Ik weet niet hoe het met jou zit, maar voor mij waren de jaren 80 een groot zwart gat. Muzikaal gezien dan. Verdwenen was de intimiteit van de singer-songwriters van begin jaren 70, verdwenen was ook de rebelse energie van de Britse punk en new wave van daarna. In de plaats kregen we onpersoonlijke acts met veel gespeeld drama – denk Rick Astley, Duran Duran, Ultravox, The Human League, Simple Minds, Orchestral Manoeuvres in the Dark.
Wie de popgeschiedenis vanaf de jaren 50 snel aan zich voorbij laat trekken, zal tussen 1980 en 1990 stuiten op een merkwaardige wereld die geheel in zichzelf opgesloten lijkt te zijn: absolute leegte, ingepakt in dikke lagen pathos, met synthesizers, kunstmatige galm en knallende drums uit een kastje. Geen wonder dat die muziek vanaf 1 januari 1990 al meteen gedateerd klonk.
Nou waren de doomy eigthies niet alleen moeilijk voor popfans zoals ik, ook topacts als The Rolling Stones, Joni Mitchell, Paul Simon, Stevie Wonder, Led Zeppelin en Paul McCartney zaten met de handen in het haar. Goeie nummers leken uit, flutmuziek was in. Zelfs Bob Dylan raakte in die jaren de weg kwijt.
En toch, ergens in die donkere hopeloze jaren drong af en toe een lichtstraaltje door. Eerst, in 1985, Suzanne Vega met haar Marlene On The Wall. De Newyorkse singer-songwriter bewees dat popmuziek zich nog steeds kon vernieuwen. Een jaar later ontweek Paul Simon de tijdgeest – en de culturele boycot van Zuid-Afrika – met zijn aanstekelijke album Graceland. En twee jaar later drong het kleinste én krachtigste lichtstraaltje van allemaal de verduisterde kamer binnen: Tracy Chapman, met haar klassieker Fast Car.
Met haar ontwapenende glimlach vertegenwoordigde de jonge zwarte zangeres in haar eentje zo’n beetje alles wat de jaren 80 ontbeerden: onschuld, oprecht engagement, een aan de folk- en gospeltraditie herinnerend stemgeluid. En ook eindelijk weer: een gewone, onvervormde akoestische gitaar. Chapman was het licht aan het eind van de tunnel: na haar kwamen tal van (vrouwelijke) singer-songwriters op die de geest van de jaren 60 en 70 deden herleven, zoals Nanci Griffith, Michelle Shocked, Sheryl Crow, Jeff Buckley, Elliot Smith en vele anderen daarna.
In hun kielzog hervonden ook veel van de Groten hun elan. Bonnie Raitt herpakte zich in 1989 met Nick of Time. In datzelfde jaar stelde MTV Unplugged het liedje weer centraal, met fijne gevolgen voor onder meer Neil Young, Eric Clapton en Sting – en hun fans. Ook Bob Dylan kwam in 1993 eindelijk uit zijn eighties-depressie, met het volledig akoestische World Gone Wrong.
En het zou me niets verbazen als de kiem van die wederopstanding werd gezaaid in 1992, tijdens het concert ter ere van Bobs 30-jarige albumcarrière, waarbij tal van collega-artiesten acte de présence gaven. Want wie stond daar tussen al die coryfeeën? Inderdaad, de bescheiden singer-songwriter die een paar jaar eerder de boze jaren 80 vaarwel had gekust met een liedje over een snelle auto waarmee zij en haar geliefde aan de uitzichtloosheid konden ontsnappen.
Als we veel folk-, country- en bluesnummers mogen geloven, is de drank het geneesmiddel van eerste keus bij verdriet en eenzaamheid. Maar na de roes en de vergetelheid volgt ook altijd weer de kater. De schaamte en de nadorst. Die zich het liefst laten verdrijven door een borrel of biertje. En als dit gedrag inslijt kun je wel spreken van een serieus alcoholprobleem. Net als wanneer de fles de vaste metgezel wordt op eenzame avonden.
Maar wie, behalve de verslaafde zelf, kan hem of haar er vanaf helpen? Familie en partner raken snel verstrikt in gevoelens van machteloosheid. Buitenstaanders bieden veel remedies maar vooral ook veel onbegrip. Ex-lotgenoten zijn in een betere positie om te helpen. Vooral wanneer ze goede liedjes schrijven, zoals de singer-songwriter Mary Gauthier (New Orleans, 1962).
Gauthier, als kind geadopteerd door een ongelukkig getrouwd echtpaar, raakt op jonge leeftijd al verslaafd aan alcohol en drugs. Op haar 35
In
In het refrein steekt Gauthier haar (voormalige) lotgenoten nog nadrukkelijker een hart onder de riem. Vissen zwemmen, vogels vliegen, vaders schreeuwen en moeders huilen, oude mannen peinzen, zingt ze. Het is hun wezen, ze kunnen niet anders. En ik? Ik ben een drinker. Net als jij, lijkt ze te zeggen tegen wie het horen wil.
Gauthier doet niet aan ontkennen, bagatelliseren of romantiseren. Geen uitvluchten alsjeblieft. Aanvaarding is de sleutel. Je hoeft je niet schuldig te voelen. Als je geen drinker was, had je ook niet gedronken. Exit dat fnuikende gevoel van falen, dat je weer naar de fles doet grijpen. Sterker nog, een geliefde die jou dat slechte gevoel geeft door je te willen veranderen, da’s pas erg. Dan is een glas whiskey beter gezelschap.
Geen wijzend vingertje, geen melodramatisch gedoe, geen hallelujah. Dit lied is geen opgepoetste levensles. Wel overtuigend. Alleen door te accepteren wie je bent kun je een begin maken met het aanpakken van je probleem.
In het voorjaar van 1966 trok Bob Dylan zich terug in de landelijke omgeving van het kunstenaarsdorpje Woodstock, op een paar uur afstand van New York. Weg van de muziekbusiness en de persmuskieten, misschien ook weg van de herinneringen aan de wereldtournee van het afgelopen jaar, met publiek dat hem uitschold voor verrader omdat hij ‘elektrisch was gegaan’.
In het najaar voegden The Hawks, Dylans uit Canada afkomstige begeleidingsband, zich bij hem. Gitarist Robbie Robertson huurde met zijn vrouw Dominique een eigen woning; bassist Rick Danko, pianist Richard Manuel en organist Garth Hudson betrokken samen voor 125 dollar per maand een groot vrijstaand huis in West Saugerties dat in de volksmond ‘Big Pink’ werd genoemd.
Het grote huis herbergde onder meer een ruime kelder, en die veranderde dus al snel in een repetitieruimte annex opnamestudio. En in die sfeer van ongekende vrijheid en afzondering ontstond iets wat je wel een nieuw muziekgenre kunt noemen. Dylan en de vier Canadezen – plus de uit Arkansas afkomstige drummer Levon Helm, die zich met zijn oude Hawks-maten had herenigd – putten diep uit de rijke folk-, country-, blues- en gospeltradities van hun land. En maakten daar vervolgens gloednieuwe en bezielde rock-‘n-roll van. De nummers die ze spelenderwijs opnamen zouden in 1975 officieel verschijnen als The Basement Tapes.
Maar de eerste versie van The Basement Tapes kwam al uit op 1 juli 1968: Music From Big Pink van The Band, zoals The Hawks zich inmiddels waren gaan noemen. Vandaag precies een halve eeuw geleden. Het album bevat drie (deels) door Dylan geschreven nummers uit de keldersessies, maar is toch op en top The Band, met de stemmen en composities van Helm, Manuel, Danko en Robertson en klassiekers als
Music From Big Pink sloeg in als een bom, in de VS en daarbuiten. De muziek bood iets waar de rockwereld op dat moment naar snakte, aldus de bekende Amerikaanse criticus Greil Marcus. Het album opende een vergeten wereld, een oer-Amerika dat in de voorgaande decennia onzichtbaar was geworden, maar onder de radar was blijven bestaan: the Old Weird America. Dylan en The Band groeven die ondergrondse stroming op en wekten haar tot leven.
En wat bijzonder was, hun muziek was dan wel doordesemd van de traditie, maar allesbehalve nostalgisch. De wereld van boeren, gokkers, zwervers en eenzame oude vrijsters die ze bezongen was in de eerste plaats hard, angstig en onzeker. Omstandigheden die ook Amerikaanse stedelingen in de tweede helft van de 20e eeuw bekend voorkwamen – en blijkbaar ook die in Europa.
De betekenis van The Band en Music From Big Pink is moeilijk te overschatten. Hun stijl – ongepolijst, authentiek en tijdloos – ging lijnrecht in tegen de gladde en vluchtige oppervlakkigheid van veel andere popmuziek. The Band was daarmee de belangrijkste inspiratiebron van de latere alt.country- of americana-stroming, met bands als Wilco, Los Lobos, Old Crow Medicine Show, The Gourds en The Drive-By-Truckers. Sterker nog, er loopt een bijna rechte lijn van het bebaarde vijftal naar de hipstergeneratie van nu, al werd er in die tijd nog weinig latte macchiato maar des te meer alcohol gedronken.
Big Pink is de plaat waarmee dat allemaal begon. Hij zou gevolgd worden door The Band’s titelloze tweede album, met evergreens als
De kop van deze blogpost is een ietsie-pietsie misleidend. Want hoewel ik het meest luister naar singer-songwriters en ouderwets-goeie soul, dringt er al geruime tijd muziek uit Zuid- en Midden-Amerika inclusief de Cariben door in mijn bubbel. En in de jaren 80 zong ik nota bene in een latinrockband. Maar afgezien van reggae besteedde Goeie Nummers er tot nog toe weinig aandacht aan. Ten onrechte.
Daarom vandaag een paar namen, en dan om te beginnen maar meteen die van de grootsten:
En een jaar of wat geleden presenteerde de Volkskrant de cd-verzamelbox De Toptijd van de Salsa, samengesteld door jazz-expert Koen Schouten: vijf wereldplaten uit de jaren 60 en 70 van
Hedendaagse salsa – ook heel tof – wordt onder meer gemaakt door Afrikando, Issac Delgado en de half-Nederlandse trompettiste Maite Hontelé. Tik die namen in YouTube of Spotify en ga luisteren. Aan het weergaloze
De reden waarom het hier bij Goeie Nummers ondanks al dat moois bijna nooit over latin gaat: ik spreek maar twee woorden Spaans. Corazon is hart en amor liefde, verder kom ik niet. Daarom luister ik naar die merengues, rumba’s, mambo’s, cumbia, son enzovoort alsof het te gekke dansbare instrumentale jazz is waarin ook de stemmen instrumenten zijn. Muziek waaraan je je met lijf en leden overgeeft en je hoofd thuislaat. Heerlijk.
Volgend weekend kun jij dat allemaal ook gaan doen! Van vrijdag 29 juni tot en met zondag 1 juli vindt in mijn woonplaats Amersfoort festival
47 is geen jubileumgetal, maar de verjaardag van Songs for Beginners, dat verscheen op 28 mei 1971, mag wat mij betreft elke keer gevierd worden. De bescheidenheid die uit de titel sprak maakte de critici mogelijk blind voor de pure klasse van Graham Nash’ solodebuut, maar terugkijkend en -luisterend moet je constateren dat het in al zijn eenvoud en directheid gewoon een meesterwerk is. Een uniek breakupalbum ook.
Nash, geboren in 1942 in Noord-Engeland, maakte eerst furore in de popgroep The Hollies. In 1969 stak hij over naar de VS. Daar hoopte hij zich bij nieuwe vlam Joni Mitchell te voegen en nieuwe muzikale wegen in te slaan, aangestoken door de sfeer van vrijheid en creativiteit die aan de Amerikaanse westkust heerste.
In een
Het huis in Laurel Canyon was een idylle: twee jonge getalenteerde mensen die onder de Californische zon musiceerden, elkaar liefhadden en vrienden ontvingen. En het kon dus ook niet blijven duren. In juni 1970 verbrak Mitchell de relatie, Nash achterlatend met een gebroken hart. Zij zou over hem zingen in nummers als ‘My Old Man’ en ‘River’ van haar klassieker Blue. Nash maakte Songs for Beginners.
Het was een van de eerste albums die ik als puber kocht, de helft van een dubbelelpee – de andere helft was David Crosby’s solodebuut If I Could Only Remember Your Name. Totaal contrasterende platen: Crosby’s uitgesponnen acid-folkstukken tegenover de elf kraakheldere ambachtelijke popsongs van Nash. Er zaten heel wat weken zakgeld in die dubbelaar, maar hij was het waard.
Het bijzondere van Songs for Beginners: het is een breakup- en doorstartplaat ineen. Je voelt Nash’ diepe pijn, maar ook de veerkracht van een working class Brit die zichzelf uit het moeras omhoog trekt: Someone is gonna take my heart, Noone is gonna break my heart again, zingt hij in het intrieste én glorieuze
Nash weet zich op het album omringd door fantastische muzikanten die zich volledig inleven in zijn songs. Dat moet ook hebben geholpen. Luister naar het hartverscheurende
In een roman is de eerste zin van groot belang. Sommige zijn zelfs beroemd, zoals Nescio’s ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’ of Marcellus Emants’ ‘Mijn vrouw is dood en reeds begraven’. Maar in de popmuziek is de eerste regel misschien nog wel belangrijker. Een valse of zwakke start is nauwelijks goed te maken in de lange sprint die een popsong nu eenmaal is. De eerste zin moet de luisteraar meteen pakken, om hem vervolgens mee te sleuren en niet meer los te laten voordat het lied ten einde is. Ga er maar aan staan.
Bob Dylan is een meester van de openingsregel. Krachtig en intiem in Going, Going, Gone: ‘I’ve just reached the place where the willow don’t bend’ (zie
Zijn collega Joni Mitchell bekende later hoe ze destijds, in de jaren 60, van haar sokken werd geblazen door Dylans ongehoord snerende beginzin ‘You got a lotta nerve to say you are my friend’ (Positively 4th Street). Maar La Mitchell ontwikkelde zelf ook bijzondere openingszetten voor haar autobiografische songs. ‘Just before our love got lost, you said “I am as constant as a northern star” (A Case Of You) bijvoorbeeld. Of ‘Help me, I think I’m falling, in love again’ (Help me). Een van haar mooiste liedjes,
Een doodgewoon zinnetje, van iemand die een recente gebeurtenis uit haar eigen leven aan een vriendin vertelt. Maar we zien in die eerste zin al heel veel: dit lied is een monoloog, een virtuele brief van de zangeres aan een vriendin. In Mitchells biografie Reckless Daughter las ik dat deze Sharon daadwerkelijk een jeugdvriendin van Joni was, en deze wetenschap maakt het lied voor mij nog indrukwekkender. Je voelt hoe de artieste een poging doet om de afstand tot haar oude vriendin te overbruggen – en ook om zichzelf en passant beter te begrijpen. En ondertussen reizen we als luisteraars met haar mee.
De concrete, uit het leven gegrepen trip van de zangeres naar Staten Island zet een hele reeks associaties en overdenkingen in gang. Het lied gaat aan de oppervlakte over een reisje met de veerboot naar een gitaarwinkel, maar daaronder over veel belangrijker zaken – over ontheemd zijn, over de droom van de romantische liefde, over de existentiële keuzes die een moderne vrouw moet maken en de prijs die daarvoor betaald moet worden. En dat volgt allemaal uit die eerste zin, heel natuurlijk, alsof het vanzelf gaat. Fantastisch.
De afgelopen weken ging het hier op Goeie Nummers vaak over broers en zussen, met name over hoe het is als die samen in een popgroep zitten. Niet alleen pais en vree, zo bleek.
Als mensen het hebben over de relatie tussen broer en zus klinkt er vaak een ander geluid: minder rivaliteit, meer harmonie, karakters die elkaar aanvullen. Of niet? Op zijn album History uit 1992 heeft de Amerikaanse singer-songwriter Loudon Wainwright III het thema van de broer-zus-relatie gevangen in een liedje van tijdloze klasse:
Op de piano van de zanger staat een oude zwart-witfoto van hemzelf en zijn zusje: herfstbladeren op de grond, twee kinderen, 6 en 5 jaar oud, die aan tafel zitten te kleuren. Het meisje kijkt naar haar grote broer om te zien hoe ze het moet doen. Een vertederend tafereel waarin hun hele kinderwereld lijkt te zijn samengevat. Herkenbaar ook. Wainwright is vast niet de enige met zo’n fotolijstje op de piano of in de kast.
Maar dan duikt de zanger – die bekendstaat om zijn wrange humor – naar de laag ónder de idylle. In een paar zinnen krijgen we een paar ongemakkelijke waarheden voor de kiezen: een broer houdt van zijn zusje omdat hij haar lekker kan koeioneren, zegt hij, en hij beschermt haar vooral omdat zij hem steeds blijft bewonderen, ook op de momenten dat hij aan zichzelf twijfelt.
Het is een flinke tik die Wainwright hier aan zichzelf en zijn medebroeders uitdeelt, maar heeft hij ook gelijk? Nou ja, toch wel een beetje, denk ik (en als broer van een twee jaar jonger zusje kan ik het weten). In het laatste couplet plaatst hij hun relatie in de bredere context. De zanger herinnert zijn zusje eerst aan hun overleden vader, die hun had kunnen vertellen welke auto er precies op de foto afgebeeld staat, en hij vervolgt:
Van de idylle is weinig meer over. De tijd is het allerwreedste monster. De achterliggende jaren hebben niet alleen de buitenwereld veranderd, maar ook broer en zus zelf. Hun kinderparadijs is verdwenen. De zanger lijdt daaronder, dat voel je. En wij lijden met hem mee, want we herkennen het gevoel. En toch is het lied ontroerend en prachtig en op de een of andere manier troostend. De idylle is ook een gedeelde herinnering die niemand broer en zus kan afnemen.
Een liedje, eenmaal vastgelegd en ter wereld gebracht, blijft steeds hetzelfde. Maar jijzelf verandert wel. Er zijn liedjes die na verloop van tijd hun bekoring verliezen, andere hebben de bijzondere eigenschap dat ze met je mee lijken te groeien. Dat je er elke keer weer iets nieuws in hoort. Bob Dylans ‘Going, Going, Gone’ van
In 1978 viste ik als middelbare scholier bij de lokale platenboer een afgeprijsd exemplaar van Planet Waves uit de bakken. Met zo’n knipje (cut-out) erin. Ik kocht hem vooral omdat The Band erop meespeelde, ik was toen nog niet zo’n Dylan-fan. Het Canadees-Amerikaanse vijftal had Dylan al in 1966 begeleid tijdens de roemruchte toernee waarop hij ‘elektrisch ging’, en hun unieke samenspel maakt Planet Waves tot een echte bandplaat.
Het album opent voor Dylans doen uitermate vrolijk met het up-tempo ‘On A Night Like This’. Als die klanken zijn weggestorven volgt een slepend, bijna onheilspellend intro. Als de ochtend na een wild dansfeest. Robbie Robertsons gitaarlicks klinken alsof ze door een samengeknepen strot naar buiten worden geperst.
‘I’ve just reached the place where the willow don’t bend.’ Het beeld dat oprijst uit die eerste regel, een van de mooiste uit de popmuziek, raakt me elke keer weer, en steeds blijft het haken aan iets anders in mijn leven. Als tiener zag ik een desolaat landschap, een boom die niet verder wil buigen voor de wind, een eenzame reiziger die weg wil uit een verstikkende situatie. En ik liet me meevoeren op de klanken.
Later, toen ik als twintiger vastzat in een onmogelijke liefde, resoneerde vooral de diepere laag: de onmacht en de zoektocht naar een uitweg. Dylans stem klinkt in dit lied misschien wel indringender en persoonlijker dan ooit, hij zingt alsof zijn leven ervan afhangt. En misschien was dat ook zo; veel popcritici wezen op de zinsnede ‘I’ve been livin’ on the edge / Now, I’ve just got to go before I get to the ledge’.
Het lied toonde mij toen hoe je je uit een kluwen van destructieve krachten – van buiten, maar ook van binnen – kunt bevrijden. Het leek tegen me te zeggen: ‘ergens in jou zit een harde, onaantastbare kern waar niemand aan kan komen, jouw levensdrift die niemand je kan afpakken.’ Dylans refrein gaf me een zetje: ik ga, ja ik ga, ik ben weg. Dank je, Bob.
Jaren later, toen ik in een zware periode te lang achtereen uit mijn reservoir van troost en medeleven had geput, dook die beginregel opnieuw in mijn hoofd op. Hij hielp me om te erkennen dat ik aan het eind van een pad was aanbeland, dat ik een afslag moest pakken. Bijzonder dat een lied zo lang met je meegaat en steeds weer betekenisvol kan zijn.
‘Going, Going, Gone’ mag dan vooral een lied voor donkere tijden zijn, er moeten vast ook meegroeiliedjes met een totaal ander karakter te vinden zijn. Misschien zelfs echte happy songs die samen met jou volwassen en oud willen worden. Heb je een mooi voorbeeld, deel het hier op Goeie Nummers!
In de popmuziek wemelt het van de broersbands. Aan sommige kunt je de bloedverwantschap niet meteen aflezen, zoals Split Enz (Tim en Neil Finn), Spandau Ballet (Gary en Martin Kemp) en Creedence Clearwater Revival (John en Tom Fogerty). Ook bij AC/DC (Angus en Malcolm Young), Kings of Leon, Beach Boys en Bee Gees (drie broers in de gelederen) en The National (twee broederparen) ligt de bloedverwantschap niet aan de oppervlakte. Bij andere formaties juist wel, waarschijnlijk vanuit marketingoogpunt, want hij is meteen zichtbaar in de bandnaam: The Allman Brothers Band, The Neville Brothers, The Everly Brothers en The Isley Brothers.
Die
Voorbeeld 1: The Kinks. De band van Ray Davies en zijn jongere broer Dave scoorde vanaf 1964 hit na hit (Waterloo Sunset,
Kaïn en Abel hadden ook respectabele erfgenamen in de Britse reggaeformatie UB40. De Birminghamse broertjes Ali en Robin Campbell hadden in de jaren 80 zoveel succes met hun band dat ze de bijstand al snel vaarwel konden zeggen. Maar hoewel je dat aan
En dan de bekendste van alle twistbroeders, Oasis’ Liam en Noel Gallagher. Lekkere liedjes maakten de Britten in de jaren 90, zoals
Dat het ook anders kan, bewezen Eddie en Alex Van Halen van de gelijknamige hardrockband. Tot aan Eddies dood in 2020 speelden de twee meer dan 45 jaar gebroederlijk samen in hun succesformatie. Bovendien kwamen ze steevast als winnaars uit de strijd in conflicten met andere bandleden, zoals leadzangers David Lee Roth, Sammy Hagar en Gary Cherone. De familieband biedt hier duidelijk bescherming tegen vijandige overnames. Een paar jaar geleden werd ook nog bassist Michael Anthony vervangen door Eddies zoon Wolfgang Van Halen. Zo regel je meteen de bedrijfsopvolging. Verstandig, toch?
Wegens tijdgebrek deze week op Goeie Nummers geen eigen verhaaltje, maar een link naar
Er zijn van die liedjes die me altijd opvrolijken, hoe chagrijnig of lamlendig ik me op dat moment ook voel. Vaak ongecompliceerde deunen die toch uitnodigen om nog een keer op te zetten. Vandaag presenteer ik er een paar die jou hopelijk ook goeie zin geven.
Juan Luis Guerra (Santa Domingo, 1957) is sinds de jaren 80 een hele grote meneer in Latijns-Amerika. Wereldwijd verkocht hij miljoenen platen en won hij diverse Grammy’s. Zijn album Todo Tiene Su Hora (2014) opent met het onweerstaanbare
Chet Atkins en Mark Knopfler tappen op hun samenwerkingsalbum Neck and Neck (1990) uit rustiger vaatje met
Als de magie van Atkins en Knopfler een beetje is uitgewerkt, kan ik bij Jesse Dayton terecht. De Texaanse zanger-gitarist die onder andere Johnny Cash en Waylon Jennings begeleidde, bracht in 2004 het solo-album Country Soul Brother uit, met daarop de dopaminerijke uptempo countrypunk-gospeltrack
Waar denk je aan bij het woord voodoo? Waarschijnlijk aan duistere rituelen en enge poppetjes met naalden. Dat is het beeld dat films en andere populaire media bij ons op het netvlies hebben gebrand. In werkelijkheid bevindt voodoo zich in je eigen platenkast.
Deze verrassende les is te vinden in het vorig jaar verschenen boek Voudou van Leendert van der Valk. De muziekjournalist maakte eerder al indruk met
De eerste ontdekking is dat het niet puur om muziek gaat maar om een religie. Maar dan een die onlosmakelijk verbonden is met muziek: voodoo. Voodoo – knoop het in je oren – is niets meer of minder dan de meergoden-religie die van de 16e tot in 19e eeuw vanuit Afrika meereisde in de slavenschepen naar Noord- en Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Een religie waarin de dansende gelovigen via liedjes en complexe drumritmes in contact komen met het hogere.
In het nieuwe land fungeerde voodoo voor de slaven als het onzichtbare cement dat hen met elkaar en hun land van herkomst verbond. Het geloof werd meestal door de christelijke machthebbers verboden, maar ondergronds leefde het voort. En in de 20e eeuw kwam het naar boven: in de jazz en in de eerste vormen van wat tegenwoordig valt onder de noemer popmuziek – of blues, rock-‘n-roll, soul, gospel, r&b, salsa, latin, funk, kaseko, reggae of rock.
In gospelmuziek zit het vraag-en-antwoordpatroon van de voodoorituelen, en het klappen vervangt de oorspronkelijke trommels. In de blues van Robert Johnson is de Afrikaanse bemiddelende god Legba veranderd in de christelijke duivel. En in de rock-‘n-roll herken je de clave – de kenmerkende vijf basisaccenten van West-Afrikaanse ritmes. Wat een injectie is dat geweest. Tot dan toe was populaire muziek een behoorlijk duffe bedoening die vooral hoofd en hart aansprak. Met de groove van voodoo mochten ook lichaam en ziel eindelijk meedoen.
Voudou is een rijk boek, vol informatie en – soms duizelingwekkende – ervaringen. Te veel om hier even samen te vatten, maar één citaat kan ook veel zeggen: ‘Soms lijkt het alsof de Atlantische Oceaan een gigantische draaikolk is die ritmische wrakstukken van de stranden oppikt en ze op andere continenten laat aanspoelen, om ze eeuwen later weer terug te slingeren.’ Wow. Wat een prachtig beeld. De beïnvloeding gaat dus niet alleen van oost naar west, maar maakt een cirkelbeweging die nog steeds doorgaat: James Brown putte in de jaren 50 uit Afrikaanse bronnen voor zijn opzwepende funk; Nigeriaan Fela Kuti haalde de inspiratie voor zijn seventies afrobeat op zijn beurt bij Mr. Dynamite. En zo gaat het door.
Dat laat ik me geen tweede keer gebeuren, dacht ik
En wat een debuut was het, op 17 februari 1978. Te midden van het geweld van punk en new wave en de doordreunende disco van die jaren keek de wereld verwonderd naar dit nieuwe fenomeen dat, 19 lentes jong, met ‘Wuthering Heights’ de eerste door een vrouw geschreven en gezongen nummer 1-hit in Groot-Brittannië scoorde.
Een onwaarschijnlijke hit ook: die geëxalteerde romantiek, die hoog boven de royale orkestratie uittorenende stem met deftige Britse dictie – je waande je op de nevelige Engelse moors, bezocht door geesten uit het verleden. Gothic van voordat dat woord überhaupt in de popmuziek voorkwam. Zelfs als je muzieksmaak zich beperkte tot Amerikaanse countryrockers in houthakkershemden (zoals bij mij) kon je je moeilijk aan de magie van het nummer onttrekken. Bovendien, het oog wil ook wat, en dat werd door Bush eveneens uitstekend bediend, bijvoorbeeld
Onlangs werd mijn oog opnieuw naar de zangeres getrokken, nu op de cover van de geheel aan haar gewijde Uncut-uitgave Kate Bush – The Ultimate Music Guide. De hoofdmoot van dit dikke glossy tijdschrift bestaat uit chronologisch gerangschikte interviews en recensies die door de jaren heen in de muziekbladen verschenen. Een interessante
En zo, achterwaarts door haar werk reizend, kreeg ik een steeds completer beeld van Bush’ ontwikkeling. Het valt op hoe extravagant mensen The Kick Inside bij verschijning vonden – terwijl dat nog maar het begin was. De jonge singer-songwriter zocht steeds eigenzinniger haar eigen grenzen en die van de popmuziek op met albums als The Dreaming (1982), Hounds of Love (1985, mijn persoonlijke favoriet) en The Sensual World (1989). Artrock, artpop, progrock, baroque rock, experimental pop – al deze etiketten volstonden niet om haar liedjes vol soundcollages, middeleeuwse instrumenten, moderne elektronica, vervormde stemmen en gesproken woord definitief te duiden.
Dat geldt ook voor Bush’ filmische en literaire teksten, die bol staan van verwondering en sensualiteit. Op haar album Aerial, dat na twaalf jaar radiostilte in 2005 verscheen, bezingt ze zelfs de vreugden van
Met deze bijzondere kwaliteiten neemt Kate Bush een volledig eigen plek binnen de rock-‘n-roll in. En die kwaliteiten zijn op The Kick Inside in de kiem al aanwezig. Luister nog maar eens naar 
De verjaardag van Dixie Chicken, daar ging het om. Topplaat van de Amerikaanse southern rock-topband Little Feat, verschenen op 25 januari 1973. Louter topummers, in een originele mix van blues, rock, country, ragtime, New Orleans-funk en jazz. 45 jaar is ze inmiddels, onze Southern Belle. Wat ouder geworden natuurlijk, maar nog altijd beeldschoon.
De tweede bezetting van Little Feat, van 1972 tot 1979, is zo’n typisch geval van ‘het geheel is meer dan de som der delen’. Een cult-band, zonder hits, maar wel bewonderd door publiek, critici en vooral collega-muzikanten. Een acquired taste ook, vanwege hun uitwaaierende stijl: frontman Lowell George, met uniek melodieus-bluesy stemgeluid en dito slidegitaar; de ervaren sessie-gitarist Paul Barrère; het veelzijdige toetsenbeest Bill Payne; de driekoppige ritmesectie die vette grooves neerlegt ‘zonder die te spelen’. Het bezielde samenspel van het sextet geldt sindsdien als een soort heilige graal voor veel andere popmuzikanten, van Robert Plant en Phish tot Sheryl Crow en de Tedeshi Trucks Band.
In 1979 sloeg het noodlot toe. De zwaarlijvige en zwaargebruikende George bezweek op 34-jarige leeftijd aan een hartaanval. Little Feat stortte in elkaar, en pas jaren later durfden de andere leden de band nieuw leven in te blazen, zoals Bill Payne destijds aan popjournalist Geert Henderickx
Dixie Chicken is het derde en wat mij betreft meest consistente studio-album uit Little Feat’s toptijd. Geen zwakke plekken te vinden, vanaf de meezingbare titeltrack tot het afsluitende instrumentaaltje ‘Lafayette Railroad’. Speciale vermelding voor de dwarsfluit in het bluesy
Little Feat was ook een ijzersterke podium-act, met zoveel muzikale bagage dat er volop ruimte was voor improvisatie. Luister naar de live-versies van vier topstukken van het verjarende album:
Goed sorry zeggen is een kunst. Boef kan erover meepraten. De rapper betitelde enkele vrouwen van wie hij op Nieuwjaarsnacht een lift kreeg op Twitter als ‘kechs’ (hoeren) en kreeg vervolgens wekenlang het halve land over zich heen. Met een geslaagde ‘knievalrap’
Psychologen en andere deskundigen stellen dat excuses maken buitengewoon belangrijk is voor het herstellen van persoonlijke, professionele en maatschappelijke relaties. Maar het luistert wel nauw. Met een ondeugdelijke mea culpa maak je de zaak eerder erger dan beter. Communicatie-experts adviseren dan ook om 1) tijdig (niet te vroeg maar zéker niet te laat) en 2) oprecht (niet halfhartig) 3) spijt te betuigen voor wat je gedaan hebt (en niet voor het feit dat een ander zich gekrenkt voelt) en 4) daarvoor geen verzachtende omstandigheden aan te voeren (geen ‘maar’s dus).
De popmuziek kent heel wat boetekleed-liedjes – denk aan alle songtitels met ‘sorry’, ‘blame’, ‘forgive’ en ‘wrong’ erin. Popartiesten zijn kennelijk ook maar mensen. Maar welke muzikale spijtbetuiging is overtuigend? Wanneer ga je geloven dat de excuses oprecht zijn? Laten we die vier communicatietips eens als meetlat gebruiken voor een paar van zulke liedjes.
Eerst De Jeugd van Tegenwoordig, met
Dan Eels, met
Desondanks heeft ook E een verzachtertje nodig: hij dacht destijds zo negatief over zichzelf dat hij zich niet kon voorstellen dat iemand anders hem de moeite waard kon vinden. Tja, wat moeten we hiervan vinden? Het voordeel van de twijfel, zou ik zeggen. Het werk van de Amerikaanse singer-songwriter verschaft hem geloofwaardigheid of het punt van oprechte zelfverachting. Bovendien weet E in al deze treurnis nog een sprankje humor te brengen: ‘I’m a little too late, by three or four years’. Zo iemand vergeef je veel.
Waarmee nog maar eens is bewezen hoe moeilijk het is om goed sorry te zeggen is, ook in een lied. Of ben ik nu te vergevingsgezind? Sorry. Laten we luisteren naar
Een tijdje terug schreef ik hier op Goeie Nummers over reggaelegende
Steffens wekt de wereld van de hoofdpersoon tot leven alsof je er zelf bij bent. Hij laat Marleys levensverhaal grotendeels vertellen door een lange stoet vrienden, bandleden en andere betrokkenen, vanaf Marleys jongensjaren tot zijn vroegtijdige dood aan kanker in 1981. Zo krijgen we onder meer een levendig beeld van de jeugdige zanger in de Jamaicaanse hoofdstad Kingston, waar hij in de jaren 60 met muzikale kompanen Peter Tosh en Bunny Wailer eindeloos oefent op meerstemmige zangpartijen, geïnspireerd door de Amerikaanse popsoul van Curtis Mayfield en diens groep The Impressions.
Nog interessanter wordt zo’n levensbeschrijving als die je de ogen opent voor iets wat je tot dusver over het hoofd hebt gezien. Het is misschien wat naïef, maar ik beschouwde Bob Marley en zijn Wailers onbewust altijd als een soort Amerikaanse artiesten. Jamaica lag in de Cariben, dus vanuit hier gezien dicht bij de VS. En ze zongen in het Engels – een ongebruikelijk Engels weliswaar, maar niet moeilijker te verstaan dan dat van Otis Redding of Bob Dylan.
Door Steffens boek besefte ik dat ik het al die tijd verkeerd zag. Marley was een artiest uit de Derde Wereld, niet uit Amerika. Het Jamaica van Marleys tijd was een voormalige Britse kolonie die pas in 1962 onafhankelijk werd. Een witte bovenlaag maakte er nog steeds de dienst uit. De zwarte bevolking was veelal straatarm. Jamaica deed dus in veel opzichten meer denken aan Zimbabwe of Zuid-Afrika dan aan de VS.
Als aanhanger van het
Door deze biografie, die gelukkig niet meedoet aan die heiligenverering, ging ik ook opnieuw naar Marleys werk luisteren. Naar
De meest overtuigende manier om een huwelijksaanzoek te doen is niet op één knie, bloemen enzovoort, maar natuurlijk met muziek. Dat wisten onze voorouders al, ze hebben enkele eeuwen geleden niet voor niets de aubade uitgevonden: een lied waarin een man zijn aanbedene het hof maakt, liefst onder aan haar raam – ze deden toen nog amper aan genderneutraal – onder begeleiding van een lieflijk betokkeld snaarinstrument. Geef toe, welk hart zou daar niet van smelten?
Als je de schrijvers uit vervlogen tijden mag geloven, klonken deze muzikale aanzoeken van edelen en troubadours in de Middeleeuwen en de Renaissance geregeld op allelei openbare gelegenheden. Om de een of andere reden hoor je ze tegenwoordig nog maar zelden, en dat is jammer. Een mogelijke verklaring is dat aubades nu gewoon verstopt zitten in popliedjes.
Voor het fraaiste aanzoekliedje moeten we wel een stukje terug in de tijd, toen we de huwelijkse geloften nog wat letterlijker namen dan tegenwoordig. Naar 1957, om precies te zijn. In dat jaar steeg
Sam Cooke (1931-1964), afkomstig uit een zwart domineesgezin met acht kinderen, begon zijn korte en stormachtige carrière als gospelzanger en switchte daarna naar pop en soul. Crooner Nat King Cole was zijn grote voorbeeld, maar de ruigere stijl van de soul trok hem ook. Als zanger was Cooke een natural. Hij had het allemaal: kracht, bereik, zuiverheid, souplesse, en desgewenst gaf hij zijn stem een rauw randje mee. En dat alles zonder dat het hem enige moeite leek te kosten.
In You Send Me toont Cooke zijn zoetgevooisde, intieme benadering. We zien de twee geliefden meteen voor ons, ze zijn al vertrouwd met elkaar: ‘Darling, you send me, honest you do.’ De zanger bekent dan dat hij zijn gevoelens een tijdlang niet serieus durfde te nemen: ‘At first I thought it was infatuation.’ Die overwonnen bindingsangst maakt zijn liefdesverklaring des te geloofwaardiger: ‘Now I find myself wanting to marry you / and take you home.’ Zo simpel, zo direct, zo puur. Zo ouderwets bijna. En dan die onvergelijkbare stem van Cooke – je ziet bruid en bruidegom al bijna naar het altaar lopen.
Maar voor wie nu nog aarzelt met haar jawoord, hier is
Wij mensen zijn natuurlijk au fond een stelletje slampampers, met al onze verkeerde gewoontes: te veel drinken, eten, werken en piekeren en te weinig sporten, ontspannen en liefhebben. We nemen ons dan ook geregeld voor, met name aan het begin van het nieuwe jaar, om het nu eens anders te aan te pakken. We weten in ons hart ook best hoe dat moet. En toch, eerlijk is eerlijk, komt er meestal niet veel van. Het vlees is nu eenmaal zwak.
En daar zitten we dan ook nog eens mee. Raymond van het Groenewoud heeft deze terugkerende paradox prachtig weten te vangen in een lied op zijn album De laatste rit uit 2011. De Vlaamse veteraan, die al menig klassieker op zijn naam heeft staan – denk aan
Bij de eerste regels ben je meteen wakker: ‘Niet met een heel jong meisje / Niet met een and’re man / Ook niet met and’re dieren / Daar komt ellende van’. De kerkelijke verboden die de Belg waarschijnlijk met de paplepel zijn ingegoten veranderen verderop in het lied in meer universele deugden: mededogen, naastenliefde, ruimhartigheid en vasthoudendheid. Prachtige idealen, stuk voor stuk de moeite van het nastreven waard, zoveel maakt Van het Groenewoud wel duidelijk.
De uitkomst echter, alles overziend, is steeds dezelfde: ‘Ik weet het wel / Ik ken dat lied / Ik weet het wel / Maar ‘k onthou het niet.’ De zanger beseft dat zijn eigen gedrag angstwekkend ver van het ideaal verwijderd blijft. De onmacht lijkt hem in zijn greep te krijgen. In het tussenstuk schreeuwt hij het uit: ‘Maar ‘k onthou het niet, ‘k onthou het niet / Het is te moeilijk, ’t is te moeilijk.’
In de eeuwige strijd tussen verheven idealen en het menselijk tekort vindt Van het Groenewoud geen hulp in de goede maar juist in een slechte eigenschap. Een falend geheugen als medicijn. Aanvaard je beperkingen, zo luidt de boodschap van de zanger, zodat je niet aan zelfhaat ten onder gaat. Hij wijst ons handzaam de weg door het laatste refrein bewust niet af te maken. Zijn laatste woorden zijn ‘ik weet het wel’ – zodat we het zelf mogen aanvullen.
Voor een goed kerstliedje hoeven er geen kerstwoorden in de titel of het refrein te staan. Een enkele verwijzing in een hoekje van een vers volstaat. Dat bewijst John Mayer in
De Amerikaanse zanger-gitarist brak in 2006 door met het album Continuum, dat paradoxaal genoeg aansloeg bij jonge (vrouwelijke) fans én bij collega-muzikanten. ‘Waiting On The World To Change’, van datzelfde album, lijkt zelf ook behoorlijk tegenstrijdig: een vette groove, een lekker meezingbaar refrein, maar qua tekst op het eerste gezicht allesbehalve opwekkend.
Even verderop spiegelt hij ons voor dat alles beter zal gaan als zijn generatie eenmaal het heft in handen krijgt. Toen ik het voor het eerst hoorde, wist ik niet van ik ervan moest denken. Dat werd nog sterker bij het derde couplet, waarin Mayer ook de kerstperiode erbij haalt:
Mayers ‘oplossing’, die hij ons in het refrein steeds voorhoudt, is om te wachten tot de wereld verandert, onder het circulaire motto: ‘we kunnen niets doen, dus doen we maar niets’. Dat klinkt behoorlijk defensief, als een excuus, zo je wilt.
Maar het knappe is: in het eerste refrein kun je Mayers woorden nog opvatten als een serieus gemeend pleidooi, als rechtvaardiging. Maar bij het derde of vierde refrein gaat dat niet meer. Je wordt een beetje ziek van die herkenbare maar o zo futiele uitweg die je wordt geboden. Het lied vertelt je dat het tijd is om die onzin achter je te laten – en gewoon te doen wat je kunt om de wereld een beetje beter te maken. Zo heeft de zanger ‘Waiting On The World To Change’ natuurlijk ook bedoeld. Een fijne Kerstgedachte en goed voornemen in één. Dank je, John.
De donkere dagen voor Kerst lenen zich goed voor bekentenissen, en na
In de jaren 70 en vooral 80 vierde Chris Rea (Middlesborough, VK, 1951) triomfen met hits als
Mijn belangrijkste kennismaking met Chris Rea is het album Wired to the Moon uit 1984, een plaat vol lekkere nummers, waaronder de bescheiden hit ‘I Can Hear Your Heartbeat’. Voor mij springt
Bij mij leeft het idee dat Chris Rea zo’n muzikaal zondagskind is dat alles komt aanwaaien. Zo iemand die in drie dagen gitaar leert spelen, in twee dagen piano en op zaterdag en zondag liedjesschrijven. Voor een hit pakt hij een bierviltje, voor een bluesnummer zijn bottleneck, en een bossanovaatje componeert hij even tussen de reclame en het journaal.
Rea doet in werkelijkheid waarschijnlijk gewoon alsóf het hem zo gemakkelijk afgaat. Dat is zijn geheim.
Kerstmis is niet alleen een goede tijd voor bekentenissen en vergeving, ook voor weemoed. Ik zet