Goed sorry zeggen is een kunst. Boef kan erover meepraten. De rapper betitelde enkele vrouwen van wie hij op Nieuwjaarsnacht een lift kreeg op Twitter als ‘kechs’ (hoeren) en kreeg vervolgens wekenlang het halve land over zich heen. Met een geslaagde ‘knievalrap’ (de Volkskrant) op de recente editie van Eurosonic/Noorderslag wist hij de plooien echter weer glad te strijken. Knap.
Psychologen en andere deskundigen stellen dat excuses maken buitengewoon belangrijk is voor het herstellen van persoonlijke, professionele en maatschappelijke relaties. Maar het luistert wel nauw. Met een ondeugdelijke mea culpa maak je de zaak eerder erger dan beter. Communicatie-experts adviseren dan ook om 1) tijdig (niet te vroeg maar zéker niet te laat) en 2) oprecht (niet halfhartig) 3) spijt te betuigen voor wat je gedaan hebt (en niet voor het feit dat een ander zich gekrenkt voelt) en 4) daarvoor geen verzachtende omstandigheden aan te voeren (geen ‘maar’s dus).
De popmuziek kent heel wat boetekleed-liedjes – denk aan alle songtitels met ‘sorry’, ‘blame’, ‘forgive’ en ‘wrong’ erin. Popartiesten zijn kennelijk ook maar mensen. Maar welke muzikale spijtbetuiging is overtuigend? Wanneer ga je geloven dat de excuses oprecht zijn? Laten we die vier communicatietips eens als meetlat gebruiken voor een paar van zulke liedjes.
Eerst De Jeugd van Tegenwoordig, met Sorry uit 2008. Zo’n titel schreeuwt om een beoordeling. Het begint veelbelovend: ‘Sorry / Ik heb spijt van me gedrag’. Prima, jongens. Maar het duurt niet lang of daar komen ze al: de loze beloftes (‘volgende keer betaal ik mee’), de verzachtende omstandigheden (‘Het spijt me van die brandplek op het plafond / Ik dacht dat het ging, ik dacht dat het kon’) en het afschuiven van verantwoordelijkheid (‘Ik wist niet wat ik deed / Je moet me niet laten drinken gast)’. En daarna wordt het alleen maar erger. Nee Jeugd, hoe plezant jullie ook over de top gaan, qua vergeven en vergeten gaat dit hem niet worden.
Dan Eels, met I’m Going To Stop Pretending I Didn’t Break Your Heart van het album Blinking Lights & Other Revelations uit 2005. Dit is serieuzere kost: gebroken hart, dodenmars-achtig tempo, klagende stem. Zanger E, de artiestennaam van Mark Oliver Everett (1963), gaat diep door het stof: ‘I’m going to stop pretending that I didn’t break your heart’, en de laatste regels luiden ‘I didn’t know what I was doing / But I know what I’ve done.’ Dit is geen spijt, dit is berouw. Met een grote B.
Desondanks heeft ook E een verzachtertje nodig: hij dacht destijds zo negatief over zichzelf dat hij zich niet kon voorstellen dat iemand anders hem de moeite waard kon vinden. Tja, wat moeten we hiervan vinden? Het voordeel van de twijfel, zou ik zeggen. Het werk van de Amerikaanse singer-songwriter verschaft hem geloofwaardigheid of het punt van oprechte zelfverachting. Bovendien weet E in al deze treurnis nog een sprankje humor te brengen: ‘I’m a little too late, by three or four years’. Zo iemand vergeef je veel.
Waarmee nog maar eens is bewezen hoe moeilijk het is om goed sorry te zeggen is, ook in een lied. Of ben ik nu te vergevingsgezind? Sorry. Laten we luisteren naar de wijze inzichten van Elton John en tekstdichter Bernie Taupin.
Ken je een ander fraai en overtuigend sorry-lied? Of een dat heerlijk mislukt is? Laat het weten bij de reactiemogelijkheid hieronder!
Een tijdje terug schreef ik hier op Goeie Nummers over reggaelegende
Steffens wekt de wereld van de hoofdpersoon tot leven alsof je er zelf bij bent. Hij laat Marleys levensverhaal grotendeels vertellen door een lange stoet vrienden, bandleden en andere betrokkenen, vanaf Marleys jongensjaren tot zijn vroegtijdige dood aan kanker in 1981. Zo krijgen we onder meer een levendig beeld van de jeugdige zanger in de Jamaicaanse hoofdstad Kingston, waar hij in de jaren 60 met muzikale kompanen Peter Tosh en Bunny Wailer eindeloos oefent op meerstemmige zangpartijen, geïnspireerd door de Amerikaanse popsoul van Curtis Mayfield en diens groep The Impressions.
Nog interessanter wordt zo’n levensbeschrijving als die je de ogen opent voor iets wat je tot dusver over het hoofd hebt gezien. Het is misschien wat naïef, maar ik beschouwde Bob Marley en zijn Wailers onbewust altijd als een soort Amerikaanse artiesten. Jamaica lag in de Cariben, dus vanuit hier gezien dicht bij de VS. En ze zongen in het Engels – een ongebruikelijk Engels weliswaar, maar niet moeilijker te verstaan dan dat van Otis Redding of Bob Dylan.
Door Steffens boek besefte ik dat ik het al die tijd verkeerd zag. Marley was een artiest uit de Derde Wereld, niet uit Amerika. Het Jamaica van Marleys tijd was een voormalige Britse kolonie die pas in 1962 onafhankelijk werd. Een witte bovenlaag maakte er nog steeds de dienst uit. De zwarte bevolking was veelal straatarm. Jamaica deed dus in veel opzichten meer denken aan Zimbabwe of Zuid-Afrika dan aan de VS.
Als aanhanger van het
Door deze biografie, die gelukkig niet meedoet aan die heiligenverering, ging ik ook opnieuw naar Marleys werk luisteren. Naar
De meest overtuigende manier om een huwelijksaanzoek te doen is niet op één knie, bloemen enzovoort, maar natuurlijk met muziek. Dat wisten onze voorouders al, ze hebben enkele eeuwen geleden niet voor niets de aubade uitgevonden: een lied waarin een man zijn aanbedene het hof maakt, liefst onder aan haar raam – ze deden toen nog amper aan genderneutraal – onder begeleiding van een lieflijk betokkeld snaarinstrument. Geef toe, welk hart zou daar niet van smelten?
Als je de schrijvers uit vervlogen tijden mag geloven, klonken deze muzikale aanzoeken van edelen en troubadours in de Middeleeuwen en de Renaissance geregeld op allelei openbare gelegenheden. Om de een of andere reden hoor je ze tegenwoordig nog maar zelden, en dat is jammer. Een mogelijke verklaring is dat aubades nu gewoon verstopt zitten in popliedjes.
Voor het fraaiste aanzoekliedje moeten we wel een stukje terug in de tijd, toen we de huwelijkse geloften nog wat letterlijker namen dan tegenwoordig. Naar 1957, om precies te zijn. In dat jaar steeg
Sam Cooke (1931-1964), afkomstig uit een zwart domineesgezin met acht kinderen, begon zijn korte en stormachtige carrière als gospelzanger en switchte daarna naar pop en soul. Crooner Nat King Cole was zijn grote voorbeeld, maar de ruigere stijl van de soul trok hem ook. Als zanger was Cooke een natural. Hij had het allemaal: kracht, bereik, zuiverheid, souplesse, en desgewenst gaf hij zijn stem een rauw randje mee. En dat alles zonder dat het hem enige moeite leek te kosten.
In You Send Me toont Cooke zijn zoetgevooisde, intieme benadering. We zien de twee geliefden meteen voor ons, ze zijn al vertrouwd met elkaar: ‘Darling, you send me, honest you do.’ De zanger bekent dan dat hij zijn gevoelens een tijdlang niet serieus durfde te nemen: ‘At first I thought it was infatuation.’ Die overwonnen bindingsangst maakt zijn liefdesverklaring des te geloofwaardiger: ‘Now I find myself wanting to marry you / and take you home.’ Zo simpel, zo direct, zo puur. Zo ouderwets bijna. En dan die onvergelijkbare stem van Cooke – je ziet bruid en bruidegom al bijna naar het altaar lopen.
Maar voor wie nu nog aarzelt met haar jawoord, hier is
Wij mensen zijn natuurlijk au fond een stelletje slampampers, met al onze verkeerde gewoontes: te veel drinken, eten, werken en piekeren en te weinig sporten, ontspannen en liefhebben. We nemen ons dan ook geregeld voor, met name aan het begin van het nieuwe jaar, om het nu eens anders te aan te pakken. We weten in ons hart ook best hoe dat moet. En toch, eerlijk is eerlijk, komt er meestal niet veel van. Het vlees is nu eenmaal zwak.
En daar zitten we dan ook nog eens mee. Raymond van het Groenewoud heeft deze terugkerende paradox prachtig weten te vangen in een lied op zijn album De laatste rit uit 2011. De Vlaamse veteraan, die al menig klassieker op zijn naam heeft staan – denk aan
Bij de eerste regels ben je meteen wakker: ‘Niet met een heel jong meisje / Niet met een and’re man / Ook niet met and’re dieren / Daar komt ellende van’. De kerkelijke verboden die de Belg waarschijnlijk met de paplepel zijn ingegoten veranderen verderop in het lied in meer universele deugden: mededogen, naastenliefde, ruimhartigheid en vasthoudendheid. Prachtige idealen, stuk voor stuk de moeite van het nastreven waard, zoveel maakt Van het Groenewoud wel duidelijk.
De uitkomst echter, alles overziend, is steeds dezelfde: ‘Ik weet het wel / Ik ken dat lied / Ik weet het wel / Maar ‘k onthou het niet.’ De zanger beseft dat zijn eigen gedrag angstwekkend ver van het ideaal verwijderd blijft. De onmacht lijkt hem in zijn greep te krijgen. In het tussenstuk schreeuwt hij het uit: ‘Maar ‘k onthou het niet, ‘k onthou het niet / Het is te moeilijk, ’t is te moeilijk.’
In de eeuwige strijd tussen verheven idealen en het menselijk tekort vindt Van het Groenewoud geen hulp in de goede maar juist in een slechte eigenschap. Een falend geheugen als medicijn. Aanvaard je beperkingen, zo luidt de boodschap van de zanger, zodat je niet aan zelfhaat ten onder gaat. Hij wijst ons handzaam de weg door het laatste refrein bewust niet af te maken. Zijn laatste woorden zijn ‘ik weet het wel’ – zodat we het zelf mogen aanvullen.
Voor een goed kerstliedje hoeven er geen kerstwoorden in de titel of het refrein te staan. Een enkele verwijzing in een hoekje van een vers volstaat. Dat bewijst John Mayer in
De Amerikaanse zanger-gitarist brak in 2006 door met het album Continuum, dat paradoxaal genoeg aansloeg bij jonge (vrouwelijke) fans én bij collega-muzikanten. ‘Waiting On The World To Change’, van datzelfde album, lijkt zelf ook behoorlijk tegenstrijdig: een vette groove, een lekker meezingbaar refrein, maar qua tekst op het eerste gezicht allesbehalve opwekkend.
Even verderop spiegelt hij ons voor dat alles beter zal gaan als zijn generatie eenmaal het heft in handen krijgt. Toen ik het voor het eerst hoorde, wist ik niet van ik ervan moest denken. Dat werd nog sterker bij het derde couplet, waarin Mayer ook de kerstperiode erbij haalt:
Mayers ‘oplossing’, die hij ons in het refrein steeds voorhoudt, is om te wachten tot de wereld verandert, onder het circulaire motto: ‘we kunnen niets doen, dus doen we maar niets’. Dat klinkt behoorlijk defensief, als een excuus, zo je wilt.
Maar het knappe is: in het eerste refrein kun je Mayers woorden nog opvatten als een serieus gemeend pleidooi, als rechtvaardiging. Maar bij het derde of vierde refrein gaat dat niet meer. Je wordt een beetje ziek van die herkenbare maar o zo futiele uitweg die je wordt geboden. Het lied vertelt je dat het tijd is om die onzin achter je te laten – en gewoon te doen wat je kunt om de wereld een beetje beter te maken. Zo heeft de zanger ‘Waiting On The World To Change’ natuurlijk ook bedoeld. Een fijne Kerstgedachte en goed voornemen in één. Dank je, John.
De donkere dagen voor Kerst lenen zich goed voor bekentenissen, en na
In de jaren 70 en vooral 80 vierde Chris Rea (Middlesborough, VK, 1951) triomfen met hits als
Mijn belangrijkste kennismaking met Chris Rea is het album Wired to the Moon uit 1984, een plaat vol lekkere nummers, waaronder de bescheiden hit ‘I Can Hear Your Heartbeat’. Voor mij springt
Bij mij leeft het idee dat Chris Rea zo’n muzikaal zondagskind is dat alles komt aanwaaien. Zo iemand die in drie dagen gitaar leert spelen, in twee dagen piano en op zaterdag en zondag liedjesschrijven. Voor een hit pakt hij een bierviltje, voor een bluesnummer zijn bottleneck, en een bossanovaatje componeert hij even tussen de reclame en het journaal.
Rea doet in werkelijkheid waarschijnlijk gewoon alsóf het hem zo gemakkelijk afgaat. Dat is zijn geheim.
Kerstmis is niet alleen een goede tijd voor bekentenissen en vergeving, ook voor weemoed. Ik zet
Hoe komt het toch dat muziek zo in je systeem kan gaan zitten? Dat er een perfecte driehoek kan ontstaan tussen jouzelf, een bepaalde levensfase en een bepaalde artiest of plaat? En dat je met z’n drieën sindsdien onlosmakelijk met elkaar verbonden bent? Die vraag kwam bij me op toen ik onlangs een nummer van Randy Crawford op de radio hoorde.
In 1981, op de drempel tussen middelbare school en studententijd, maakte ik kennis met de jazzy soulmuziek van Randy Crawford (Georgia, 1952). Ik was bijna achttien en doorliep de initiatierite van een nieuwe wereld: de introductieweek van de universiteit. Mijn broer was die week op vakantie en ik mocht zijn kamer gebruiken.
Op zijn draaitafel lag Crawfords een jaar eerder verschenen album Now We May Begin. En als ik ’s avonds laat thuiskwam, moe en opgewonden van alle nieuwe mensen, mogelijkheden en vergezichten, lag dat album op me te wachten. Een album waarop Crawford met haar uit duizenden herkenbare stemgeluid telkens weer zong over afscheid en een nieuw begin. Hoe passend.
Maar ook zonder die persoonlijke omstandigheden is het een geweldig album. Crawford laat zich begeleiden door The Crusaders, de jazzrockformatie waarmee ze in 1979 de funky hit
Bijvoorbeeld de opener
Na Now We May Begin zou Crawford nog een paar sterke platen maken, zoals Secret Combination (1981) met de hits
Op 5 december 1975, vandaag precies 42 jaar geleden, gaven Robert Nesta “Bob” Marley (1945-1981) en zijn Wailers de wereld het mooiste cadeau denkbaar: het album Live! In mijn geval overigens niet echt een presentje: het was de eerste elpee die ik als veertienjarige kocht. Na lang wikken en wegen en twee keer luisteren bij
Maar man, wat een plaat. Ook nu nog. Het uitroepteken in de titel is niet overdreven: het is één brok leven en opwinding wat tot je komt vanuit The Lyceum Ballroom in Londen, waar Live! op 18 juli 1975 werd opgenomen. Die aankondiging van de spreekstalmeester alleen al: ‘All the way from Trenchtown, Jamaica: Bob Marley & the Wailers. Come on!’ En als de band dan
Niet dat alle tracks op Live! zo opgewekt zijn. Het Jamaicaanse Rastafari-geloof dat Marley met zijn muziek uitdroeg – een levensbeschouwing die deels teruggaat op het boek Openbaringen uit de Bijbel – staat voor een groot deel in het teken van lijden. Dat hoor je in tracks als
En het gaat in de reggae natuurlijk niet alleen over pijn, maar ook en vooral over solidariteit en liefde, over verzet en verlossing. Zoals in
Een tijd geleden zag ik in Parijs in Centre Pompidou enkele schilderijen van beroemde 20e-eeuwse meesters als Klee, Gris, Braque en Picasso. Opvallend, vooral toen ik erop ging letten: hoeveel muziekinstrumenten er op de doeken afgebeeld staan. En hoe vaak de schilders zelf schrijven over hun sterke drang om de dynamiek van muziek op het canvas te vangen. Er lijkt bijna afgunst in het spel te zijn!
Of het die kunstenaars gelukt is om op die tweedimensionale objecten evenveel beweging bij de kijker op te wekken als muziek teweeg kan brengen, zowel emotioneel als fysiek? Ik betwijfel het. Ritme, harmonie en melodie bestaan bij de gratie van tijd, en uit die dimensie is de schilderkunst nou juist verbannen. Hoe fraai en bijzonder het kunstwerk ook is, op Mondriaans Victory Boogie Woogie kun je niet dansen.
Maar dat wisten die schilders zelf ook wel. Waarschijnlijk probeerden ze het juist omdat ze wisten dat ze nooit zouden slagen. Ze wilden de hemel bestormen. En in de vergeefsheid van hun streven zit iets onbeschrijflijk moois. Iets heroïsch. En ongetwijfeld vertrouwden de kunstenaars erop dat ze zo in elk geval onbekende gebieden zouden ontdekken, oorden die ze anders nooit zouden hebben betreden.
Het leuke is, het kan ook andersom. Luister hoe Bob Dylan, niet toevallig ook schilder, zich in 1971 door de beeldende kunst liet inspireren. In
Om het cirkeltje rond te maken – ook veel schrijvers worden tot op het bot uitgedaagd door de muziek. Dichters als Guido Gezelle en Herman Gorter arrangeerden hun woorden tot het uiterste om musici en componisten te evenaren. Ze kwamen behoorlijk in de buurt,
En iedereen die over muziek wil schrijven, komt op een bepaald punt ook bij een kloof die onoverbrugbaar lijkt.
Een vriendschap in stand houden als je ver bij elkaar vandaan woont, is best lastig. En helemaal als jouw leven en dat van je vriend of vriendin totaal verschillende kanten op zijn gegaan. Dit was voor singer-songwriter Michelle Shocked (Dallas, Texas, 1962) evenwel de startsituatie voor een prachtig autobiografisch lied:
In deze folksong, van Shockeds debuutalbum Short Sharp Shocked (1988), schetst de zangeres eerst hoe ze een brief naar Texas stuurt om het verwaterende contact met een oude vriendin te herstellen (‘I walked across that burning bridge’) en tot haar verrassing een brief terugkrijgt vanuit de hoofdstad van Alaska.
Terwijl de getokkelde gitaar en het orgeltje een nostalgische sfeer oproepen, geeft ‘Anchorage’ vervolgens op informele correspondentietoon een beeld van heden en verleden van de twee vriendinnen, de een (‘Chel’) nu een ‘skateboard punk rocker’ in New York, de ander getrouwd en moeder van twee kinderen, inmiddels woonachtig in de koude verlatenheid van Anchorage. Als buitenstaanders krijgen we een zeldzaam inkijkje in hun leven en hun vriendschap, via allerlei details die iets universeels zeggen.
‘Anchorage’ is een nummer dat zich leent voor meerdere interpretaties. Dat valt op te maken uit
Anderen zien het minder zwart-wit. Want wie bepaalt dat het leven van een huisvrouw onbevredigend is? En dat de vriendin zich de titel en melodie van Chel’s liefdeslied op haar bruiloft niet meer kan herinneren, impliceert dat meteen dat de liefde tussen de echtelieden ook verdwenen is? Vergezocht.
Feit is dat het vrije leven van ‘Chel’ in New York haar vriendin in Alaska doet terugverlangen naar hun wilde ‘rock-‘n-roll days’ van weleer, en haar met haar eigen bestaan confronteert. Twijfel klinkt door in de manier waarop ze als een soort doorgeefluik fungeert om Chel bij haar huwelijk te betrekken: ‘Leroy says hello / Leroy says send a picture / Leroy says keep on rocking girl’.
Maar als je goed luistert weet je ook dat dit geen pure protestsong kan zijn. Je hoort vooral solidariteit en vertrouwdheid tussen de twee vrouwen: de vriendin weet dat Chel haar dilemma’s begrijpt en weet dat Chel weet dat zij dat weet. En ze beziet haar eigen situatie met zo’n mengeling van realiteitszin en zwart-droge humor – ‘I sound like a housewife / Hey Chel, I think I’m a housewife’ – dat jij ook weet: tussen deze twee is de vriendschap belangrijker dan een oordeel over de keuzes van de ander.
En zo zit het vriendelijk klinkende ‘Anchorage’ onderhuids vol spanning en twijfel – en warmte. Het maakt het tot feministische protestsong en ode aan de vriendschap tegelijk – een van de fraaiste in de geschiedenis van de popmuziek.
Sinds het allervroegste begin kent de popmuziek het kleine genre van de ‘doe-de-dansnummers’: liedjes die ‘Doe met mij mee!’ zeggen en in woord, beeld en muziek de daad bij het woord voegen. Denk aan
Deze aanstekelijke hartekreet is bij uitstek geschikt voor live-uitvoering en voor video. Vaak gaat het om rages en hypes, waarbij de artiest als een soort standwerker het nieuwste snufje voor zijn begerige publiek aanprijst en demonstreert. Even kinderlijk als onweerstaanbaar.
Onder die doe-de-dansnummers bevinden zich ook verzonnen dansjes, die zojuist door de artiesten zelf zijn uitgevonden. Zo liet Carl Douglas begin jaren 70, meeliftend op het succes van de populaire tv-serie met David Carradine, in zijn ‘Kung Fu Fighting’ de Oosterse krijgskunst samensmelten met moderne disco.
Een van de meesters van het subgenre was soulzanger Rufus Thomas (1917-2001). Deze ‘Oldest Teenager in the World’ maakte in de jaren 60 en 70 zijn handelsmerk van die zelfverzonnen dansjes, meestal geïnspireerd op het dierenrijk. Voor het fameuze Stax-label uit Memphis scoorde hij hits als
Zoiets moet Roxy Music ook gedacht hebben. De Britse glamrockers hadden een patent op camp maar maakten ondertussen ook fraaie en zeer originele muziek. Hun tweede album For Your Pleasure (1973) opent met
Maar ook zonder ironie is het doe-de-dansnummer nog alleszins levensvatbaar. Denk maar aan megahits als de
En daar ging er weer een. Het erge is dat je weet dat dat voortaan de hele tijd zo zal doorgaan. Veel rocksterren hebben inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Bovendien zijn het uiteindelijk toch gewoon mensen, hoewel we dat altijd willen ontkennen. Afgelopen maandag, mijn verjaardag notabene, was het dus Tom Petty. Volkomen onverwacht, 66 jaar pas, vlak na een succesvolle jubileumtournee door de VS.
Tom Petty, afkomstig uit Florida, verkocht wereldwijd zo’n tachtig miljoen platen maar was vooral in zijn thuisland een hele grote, die stadions liet vollopen. Maar het begon voor hem en zijn Heartbreakers in Europa. Hier liftte hij mee op de buzz van punk en new wave die in de tweede helft van de jaren 70 over het continent spoelde.
Het ijzersterke debuutalbum van de band, simpelweg getiteld Tom Petty & The Heartbreakers (1976), vormde meteen een blauwdruk al voor zijn latere werk: meeslepende compacte rocksongs, klaaglijk en nasaal gezongen, met pakkende melodieën en precies de goede gitaarriffs en toetsenaccenten van begeleiders Mike Campbell en Benmont Tench.
Na dat debuutalbum maakte Petty nog veel meer platen die niet stuk kunnen en altijd mooi zullen blijven, zoals Damn The Torpedoes (1979), Full Moon Fever (1989) en Wildflowers (1994). Ongeveer volgens het recept van de eersteling, maar niet gemakzuchtig, allesbehalve formulewerk. Het is eerder dat het bij Petty altijd allemaal zo gemakkelijk klinkt – meestal het kenmerk van ware klasse.
Niet al zijn platen zijn even sterk, maar ze bevatten zonder uitzondering een of meer pareltjes. Zodat je zonder moeite een driedubbeldik verzamelalbum uit zijn liedjescatalogus kunt samenstellen met alleen maar klassiekers. Ik noem er drie, nee vier, nee vijf:
‘Learning To Fly’ is zo’n typisch Petty-nummer, waarin hij zijn wanhopige en toch krachtige stemgeluid inzet om de eenzamen onder ons, of misschien eerder de eenzaamheid in ons allen, te troosten. Nico Dijkshoorn wijdde deze week een
Er valt nog veel meer over Tom Petty te vertellen, over zijn aandeel in supergroep The Traveling Wilbury’s bijvoorbeeld, en over zijn bijzondere imitatiecovers, bijvoorbeeld op het J.J.Cale-tributealbum
Eind jaren zeventig maakte ik zijn opkomst mee, onder meer via een live-optreden van Pinkpop 1977, dat ik
De popmuziek is op dit moment verstoken van schokkend nieuws, zoals het overlijden van grote namen of
Ellis is zo’n artiest die je maar eens in de paar jaar tegenkomt. Wiens muziek als een ‘bijl het ijs van ons bewustzijn splijt’. Bij mij in elk geval wel. Niemand anders schrijft op dit moment zulke spannende popsongs die zo onmiskenbaar geworteld zijn in de rootstraditie. Of andersom: niemand flirt in zijn folk- en countrysongs zo soepel met pop en jazz. En niemand balanceert ook in zijn teksten zo overtuigend op het slappe koord tussen Trouw en Ontrouw.
Tot dusver produceerde Robert Ellis (1988) vier solo-albums: The Great Re Arranger (2009), Photographs (2011), The Lights from the Chemical Plant (2014) en vorig jaar zijn meest recente, gewoon Robert Ellis getiteld, alsof het zijn debuut betreft. Het is vooral met die laatste twee platen dat Ellis zich loszingt uit het pure country- en folkidioom.
Dat nieuwste album bevindt zich dan weer wel in de mooie poptraditie van het
Maar Ellis kan en wil niet om de andere kant van de huwelijkse trouw heen, zoals in prijsnummer
Live staat de Texaan trouwens ook zijn mannetje. Afgelopen juni speelde hij, gekleed in zijn strakke spacecowboypak en ondersteund door puike vaste begeleiders, op Ribs & Blues in Raalte. Ondanks de wat lompe geluidsmix en de barbecue-achtige sfeer op het Overijsselse festival bleven zijn subtiele nummers op het podium volledig overeind.
Voor wie zoveel lof juist twijfel oproept, kijk zelf maar naar
Twee weken geleden ging het
Die zoektocht was een bijzondere ervaring. Want dat ding in mijn werkkamer waarop mijn gitaarversterker staat, bleek een IKEA-kastje vol met cassettes te zijn! Met daarnaast nog zo’n IKEA-geval, twee keer zo groot zelfs. En die verhoging onder de oud-papierbak bleek een kistje vol bijzondere soul-opnames. Een mens loopt vaak gedachteloos aan de grootste schatten voorbij.
Mijn stemming werd nog beter toen ik dacht aan de dubbelloops cassetterecorder die ik een paar jaar geleden had geërfd, met prima speakers en dito loopwerk. Daar was ik nu maar wat blij mee, even blij als met die teruggevonden bandjes. Wie wat bewaart die heeft wat, vind ik. Niet iedereen in mijn huishouden is het daar overigens mee eens.
Hoewel zelfs ik ooit flink gesneden moet hebben in de eigen cassetteverzameling uit de periode 1975 tot 2005 – het jaar waarin het Branden en het Rippen ook mij in hun greep kregen – bleek onder de overgebleven driehonderd bandjes nog veel moois te schuilen. Veel trips down memory lane, maar ook verrassingen – want wie wat bewaart vergeet soms ook wat hij heeft. Zoals het retestrak swingende Live On Planet Earth van The Neville Brothers uit 1990. Of het frisse Full Time Love van Ann Peebles uit 1992. Niet op Spotify. Wel op mijn cassettebandjes.
Topstukken in mijn collectie zijn de opnames van radioprogramma’s met concertregistraties. James Taylor live in Carré (1986), Shawn Colvin bij de Twee Meter Sessies van Jan Douwe Kroeske, Joan Armatrading van kort na Walk Under Ladders, met een prachtige uitvoering van
Zouden die oude radioconcerten nog ergens te vinden zijn? In de online-catalogus van het Instituut Beeld en Geluid in Hilversum zit onder meer de aflevering van Amigos de Musica met Mink DeVille uit 1977, en ook mogelijk het optreden van Solution uit 1979. Maar hoe zit het met de rest? Moeten we die live-opnames als voorgoed verloren beschouwen? Wie het weet mag het zeggen – en ook wie ze heeft mag zich hier melden. Mijn dank zal groot zijn.
Een onaantastbare twee-eenheid vormden ze. Walter Becker en Donald Fagen. Altijd in die volgorde. Maar nu dus niet meer. Afgelopen zondag overleed Walter Becker, 67 jaar oud. Samen met Fagen was hij in Steely Dan vanaf begin jaren zeventig verantwoordelijk voor een uniek geluid: een vernieuwende mix van pop, jazz en funk, met cryptische teksten die volop ruimte lieten voor interpretatie. Uitgevoerd door topmuzikanten in topstudio’s.
Steely Dan onttrok zich aan alle etikettering. Hoewel het lekker in het gehoor lag – luister maar eens naar
Becker en Fagen ontmoetten elkaar in hun studententijd eind jaren zestig. Geen Ze deelden een liefde voor soul, Chicago blues en jazz (dwz de jazz van vóór de mid-sixties), en voor de Marx Brothers, science fiction, Nabokov, Kurt Vonnegut en de films van Robert Altman. Volgens de mores van de tijd zetten ze zich daarmee af tegen hun opvoeding. Wel bijzonder is hoe ze al die invloeden – de muzikale, literaire én cinematografische – in onvergetelijke popsongs wisten te gieten.
Bij artiestenduo’s is de buitenwacht vaak nieuwsgierig naar de rolverdeling, de onderlinge krachtsverhoudingen. Maar daarvoor kwam je bij Becker en Fagen van een koude kermis thuis. Op het podium en in de liner notes herkenden we natuurlijk Fagen op zang en toetsen en Becker op gitaar en/of bas. Maar wie precies wat deed bij het schrijven van de nummers of in de studio, daar deden de twee altijd vaag over, net zoals ze hun eigen zieleroerselen tegenover de buitenwereld doorgaans in een nevel van wisecracks verborgen.
Over conflicten hoorden we evenmin iets. Ook niet toen het tweetal na hun zevende studioalbum Gaucho (1980) uit elkaar ging. Pas later werd duidelijk dat Beckers zware drugsverslaving in die tijd een wissel op de samenwerking trok. Het legendarische
Bij mij duurde het een tijd voordat Steely Dan aansloeg. De muziek was moeilijk te plaatsen. En week nogal af van de folk, country-rock en pubrock waar ik vooral naar luisterde. Het was jazzy, en soms leek het op disco, zoals Josie, en dat was dus Fout. En net als veel anderen was ik gewoon een beetje bang van die mannen. Een schoolvriend omschreef Becker als ‘die kale met dat lange haar’. Brrr.
Begin deze eeuw kwam het tweetal weer bij elkaar. Ze maakten twee studioalbums, Two Against Nature en Everything Must Go, goede platen die volgens de meeste critici echter niet konden tippen aan hun oudere werk. Op mijn persoonlijke Steely Dan-playlist prijken echter verrassend veel tracks van die twee platen. Ze funken bijvoorbeeld beter dan ooit, bijvoorbeeld in naar
Walter Becker was bovenal het meest onwaarschijnlijke rolmodel dat je je kunt voorstellen. Hij had een moeilijke jeugd, was introvert en niet knap. Maar intelligent, muzikaal en humoristisch was hij wel. En door zich daarop te focussen kreeg hij erkenning, werd hij rijk en beroemd. Zo bracht hij hoop in de levens van talloze verlegen nerds op deze aardbol, alsof hij zei: Kijk eens wat je tot stand kunt brengen. Niet door vooraan te gaan staan en een fraai masker op te zetten, maar door de muziek te maken die je zelf mooi vindt. Muziek die voortleeft als je er zelf niet meer zult zijn.
Vorige week zong Goeie Nummers de lof van de koebel (cowbell, campana). Het effect van
Bijvoorbeeld
Ander voorbeeld:
Wat recenter vinden we de Beastie Boys met
Wil ik hiermee dan zeggen dat elk willekeurig nummer baat zou hebben bij koebel, of bij méér koebel? Nou, daarmee ga je me toch iets te ver. Feit is dat de droge koebel-tik, een echo van zijn nederige agrarische afkomst, de rock-‘n-roll in zijn vlucht naar almaar groter en elektronischer met beide benen op de grond weet te houden, dicht bij zijn landelijke oorsprong van blues en de country in de vorige eeuw. Iets moet ons toch herinneren aan waar we vandaan komen. Laat dat dan een koebel zijn.
Hij is belangrijker dan je zou denken: de koebel. Ik bedoel niet dat ding dat in Zwitserland om de nek van runderen hangt, maar het min of meer vierkante metalen bloempotje zonder klepel waarop percussionisten en drummers tikken (zie afbeelding rechts). Het voorwerp ziet er van zichzelf al niet indrukwekkend uit en wordt vaak ook nog slordig met tape beplakt. Bovendien heeft de koebel op zichzelf niet de meest welluidende klank af. Maar toch, wat zouden we hem missen als-ie er niet meer zou zijn.
De koebel (ook wel: cowbell, campana) kwam vermoedelijk mee met de mambo of salsa vanuit Zuid- of Midden-Amerika en integreerde vandaaruit langzaam en bijna onopgemerkt in de popmuziek – om daarin uiteindelijk zijn unieke plek in te nemen. Zonder hem zouden talloze grote nummers niet bestaan.
Net als dat andere onderschatte superinstrument, de triangel, zit de koebel vaak diep verstopt in de mix. Je hoort hem nauwelijks, maar als je hem weglaat ga je hem missen. Heel erg missen. Ergens tussen de 462 andere instrumenten op Fleetwood Macs
Maar er zijn altijd mensen die de verleiding niet kunnen weerstaan om de spot te drijven met iets dat kwetsbaar en/of enigszins onooglijk is. De makers van Saturday Night Live bijvoorbeeld. ‘
Het nare is dat SNL behoorlijk in die opzet geslaagd lijkt te zijn. De laatste jaren horen we nog maar weinig koebel in de rock-‘n-roll. Doodzonde. Op deze plek wil ik dan ook, zonder een spoor van ironie, tegen de hele popwereld en daarbuiten zeggen: Meer koebel! Alsjeblieft, meer koebel!
De band bestond maar twee jaar, en maakte niet meer dan twee platen, waarvan de laatste schijnbaar zonder al te veel inspiratie. Maar die eerste, daar draait het om. Het titelloze debuut-dubbelalbum van Manassas uit 1972 blijft een wonderlijk en wonderschoon album. En wonderlijk veronachtzaamd, dat ook.
Een jaar eerder had zanger-gitarist Stephen Stills (Buffalo Springfield, Crosby, Stills, Nash & Young) een toevallige ontmoeting met zanger/multi-instrumentalist Chris Hillman (Byrds, Flying Burrito Brothers). Na toevoeging van pedal-steelgitarist hors categorie Al Perkins, het ervaren ritmetandem Dallas Taylor en Calvin Samuels, aangevuld met percussionist Joe Lala en toetsenist Paul Harris was Manassas compleet.
In de studio in Los Angeles ging het snel. Binnen een paar weken had het zevental genoeg nummers voor een dubbelalbum: Manassas. Het mooie is: je hoort gewoon de bijzondere chemie. Muziekmoleculen die op elkaar reageren. Vonken die overspatten. Een brandlucht af en toe. Veelzijdig ook: blues, folk, country, latin en rock – het is er allemaal, soms zelfs in verrassende combinaties. Luister maar eens naar
Bij al dit moois vraag je je af waarom het album en de band niet een veel grotere status hebben. Manassas is zeker zo goed als het legendarische Layla And Other Assorted Love Songs van Derek & The Dominoes (Eric Clapton) uit dezelfde periode. En live schijnt de band ongeëvenaard te zijn geweest – kijk en luister naar
Misschien ging het allemaal iets te haastig bij Manassas. De samenstelling van het album is niet perfect. Een prijsnummer als
Belangrijker is waarschijnlijk dat Manassas gewoon te kort heeft bestaan om geschiedenis te schrijven. Daar heb je net een paar jaar meer voor nodig. Maar inmiddels zijn we bijna vijftig jaar verder, en dan denk je: wat doet het ertoe. Goede wijn moet rijpen. Genieën krijgen meestal pas na hun dood erkenning. Check ‘em out.
Een heel mensenleven vangen in een liedje – kan dat? De Amerikaanse singer-songwriter Slaid Cleaves komt in elk geval een heel eind. Zijn liedjes passen in de Amerikaanse literaire traditie van de short story, waarin je als lezer voor korte tijd in de huid van een ander mens kruipt. Met een snelle duik in dat leven, een uitsnede als het ware, leer je (een deel van) zijn geschiedenis kennen, zijn worsteling, zijn hoop – net genoeg om het met je eigen verbeelding te kunnen aanvullen.
Volgens de definitie van Edgar Allan Poe, de ‘oervader’ van het genre, is de leestijd van zo’n kort verhaal een halfuur tot maximaal twee uur –
De bescheiden Cleaves (Maine, 1964), uit alt.country-mekka Austin, Texas, is al meer dan twintig jaar bezig. Zijn achtste studioalbum, het onlangs verschenen Ghost on the Car Radio, toont opnieuw zijn klasse: twaalf compacte roots-liedjes, geworteld in folk en country, maar soms ook verrassend poppy, zoals in het Beatle-eske So Good To Me.
Tekstueel bewijst Cleaves zijn meesterschap met zinnen als ‘I don’t need to watch the news to understand how this world’s been shaped by a drunken barber’s hand’ (
Nadrukkelijker dan op zijn eerdere albums dringt het achterland van het huidige Amerika zich op Ghost on the Car Radio naar de voorgrond. Het land van de Trump-stemmers, zeg maar. ‘Little Guys’ portretteert een pompbediende-garagehouder die het moderne jachtige bestaan niet meer kan bijbenen. In het samen met zijn oude makker Rod Picott geschreven
In de alt.country zijn meer sterke verhalenvertellers met een gitaar te vinden, zoals Steve Earle, Guy Clark en Townes van Zandt. Artiesten die een stuk bekender zijn dan Slaid Cleaves. Maar in kwalitatief opzicht kan hij zich met die grote namen meten. Met korte-verhalenschrijvers als Raymond Carver en James Salter ook, trouwens. Check him out.