‘Music is escapism, because life is so damn hard’, schrijft de bekende muziekblogger Bob Lefsetz in een recente nieuwsbrief. En misschien slaat de Amerikaanse muziekbusinessveteraan, die van zijn hart nooit een moordkuil maakt, daarmee wel de spijker op de kop. In dat geval vraag ik me af met welke kwalificatie je het Goeie Nummer van deze week adequaat zou kunnen beschrijven: ‘Everybody’s Talkin’’.
‘Everybody’s Talkin’’ werd geschreven door folkzanger-gitarist Fred Neil (1936-2001), een Newyorkse vriend en leermeester van Bob Dylan tijdens diens komeetachtige carrièrestart begin jaren 60. Ik hoorde het voor het eerst in de sobere uitvoering van Stephen Stills (Stephen Stills Live, 1975), maar het nummer werd natuurlijk bekend door de fantastische uitvoering van Harry Nilsson op de soundtrack van de film Midnight Cowboy (1969).
In de openingsregels is het een en al melancholie wat de klok slaat: vervreemding, eenzaamheid, miscommunicatie, je bent er wel maar je bent er niet:
Everybody’s talking at me / I don’t hear a word they’re saying, / Only the echoes of my mind. / People stopping staring, / I can’t see their faces, / Only the shadows of their eyes.
En de strijkers doen daar nog een schepje bovenop. Maar dan slaat de stemming om. De wiegende latin-groove begint te werken, de snelle gitaartokkel geeft de ballad vaart. Zodat je ook als luisteraar een ontsnappingsroute aangeboden krijgt uit het tranendal dat eerst zo overtuigend voor je is neergezet.
I’m going where the sun keeps shining / Through the pouring rain / (…) Sailing on a summer breeze / And skipping over the ocean like a stone.
En dan die stem. Lekker, hè? Ongemerkt ben je al weggevaren op die droevig-zonnige klanken, voortgeblazen door een zoel briesje, bijna gewichtloos stuiterend op de golven. Op weg naar een oord waar je alles kunt vergeten. Waar het weer zich aanpast aan je kleding in plaats van andersom. Je zou willen dat het nooit ophoudt. Je wilt wegblijven. Voor altijd. Zet het nummer nog maar eens op. Een vluchtlied in het kwadraat, dat is wat ‘Everybody’s Talkin’’ is.
In zijn boeiende boek Hoe muziek werkt (2014) breekt David Byrne een lans voor de democratisering van de popmuziek. Waarom zijn er professionele makers aan de ene kant en passieve toehoorders aan de andere kant? Dat is nergens voor nodig, stelt de voormalige frontman van Talking Heads. De kloof tussen producent en consument, sterk gegroeid sinds de ontwikkeling de opnametechniek, doet immers geen recht aan de creativiteit waarmee ieder mens geboren wordt.
Byrne is zelf professioneel muzikant, maar zijn pleidooi is in lijn met zijn carrière. Hij maakte met Talking Heads furore in de punkperiode, waarin rebellie werd gekoppeld aan een onbekommerde doe-het-zelfmentaliteit. Later experimenteerde hij onder meer met stijlen uit Afrika, waar vaak alle leden van een dorp of stam gezamenlijk musiceren tijdens rituelen en ceremonies.
Byrne krijgt bijval uit onverwachte hoek: de hersenwetenschap. Hoogleraar neuropsychologie Erik Scherder, bekend van tv-lezingen onder de vlag van De Wereld Draait Door,
De bijzondere verhouding tussen artiest en publiek kan ook opduiken in de muziek zelf. Zo was Randy Newman ‘Lonely At The Top’. J.J. Cale maakte ‘Rock & Roll Records’. En Justin Hayward van The Moody Blues noemde zichzelf ‘Just A Singer in a Rock & Roll Band’. Maar het was Joni Mitchell die het onderwerp wellicht het meest indringend bezong, in
In realistische details beschrijft de zangeres in dit nummer hoe ze haar chique hotel verlaat om in de stad sieraden te gaan kopen. Als ze de straat wil oversteken wordt ze opeens getroffen door het fraaie klarinetspel van een straatmuzikant. Wat er werkelijk toe doet, beseft ze dan, is alleen de muziek. Iets wat gegeven wordt zonder dat er iets teruggegeven hoeft te worden. Hoe anders dan wat zij zelf als professioneel popartieste doet.
Het lied klinkt melodieus en ontroerend, maar de boodschap is best ongemakkelijk, zeker in een live-setting: Mitchell twijfelt expliciet aan de waarde van de relatie tussen haarzelf en de mensen die recht tegenover haar in de zaal zitten. Een van de oplossingen, hoewel de zangeres het daar niet over heeft, is natuurlijk dat iedereen muzikant wordt! Precies zoals Byrne en Scherder zeggen.
Het is een behartenswaardig advies. Maar mocht je er om allerlei redenen toch niet aan beginnen, dan is er troost: volgens Scherder en andere neuropsychologen heeft muziek luisteren ook allerlei gunstige effecten op het brein. Tenminste als je luistert naar muziek waar je van houdt. Daar kunnen we ook wel wat mee.
Onlangs sprak ik iemand die ‘helemaal in het nu’ wilde leven. Wie bezig was met terugkijken of plannen, zei ze, leefde niet in het nu – en dat was niet goed. Ze keek erbij of ze een alom geaccepteerde waarheid verkondigde – en helemaal vreemd klonk het me ook niet in de oren. Ik was het er alleen totaal niet mee eens.
Waar ik me wel in herkende: de verwondering over mensen die voortdurend bezig zijn met toekomstplannen. Ik vind dat heel bewonderenswaardig, vooral als iemand die plannen ook nog in werkelijkheid weet om te zetten, maar mijn gestel lijkt van nature vooral in de ontvankelijke stand te staan. De werkelijkheid laat daarop zijn indrukken achter, meer dan andersom.
Ik vroeg me ook af of mijn weerzin niet wat ongerijmd is voor een popmuziekliefhebber. Want als er iets is dat alleen in het nu bestaat, dan is het wel muziek. Zodra het stopt, is het weg. Maar inmiddels denk ik er wat van te begrijpen. De weemoed en
Nog belangrijker is waarschijnlijk dat ik bijna wekelijks van nabij zie wat het betekent als iemand letterlijk in het nu leeft, als vrijwel uitsluitend gebeurtenissen uit de laatste halve minuut in het bewustzijn blijven. Ik zie dan vooral desoriëntatie, onrust en onzekerheid. Je vraagt je af wat er van het nu overblijft als het verleden zo diffuus en ongrijpbaar is.
Maar de belangrijkste reden voor mijn afkeer van het onversneden heden is toch het idee dat we in dat nu zouden moeten leven. Waarom zouden we in hemelsnaam allemaal hetzelfde moeten zijn? Ik zie het gewoon niet. Laat iedereen toch zichzelf kunnen zijn. Hoe ouderwets. Hoe mooi.
Genoeg gedacht en gepraat. Tijd voor muziek:
We zijn zo gewend geraakt aan popartiesten die hun eigen liedjes zingen, dat we bijna vergeten dat dat in de muziek allesbehalve gewoon is. In de klassieke muziek worden veel oude stukken steeds opnieuw uitgevoerd door steeds weer nieuwe musici, steeds net even anders. En in de jazz is het gemeengoed om standards van decennia geleden tot leven te wekken door ze al improviserend binnenstebuiten te keren of ondersteboven te houden.
Tot de jaren 60 was het ook in de popmuziek eerder regel dan uitzondering om stukken van anderen te zingen. Bing Crosby, Frank Sinatra, Elvis Presley, ze werkten allemaal zo. Maar in het decennium van Beatles, Stones en Beach Boys werd popmuziek langzaam serieus. Het werd kunst. En daar hoorde authenticiteit bij. Serieus te nemen artiesten schreven hun eigen liedjes. Wie alleen uitvoerend bezig was, kwam lager op de ladder te staan. En dat is best gek. Want artiesten die in staat zijn om de (verborgen) schoonheid van een liedje volledig naar boven te halen, zijn bijzonder waardevol – en behoorlijk schaars.
Joe Cocker is zo iemand. Hij trok onder meer ‘With A Little Help From My Friends’ (The Beatles) en ‘Ruby Lee’ (Bill Withers)
Een nummer coveren kan iets hebben van ‘dat kan ik ook’, of ‘dat kan ik beter’, maar het is tegelijk altijd een eerbetoon. Dat horen we ook bij het onverwachte koppel Matthew Sweet en Susanna Hoffs. De voormalige powerpop-prins en de ex-Bangle hebben het coveren zo’n beetje tot hun handelsmerk gemaakt. Op drie albums, getiteld Under the Covers Vol. 1, Vol. 2 en Vol. 3 (uit 2007, 2009 en 2013) laten ze hun niet geringe talenten los op hun favoriete nummers uit de jaren 60, 70 en 80.
Het cover-duo kiest vooral voor melodieuze nummers met licht-gruizig, fraai gitaarwerk. Nummers van Dylan, Young, Beatles, Velvet Underground, Bowie, Fleetwood Mac, The Faces, R.E.M., Tom Petty en The Smiths. Vol. 3, gericht op het decennium waarin beide artiesten zelf hun carrière begonnen, bevat ook wat minder bekende tracks.
Met hun afwijkende, maar fraai bij elkaar passende stemmen blijven Sweet en Hoffs dicht bij de oorspronkelijke versies. Ze zoomen in op wat die liedjes zo tijdloos en geliefd maakt. Luister maar eens naar hun live-versie van Neil Youngs
Met deze lange, geladen vraag begint
‘Motherland’ staat bol van dit soort tegenstellingen. Het gelijknamige album kwam uit in november 2001, twee maanden na 9/11. Hoewel de opnames al twee dagen voor de aanslagen op de Twin Towers waren afgerond, werd het album er onvermijdelijk mee geassocieerd. Daarvoor waren de politieke standpunten van de voormalige leadzangeres van 10,000 Maniacs ook te bekend. En leek de toon van haar muziek ook nadrukkelijk aan te sluiten bij alle emoties van die periode.
De zangeres droeg het album op aan de slachtoffers van 9/11 en vertelde later hoe die gebeurtenis en de nasleep ervan de betekenis van het titelnummer voor haarzelf hadden veranderd: van een aanvankelijk wat escapistische oproep werd het een indringend, meer hoopvol pleidooi voor onschuld: ‘To be faceless, nameless, innocent, blameless, free’.
Bijna lijzig gezongen, met zwarte gospel-ondertonen, kruipt ‘Motherland’ ongelooflijk dicht onder de huid. De coupletten zuigen je naar het troebele duister, het refrein brengt je als een wiegelied terug naar de geborgenheid van de kindertijd:
Het is een raadselachtig lied ook. Want wie is de ‘jij’ die de zangeres toezingt? Is dat de ‘five and dime queen’, ‘the shot gun bride’? En wat is de relatie tussen haar en de ‘ik’ van het refrein en het tussenstuk? Geen idee. Zoals veel echt goeie nummers laat ‘Motherland’ zich niet helemaal begrijpen. Het maakt ook niet uit, elke keer als ik het hoor is het weer kippenvel.
Deze week staat Goeie Nummers in mineur, vanwege het overlijden van schrijver Pieter Steinz. Hoewel het nieuws afgelopen dinsdag niet als een verrassing kwam – Steinz was in 2013 gediagnosticeerd met de onbehandelbare ziekte ALS -, werd ik er toch door getroffen. Hetzelfde bouwjaar (1963), ook als jongetje voorgoed de literatuur ingezogen door Het Sleutelkruid van Paul Biegel, en een groot popliefhebber bovendien.
Bovenal was en is Steinz voor dit blog een immense inspiratiebron. De voormalige ‘chef boeken’ van NRC Handelsblad paarde een grote belezenheid aan een frisse, open geest. Grenzen tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur waren er om te doorbreken; zijn boek Made in Europe (2014) behandelt net zo gemakkelijk Kuifje en Lego als Ovidius’ Metamorphoses en James Joyce’ Ulysses. En uit zijn zeer leesbare artikelen over boeken, films, beeldende kunst en muziek spreekt vooral bewondering en enthousiasme, naast de wens om andere mensen daarin te laten delen.
De culturele omnivoor, zoals NRC hem in
Steinz was verknocht aan lijstjes, schema’s en overzichten. Dingen die orde scheppen in de onmetelijkheid van onze cultuuruitingen en de chaos van het leven. Dat deed hij bijvoorbeeld, samen met Bertram Mourits, in Luisteren &cetera. Het web van de popmuziek in de jaren zeventig (2011). De auteurs beschrijven daarin 25 bepalende albums van dat decennium, en leiden de lezer daarbij uiterst informatief en met veel geestdrift naar verwante artiesten, albums en liedjes. Een even aanstekelijk deel over de jaren 80 en 90 volgde, een deel over de jaren 50 en 60 verschijnt binnenkort, waarmee een fraai web is geconstrueerd van een halve eeuw popmuziek.
En dan. Wat kan ik nog zeggen. Een liedje om af te sluiten dan maar. Vanaf het begin van dit blog heb ik me tenslotte voorgenomen om – als het maar even mogelijk is – elke post op een optimistische noot te laten eindigen. De door Steinz bewonderde Nick Cave met
Een rijtje bekende namen laten vallen om daarmee een muziekgenre op de kaart zetten. Die
Zoals Conley en Redding contemporaine zwarte soulacts en Afro-Amerikaans zelfbewustzijn promootten, deed zanger en multi-instrumentalist Charley Daniels (North Carolina, 1936) dat voor een reeks blanke bands en het Amerikaanse Zuiden. En presenteerde hij de
In een uptempo boogieritme, met virtuoze country-fiddle, brengt het eerste couplet de artiesten en de geografie met karakteristieke woordspelingen bij elkaar:
Charlie Daniels geeft het Zuiden en de Southern Rock een duidelijke identiteit waarin de waarden rebellie, luidruchtigheid, saamhorigheid en informele gezelligheid om voorrang strijden, en die impliciet tegenover het Noorden van de VS worden gesteld. De notie dat ‘het zuiden zal herrijzen’ was een veelvoorkomend sentiment – en een strijdkreet – sinds de nederlaag van de Zuidelijke Staten in de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865).
Net als
Pas onder dreiging van een rechtszaak haalde de Klan uiteindelijk bakzeil. Hoewel zijn uitspraken hierover niet helemaal consistent zijn, hield Daniels altijd vol dat zijn lied alleen tot doel had de muziek en de muzikanten van het Zuiden te promoten. Dat laatste is zeker gelukt. ‘The South’s Gonna Do It (Again)’ geldt nog steeds als een van de anthems van de Southern Rock.
Een paar weken geleden, tijdens het Roots in the Park-festival in Utrecht, werd ik overdonderd door Blackberry Smoke. Deze band uit Atlanta, Georgia, timmert al zo’n twintig jaar aan de weg en sinds kort ook met behoorlijk wat succes. En terecht, want de leden van deze southern-rockband, stuk voor stuk getooid met karakteristieke lange haren en baarden, speelden in het Julianapark de duiven uit de bomen.
Het mooie van het succes van Blackberry Smoke is dat het een uiting lijkt te zijn van een heuse Southern Rock-revival. Belangrijke vertegenwoordigers van dat jaren 70-genre waren bands als Lynyrd Skynyrd, Allman Brothers Band, Atlanta Rythm Section en The Marshall Tucker Band. Allemaal afkomstig uit zuidelijke Amerikaanse staten en meestal spelend in een stevige bezetting met zang, bas, toetsen, minstens eenmaal drums en minstens tweemaal gitaar, soms nog aangevuld met percussie.
Southern Rock sloeg een vernieuwende elektrische brug tussen twee oevers die voordien gescheiden waren, die van de blues en de country. En wat een genot was het: ritmisch interessanter dan doorsnee rock, melodieuzer dan blues, een stuk ruiger dan country. Met vaak die uitdagende luie zang die diepe gronden suggereert. De zuidelijke bands gaven gloedvol uiting aan iets wat je ‘streektrots’ zou kunnen noemen. Een outlaw-houding, rebellerend tegen de Beschaving (lees: mensen uit het ‘arrogante’ noorden van de VS) was er een vast onderdeel van.
De Southern Rock leidde in de jaren 80 en 90 een sluimerend bestaan, ternauwernood in leven gehouden door bands als The Black Crowes. Gelukkig is er de afgelopen jaren sprake van een opleving. Bands die het erfgoed met verve de nieuwe eeuw in spelen. Check deze groepen maar eens uit: de
Het leuke van die revival is dat je ook terug gaat luisteren. Naar Idlewild South van de Allmans bijvoorbeeld, naar Dixie Chicken van Little Feat, naar het titelloze debuutalbum van Lynyrd Skynyrd. Veel te mooi om te vergeten. En daarna gewoon weer naar het heden van
Dan nog even een praktisch puntje: komende weken gaat Goeie Nummers over op de tweewekelijkse Zomerfrequentie. Vanaf eind augustus verschijnt – als het even meezit – weer elke vrijdag een aflevering.
Je zal maar Jakob Dylan zijn, of A.J. Croce, Layla Hathaway, Sean of Julian Lennon. Als een donkere wolk hangt de reputatie van je beroemde vader boven je eigen muziekcarrière. En ja, het was natuurlijk slimmer geweest als je een ander vak had gekozen, zoals modeontwerpster Stella McCartney en actrice Liv Tyler deden, maar dat genenpakketje is er niet voor niets.
Daarbij helpt het ook niet dat er vaak opvallende gelijkenissen zichtbaar en hoorbaar zijn. Vergelijk de stemmen van Justin Townes Earle, Jeff Buckley of Julian Lennon maar eens met die van vaders Steve, Tim en John. Op die manier worden popsterkinderen steeds onvermijdelijk met hun beroemde voorzaat vergeleken – en vaak te licht bevonden.
Het kan een oplossing lijken om dan maar onder een pseudoniem te gaan opereren, zoals sommige popsterkinderen hebben geprobeerd. Maar ook in dat geval blijft het verleden je achtervolgen,
Sommige kinderen van popiconen hebben het nog een graadje zwaarder. Bij hen is niet alleen vader, maar ook moeder een rockster. Net als de kinderen van André Agassi en Steffi Graf – die in onze voorstelling al aces slaan voor ze kunnen lopen – worden deze rockwonderkinderen geconfronteerd met torenhoge verwachtingen die geen mens kan waarmaken.
In deze categorie heb je bijvoorbeeld Ben Taylor (vader James en moeder Carly Simon), Teddy Thompson (Richard & Linda) en Rufus & Martha Wainwright (Loudon Wainwright III en Kate McCarrigle). Dat deze jonge artiesten ondanks hun erfelijke belasting een naam voor zichzelf hebben weten op te bouwen, zegt waarschijnlijk veel over hun talent.
De vraag dringt zich op aan wie deze ‘kinderen van’ hun weinig benijdenswaardige lot te danken hebben – afgezien van hun verwekkers. En dan moet je toegeven dat de blaam het publiek en de media treft. Door ons dus. Omdat we er niet vanaf kunnen blijven. En daarom is het ook aan ons om de popsterkinderen uit die slagschaduw bevrijden. Door die ouders gewoon nooit meer met hen in een adem te noemen.
Om de daad maar meteen bij het woord te voegen sluit ik af met een lied dat niet over de buitenkant maar over de binnenkant van de vader-zoonrelatie gaat. Veel interessanter ook eigenlijk. Eerdergenoemde Loudon Wainwright III zingt in
Wat kunnen foto’s toch wonderschone liedjes opleveren. Dat
Puur door mijn smaak van de dag moet Wainwright de prijs voor het mooiste fotolied echter afstaan aan Nick Lowe. Deze voormalige new-waver, die in de jaren ’70 een bescheiden hit scoorde met ‘I Love the Sound of Breaking Glass’, is de afgelopen decennia bezig geweest het waardig ouder worden in de popmuziek te perfectioneren. Van langharige Britse pubrocker transformeerde hij geleidelijk tot witgekuifde Amerikaanse rootscrooner, met zelfgeschreven liedjes die klinken alsof ze altijd al bestaan hebben. In
Eerst toont hij ons het beeld van het slanke langbenige meisje dat haar armen om zijn eigen jeugdige versie heeft geslagen. Lange tijd was het beeld weggestopt in een la, toegedekt door de jaren, samen met de dwaasheid en verliefdheid van de jeugd. Daarna vraagt de zanger zich af – uiteraard zonder er werk van te maken – waar zijn oude vlam nu zou zijn, en of ze het geluk uiteindelijk gevonden heeft. En ondertussen laat elegant in het midden of dit lied minder gaat over het goede leven dat hij haar toewenst -dan over zijn eigen terugverlangen naar die armen.
Bij al deze zoete herinneringen vermijdt Lowe gelukkig al te grote klefheid. We worden bij de les gehouden door een uptempo calypso-achtige ritme, enkele onverwachte extra maten en puntige blazersriffjes. Zodat we ons graag door de mijmeringen laten meevoeren en onwillekeurig in onze eigen la met herinneringen naar oude foto’s gaan zoeken.
Op de poppodia zijn vrouwen behoorlijk in de minderheid. Het klassieke bandje bestaat nog steeds uit een kluwen opgeschoten jongens die geleidelijk veranderen in min of meer volwassen mannen, enzovoort. De vrouwen die je wel ziet, zijn bijna allemaal zangeressen – overigens vaak buitengewoon succesvol, zie Adele, Beyoncé, Rihanna, Taylor Swift en Meghan Trainor. Maar pure instrumentalistes zijn schaars.
Want hoeveel vrouwelijke drummers kun jij uit je hoofd opnoemen? Hoeveel vrouwen op sologitaar? Op toetsen? Precies. En dat is best vreemd. Maar Goeie Nummers gaat niet op zoek naar verklaringen, en ook gaan we hier geen lans breken voor meer ‘sterke vrouwen’ in de popmuziek – dat laat ik allemaal graag aan anderen. Wel vandaag aandacht voor een fenomeen dat zeer tot mijn verbeelding spreekt: de vrouw op de bas.
Deze basvrouw verscheen in de punktijd voor het eerst op het toneel, meeliftend op de bijbehorende geest van verzet en omkering. Bij de Gang of Four had je Sara Lee en er waren er nog veel meer, zo herinner ik me, maar ze zijn om de een of andere reden niet zo gemakkelijk terug te vinden. De bekendste is ongetwijfeld Tina Weymouth, die in Talking Heads een lekker hoekig en funky ritmetandem vormde met haar man, drummer Chris Frantz op drums (dat laatste bedierf de pret maar zeer gedeeltelijk).
Vanaf die tijd kom je op de podia vaker basmeesteressen tegen: stoere godinnen, die bijna onbeweeglijk een hele band staan op te pompen met lage dreunen die je middenrif laten klotsen. Zo pronkte in ons eigen land
De topper onder al deze sexy baspriesteressen is voor mij de Britse Yolanda Charles, die ik voor het eerst zag bij Paul Weller ten tijde van zijn album Wild Wood. Zoals ze daar stond, in Paradiso: de linkerarm half verborgen achter de lange hals van de basgitaar, de rechter nonchalant geknikt in de elleboog, de vingers soepel rustend op de dikke snaren. Relaxed, geconcentreerd, soeverein.
Bij een toneelstuk heb je een decor, een lichtplan, zaallicht dat langzaam dooft. Alles om het publiek in de stemming te brengen voor het verhaal dat gaat volgen. Een popliedje moet dat helemaal zelf doen, meestal in een paar seconden of maten.
Waarschijnlijk kun je aan de intro’s van popsongs gemakkelijk een hele musicologische studie wijden. Of twee. Een onderzoeksobject dat daarin in elk geval niet mag ontbreken, is het intro van
Het nummer werd geschreven door het songschrijversduo Norman Whitfield en Barrett Strong – ook verantwoordelijk voor Marvin Gaye’s ‘I Heard It Through The Grapevine’ en vele andere Motownhits. Naar verluidt ontstond er bij de opnames ‘Papa’ flinke animositeit tussen producer Whitfield en de band. Steen des aanstoots waren onder meer de lange instrumentale gedeeltes – The Temptations waren in essentie een zanggroep. Hoe dan ook, in de zang klinkt flink wat woede door. En dat past naadloos bij de tekst.
Dat laatste geldt ook voor het intro, dat voor een popnummer onwaarschijnlijk lang is. Het begint met alleen drums en bas – het funky basloopje zal de rest van het nummer dragen. Daarna volgen gitaar, strijkers, trompet. Het geheel overgoten met de overweldigende psychedelische galm van begin jaren ’70. Je hoort ook elektrische piano, wah-wah-gitaar, handclaps. Vier volle minuten ingehouden drama, voordat de echte tragedie zich ontvouwt, van de gekwelde zoon die eindelijk de waarheid over zijn herkomst bij zijn moeder komt opeisen.
‘Papa Was A Rolling Stone’ gaat ergens over. Over een belangrijke waarheid die altijd voor je verborgen is gehouden. Over de bezoedeling van de naam van jouw verwekker – en dus van jouzelf. En over een situatie die voor veel (zwarte) gezinnen met afwezige vaders in de Verenigde Staten – ook nu nog – bittere realiteit is. Voor zo’n verhaal heb je een zorgvuldig opgebouwd decor nodig, en acteurs die zich kunnen inhouden tot ze de volle aandacht van het publiek hebben. Whitfield en The Temptations kregen dat ondanks – of juist dankzij – hun onderlinge wrijving op onvergetelijke wijze voor elkaar.
Hij overleed op 17 mei 2016, Guy Clark, 74 jaar oud. De Texaanse folk- en countryzanger was niet bijzonder bekend bij het grote publiek, maar voor zijn beperkte schare trouwe fans was hij een wijze, tegendraadse held. En in het creatieve gilde van de liedjessmeden gold hij als de ultieme vakman. Iemand die louter nummers schreef die van begin tot eind kloppen, tekstueel en muzikaal.
Hier geen volledige opsomming van zijn verdiensten, al was hij natuurlijk wel even de componist van veelgecoverde juweeltjes als 
De foto geeft een moment weer waarop alles op springen stond. Geen gemakkelijk moment, maar het is dit stilstaande beeld dat de zanger troost biedt:
Het lied is onopgesmukt, direct. Clark probeert zo eerlijk mogelijk te zijn. Door de eerlijkheid van zijn vrouw op te roepen. Een ultieme poging om weer even bij zijn geliefde te zijn – en wie weet is het hem destijds bij het schrijven en zingen van My Favorite Picture of You ook gelukt om de overkant al voor korte tijd te bereiken voordat hij er zo’n vier jaar later definitief aankwam.
Ben jij een geheime Fats Domino-fan? Of zelfs een openlijke? Dan kunnen we elkaar de hand schudden. En als je nog geen fan bent – kom er gerust bij. Want de lijvige zanger-pianist uit New Orleans heeft weliswaar geen gevarieerd oeuvre, en veel vernieuwing is er de laatste jaren – lees halve eeuw – ook niet in te ontdekken. Maar wat is zijn muziek tijdloos goed en wat krijg je er een goeie zin van!
Hier meteen dan ook maar even de bewijzen. Eerst
En dan – driemaal is scheepsrecht – het onvergetelijke
Deze muziek was al oud – en hopeloos uit de tijd – toen ik nog jong was. Je was niet helemaal goed bij je hoofd als je ervan hield. Het is niet voor niets dat Fats
Nou had Fats Domino het grote geluk dat hij kon samenwerken met de legendarische trompettist en bandleider Dave Bartholomew. Iemand die wist hoe je een vijfkoppige blazerssectie precies als 2,98 man kunt laten klinken, en hoe je die precies het juiste aantal milliseconden voor of na de tel moest laten invallen.
Beide mannen, inmiddels (hoog)bejaard, bleven de smeltkroes van New Orleans als muzikant en als inwoner altijd trouw. Top op de dag van vandaag. Naar verluidt was Fats Domino zelfs zo honkvast dat hij ten tijde van de orkaan Katrina in 2005, ondanks evacuatie-oproepen van de autoriteiten, weigerde zijn huis te verlaten.
Voor wie nog niet genoeg heeft van deze oer-rock ’n roller –
Onlangs nam ik een bijna twee weken durende duik in leven en werk van Paul McCartney. Ondertussen luisterde ik naar mijn eigen playlist met dertien van zijn albums. En een van de dingen die dan opvalt, is hoe vaak – en hoe knap – de ex-Beatle zingt over die in de popmuziek zo vaak veronachtzaamde periode in een liefdesrelatie:
Op elk album van de gevierde Liverpudlian is minstens één liedje te vinden dat de stabiele langdurige liefde viert. Zo bevat McCartneys solodebuut uit 1970, toen hij net met zijn Linda getrouwd was, niet alleen The Lovely Linda, Momma Miss America, maar ook het bekende Maybe I’m Amazed.
Hoewel hij de moeilijkere kanten van het getrouwd-zijn niet helemaal schuwt, zoals in ‘We Got Married’ van Flowers in the Dirt uit 1998, vinden sommigen zijn ‘silly love songs’ toch te zoetsappig. Die mensen zijn dan echter vergeten dat in de liefde en in de muziek alles geoorloofd is – en dit dus ook.
Een van Macca’s mooiste huwelijksliedjes is wel
Paul en Linda McCartney kregen het in die tijd aardig voor hun kiezen. Híj werd in de publieke opinie verantwoordelijk gehouden voor het uiteenvallen van The Beatles, zíj werd in de Britse media uitgemaakt voor yankee golddigger, en haar muzikale bijdrage aan Wings werd gefileerd. Hun relatie lijkt er alleen maar sterker door te zijn geworden:
Maar die tekst is misschien niet eens zo belangrijk. Luister maar eens naar de
Je stapt over de drempel van een nachtclub in de jaren dertig. Achter in het etablissement, door de rookslierten heen, ontwaar je op het krappe podium een swingende ragtime-band. Al snel raak je in de ban van de stoere, sexy zangeres achter de microfoon. Dit is ongeveer wat je overkomt als je luistert naar
Een paar jaar geleden hoorde en zag ik de neo-traditionele band uit New Orleans voor het eerst, op het festival Take Root in Groningen. Met een retestrakke tuba in plaats van de contrabas of basgitaar brachten de vijf mannen en een vrouw het oude jazz-, ragtime- en bluesmateriaal volkomen overtuigend naar de 21e eeuw. Zangeres Meschiyah (spreek uit: Mà-sjie-ja) Lake maakte zowel indruk door haar verschijning als haar stem. Met haar rijkelijk getatoeëerde armen en torso past ze helemaal in het beeld van de vrouw die haar carrière begon als vuurspuwer en glaseter in een circus.
De band debuteerde in 2012 met Lucky Devil, een jaar later gevolgd door Foolers Gold. Na deze twee albums volgde een uitgebreide tournee over de wereld, en nu is er een nieuw album, Bad Kids Club: misschien een tikkeltje moderner en gevarieerder dan de voorgangers, maar verder is er weinig veranderd. En dat is maar goed ook.
Lekker smerig klinkt Lake’s stem in Brand New Funk. Weemoedig als Billie Holliday in Hey Marry Wanna en Woman Seeking Man. Uitdagend in het aloude ‘Lectric Chair Blues van Blind Lemon Jefferson. En de trombones, saxofoons, klarinetten en trompetten buitelen ouderwets als jonge honden over elkaar heen.
De drie albums zijn, vooral als je je versterker een beetje opendraait, heerlijke opwarmers voor de plek waar mevrouw Lake & De Kleine Grote Hoorns volledig tot hun recht komen: op het podium. En dat komt goed uit. Tussen 5 en 13 mei kun je op diverse plekken in ons land, bijvoorbeeld in
Sommige mensen hebben niets met Steely Dan. Ze vinden de complexe jazzy funkpop van Donald Fagen en Walter Becker koud en gevoelloos, en hebben het over ‘zielloos gefreak’. Nou vind ik het altijd moeilijk te begrijpen als mensen mijn muzieksmaak niet delen, maar in dit geval helemaal. Luister dan toch eens naar een nummer als
Becker en Fagen, die al de naam hadden niet snel tevreden te zijn, sloegen bij de opnames van hun zevende studioalbum Gaucho (1980) een beetje door. Een lange stoet gerenommeerde sessiemuzikanten trok voorbij om de complexe composities van het tweetal in te spelen. Het al niet geringe opnamebudget werd fors overschreden. Het verhaal gaat dat zanger Donald Fagen in de studio in Los Angeles eindeloos aan de mix van openingstrack ‘Babylon Sisters’ bleef schaven en pas bij de 274e versie content was. Terug in zijn woonplaats New York hoorde hij toch nog een basnoot die hem niet beviel, waarop hij terugvloog naar LA om het ongerechtigheidje te repareren. Alsof zijn reputatie nog bewijzen nodig had.
Net als de rest van Gaucho ademt ‘Babylon Sisters’ decadentie. De tekst is cryptisch, stijlvol, levensmoe en vaag dreigend. Volgens sommige mensen gaat het over een man die een zwoele autorit langs de Californische kust maakt in het gezelschap van een of meer dames van lichte zeden en zich onderwijl realiseert dat hij te oud wordt voor dit soort oppervlakkige uitspattingen.
Een verheffende moraal is dan wellicht moeilijk te vinden, ‘Babylon Sisters’ is wel spannend vanaf de eerste tel. Het moet te maken hebben met de combinatie van het reggae-ritme met de fameuze shuffle van drummer Bernard Purdie. En met de manier waarop wrange, bluesy klanken steeds weer verrassend oplossen in harmonieuze akkoorden. En met de dreigend aanzwellende blazers, en met … nou ja, wat dan ook.
In de liedjes van Becker en Fagen hoor ik vooral het rusteloze zoeken naar een vorm, een stijl, die de zwaartekracht van het leven kan opheffen. Het personage in ‘Babylon Sisters’ houdt zichzelf willens en wetens voor de gek (‘Tell me I’m the only one’) en kijkt vanaf een peilloze hoogte op zichzelf neer. Het is weliswaar niet meer in de mode, maar ik vind deze superieure ironie een verademing tussen alle romantische clichés in de popmuziek .
In die 275e mix van ‘Babylon Sisters’ komt alle muzikale bezetenheid van Steely Dan eruit. Het nummer kan voor mij tippen aan de meest ontroerende passages van Mozart en Bach. Waar een ander bij Steely Dan misschien kilheid ervaart, hoor ik vooral liefde. En krijg ik kippenvel.
Midden jaren 90 werd hij bekend als frontman van Skik. Hij maakte speedpunk, rootsrock en als soloartiest vanaf 2006 vooral blues, folk en country, vermengd met vleugjes Beatles en Bach. Zijn stem werd geleidelijk aan toegankelijker, minder knauwend, en hij ontwikkelde hij zich ook tot producer van andere artiesten. En het belangrijkste – als singer-songwriter voelt Daniël Lohues (Emmen, 1971) zich duidelijk steeds comfortabeler in zijn eigen oplossing voor een fundamenteel pop-probleem.
Zoals alle niet-Engelstaligen zijn wij als Nederlanders altijd tot op zekere hoogte vreemdelingen in de rock & roll. De muziek zelf is vrijwel overal op de planeet onmiddellijk te begrijpen, maar van de taal waarin die liedjes doorgaans worden gezongen – het Engels – ontgaan ons vele nuances. Voor artiesten levert dat een lastige spagaat op. Ze moeten de clichés en het idioom van een vreemde taal imiteren om mee te kunnen doen met het grote spel. Maar tegelijkertijd zweren we in de popmuziek bij authenticiteit. En hoe kun je jezelf zijn als je druk bezig bent een ander na te doen?
De oplossing is natuurlijk: zingen in je moerstaal. De taal die je tot in je haarvaten kent, in alle finesses, zelfs zonder dat je je daarvan bewust hoeft te zijn – kortom de taal waarin je thuis bent. Die keuze leverde ons al klassieke Nederpop op van Raymond van het Groenewoud, Doe Maar,
Ook Lohues begon ooit met liedjes in het Engels, tot een bekrompen Bussumse werkgever hem eens vanwege zijn accent afwees. Het bracht de Drent als liedjessmid voorgoed terug bij zijn eigen variant van het Nedersaksisch – we
En niemand kan ons platteland bezingen zoals Lohues: een appelboom, een paasvuur, een weg tussen de velden, de zon die achter de bomen zakt. Kleine doodgewone dingen uit zijn woonomgeving in Erica, die tegelijk voor de luisteraar een heel universum oproepen. En het lijkt hem allemaal zo moeiteloos af te gaan, dat maakt het alleen maar mooier. Kijk
Wiegeliedjes – altijd moeilijk voor een popartiest. Zo’n nummer heeft een ingewikkelde dubbele taak: het moet de toegezongene in slaap wiegen maar tegelijk de andere toehoorders bij de les houden. Voor je het weet wordt het te zoetsappig of te intiem en ben je die laatste groep kwijt. Binnen de communicatietheorie spreekt men in zo’n situatie waarschijnlijk over ‘een primaire en een secundaire doelgroep met divergente doelen’ of iets dergelijks – en zoiets moet je dan natuurlijk niet willen proberen.
Maar het kan wel. Een beetje popartiest is niet voor één gat te vangen en voert deze koorddans-act zelfs uit alsof het geen moeite kost. James Taylor doet het bijvoorbeeld in
En er zijn meer opties. Pubrocker Ian Dury, gesteund door muzikale duivelskunstenaar Chaz Jankel, kiest met zijn
In het volgende couplet brengt hij termen uit compleet andere levensterreinen (shut the index, impose a curfew, call a halt to the steeple chase) de slaapkamer binnen om de dwarrelende gedachten tot rust te brengen. Het tussenstuk biedt een kleine verrassing, die tegelijk laat zien hoe universeel dit weinig bezongen thema is: de toegezongene blijkt geen kind maar een volwassene te zijn.
‘If your life or some old lover cause concern / Or puzzle or perturb / The more you discover, the more you learn / Go to sleep now / Please do not disturb‘
Hiermee is er wat Dury betreft genoeg gezegd voor vandaag. Frances of Francis (jongen of meisje, man of vrouw – maakt niet uit) kan gaan slapen. De zanger herhaalt nog een refrein, op milde, hypnotiserende, liefdevolle, rustgevende toon. Er volgen wat xylofoonachtige geluidjes, een melodica, alsof we naar een speeldoosje luisteren. En dat allemaal op dat swingwiegende ritme. De primaire doelgroep mag inmiddels onder zeil zijn, voor mij als luisteraar zou het nog een hele tijd mogen doorgaan. Ik ben er nog helemaal bij. Koorddans-act geslaagd.
Wie andere voorbeelden van sterke popslaapliedjes kent – deel ze hier op Goeie Nummers!
Het woord nostalgie heeft vaak een wat negatieve bijklank,
Een van de besten in dat genre is James Taylor. Al vanaf de tijd dat hij jong was, trouwens. De eerste platen van de singer-songwriter uit North Carolina (VS) zijn gevuld met folkliedjes vol heimwee en ander onvervulbaar verlangen als ‘Carolina In My Mind’ en ‘Country Road’. Op New Moon Shine uit 1991 staat zijn misschien wel mooiste nostalgie-nummer:
Copperline was een ruig gebied in de buurt van het stadje Chapel Hill in North Carolina waar Taylor met zijn broers en zus opgroeide: een landschap waarin slangen en hagedissen rondkropen en waar ook illegaal whisky en andere spiritualiën werden gestookt. Voor de jonge James was het een paradijs waar hij ‘s avonds na het eten stiekem in kon verdwijnen voor allerhande avonturen.
Copperline, vertelt de zanger in het tweede couplet, was ook de plaats waar hij een onverwachte kant te zien kreeg van zijn vader, de arts en docent Isaac Taylor: ‘One time I saw my daddy dance, watched him moving like a man in a trance. / He brought it back from the war in France, down onto Copperline.’ Op de een of andere manier is dit ook altijd het moment waarop de trance van de vader en die van het nummer, met zijn repetitieve cadans, op mij overslaat.
Maar zoals het altijd lijkt te gaan met paradijzen, zo blijkt ook Copperline niet meer te zijn wat het was. Taylor keert er als volwassene terug, om te bemerken dat nieuwe prefab-huizen van multiplex het landschap van zijn jeugd hebben aangetast (‘Tore up and tore up good‘). Gelukkig is daar dan nog zijn geheugen om het oude Copperline terug te brengen naar het heden. En naar ons.
Het nummer bevat veel autobiografische elementen, zoals de kreek bij het huis van de Taylors (Morgan Creek) en de hond Hercules. Maar ondanks deze details over onbekende plekken, dingen en mensen kunnen we ons uitstekend in deze wereld verplaatsen. Ik denk dat dat is omdat we uiteindelijk allemaal ons eigen Copperline hebben: dat moeilijk te beschrijven gevoel van avontuur en zorgeloosheid dat verbonden is met bepaalde plaatsen van je jeugd en dat je af en toe best weer zou willen hebben – al weet je dat het niet kan. Behalve in je herinnering. Met hulp van een nummer als Copperline.