en weelderige piano-akkoorden. En het effect van dat alles is een prettige ontregeling: ik moet even lachen, word dan weer stil, ontroerd, verwonderd.

En wat het ook is: Spinvis benoemt geen emoties, maar suggereert ze, je mag er als luisteraar zelf naar toe gaan. Hij cirkelt om die gevoelens heen, niet in een perfecte boog maar met sprongetjes, niet helemaal voorspelbaar maar waarschijnlijk wel volgens bepaalde regels. Je zou het patroon, als je dat zou willen, eventueel zelfs in cijfers kunnen uitdrukken. Waarmee ik mogelijk meteen ook een mooie verklaring voor de albumtitel heb gevonden. 7.6.9.6. Check it out!

Geef een reactie