Er zijn van die liedjes die me altijd opvrolijken, hoe chagrijnig of lamlendig ik me op dat moment ook voel. Vaak ongecompliceerde deunen die toch uitnodigen om nog een keer op te zetten. Vandaag presenteer ik er een paar die jou hopelijk ook goeie zin geven.
Juan Luis Guerra (Santa Domingo, 1957) is sinds de jaren 80 een hele grote meneer in Latijns-Amerika. Wereldwijd verkocht hij miljoenen platen en won hij diverse Grammy’s. Zijn album Todo Tiene Su Hora (2014) opent met het onweerstaanbare Cookies and Cream. Guerra smeert vintage R&B van Louis Jordan en Creed Taylor op zijn merengue, met knoeivette retestrakke blazers die over elkaar heen buitelen als een nest jonge katjes. Lekker hoor!!!
Chet Atkins en Mark Knopfler tappen op hun samenwerkingsalbum Neck and Neck (1990) uit rustiger vaatje met There’ll Be Some Changes Made. Heerlijke zelfspot. Over een muziekveteraan die op z’n ouwe dag tegen beter weten in nog graag een keer een beetje sex, drugs en rock-‘n-roll zou willen meepikken. Een virtuoos gitaarduel op allesbehalve ruige gitaren. Twee mannen die hoorbaar lol hebben met elkaar. Ze toveren een grijns op m’n gezicht die zeker een halfuur blijft plakken.
Als de magie van Atkins en Knopfler een beetje is uitgewerkt, kan ik bij Jesse Dayton terecht. De Texaanse zanger-gitarist die onder andere Johnny Cash en Waylon Jennings begeleidde, bracht in 2004 het solo-album Country Soul Brother uit, met daarop de dopaminerijke uptempo countrypunk-gospeltrack Jesus Pick Me Up. Wie hiernaar luistert, weet: hoe erg ik ook in de shit kom te zitten, er is daarboven altijd hulp te vinden. Dank, Jesse, voor deze reminder!
Heb jij ook een paar van die nummers die jou altijd weer vrolijk kunnen maken? Voel je vrij om ze hier op Goeie Nummers te delen!
Waar denk je aan bij het woord voodoo? Waarschijnlijk aan duistere rituelen en enge poppetjes met naalden. Dat is het beeld dat films en andere populaire media bij ons op het netvlies hebben gebrand. In werkelijkheid bevindt voodoo zich in je eigen platenkast.
Deze verrassende les is te vinden in het vorig jaar verschenen boek Voudou van Leendert van der Valk. De muziekjournalist maakte eerder al indruk met
De eerste ontdekking is dat het niet puur om muziek gaat maar om een religie. Maar dan een die onlosmakelijk verbonden is met muziek: voodoo. Voodoo – knoop het in je oren – is niets meer of minder dan de meergoden-religie die van de 16e tot in 19e eeuw vanuit Afrika meereisde in de slavenschepen naar Noord- en Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Een religie waarin de dansende gelovigen via liedjes en complexe drumritmes in contact komen met het hogere.
In het nieuwe land fungeerde voodoo voor de slaven als het onzichtbare cement dat hen met elkaar en hun land van herkomst verbond. Het geloof werd meestal door de christelijke machthebbers verboden, maar ondergronds leefde het voort. En in de 20e eeuw kwam het naar boven: in de jazz en in de eerste vormen van wat tegenwoordig valt onder de noemer popmuziek – of blues, rock-‘n-roll, soul, gospel, r&b, salsa, latin, funk, kaseko, reggae of rock.
In gospelmuziek zit het vraag-en-antwoordpatroon van de voodoorituelen, en het klappen vervangt de oorspronkelijke trommels. In de blues van Robert Johnson is de Afrikaanse bemiddelende god Legba veranderd in de christelijke duivel. En in de rock-‘n-roll herken je de clave – de kenmerkende vijf basisaccenten van West-Afrikaanse ritmes. Wat een injectie is dat geweest. Tot dan toe was populaire muziek een behoorlijk duffe bedoening die vooral hoofd en hart aansprak. Met de groove van voodoo mochten ook lichaam en ziel eindelijk meedoen.
Voudou is een rijk boek, vol informatie en – soms duizelingwekkende – ervaringen. Te veel om hier even samen te vatten, maar één citaat kan ook veel zeggen: ‘Soms lijkt het alsof de Atlantische Oceaan een gigantische draaikolk is die ritmische wrakstukken van de stranden oppikt en ze op andere continenten laat aanspoelen, om ze eeuwen later weer terug te slingeren.’ Wow. Wat een prachtig beeld. De beïnvloeding gaat dus niet alleen van oost naar west, maar maakt een cirkelbeweging die nog steeds doorgaat: James Brown putte in de jaren 50 uit Afrikaanse bronnen voor zijn opzwepende funk; Nigeriaan Fela Kuti haalde de inspiratie voor zijn seventies afrobeat op zijn beurt bij Mr. Dynamite. En zo gaat het door.
Dat laat ik me geen tweede keer gebeuren, dacht ik
En wat een debuut was het, op 17 februari 1978. Te midden van het geweld van punk en new wave en de doordreunende disco van die jaren keek de wereld verwonderd naar dit nieuwe fenomeen dat, 19 lentes jong, met ‘Wuthering Heights’ de eerste door een vrouw geschreven en gezongen nummer 1-hit in Groot-Brittannië scoorde.
Een onwaarschijnlijke hit ook: die geëxalteerde romantiek, die hoog boven de royale orkestratie uittorenende stem met deftige Britse dictie – je waande je op de nevelige Engelse moors, bezocht door geesten uit het verleden. Gothic van voordat dat woord überhaupt in de popmuziek voorkwam. Zelfs als je muzieksmaak zich beperkte tot Amerikaanse countryrockers in houthakkershemden (zoals bij mij) kon je je moeilijk aan de magie van het nummer onttrekken. Bovendien, het oog wil ook wat, en dat werd door Bush eveneens uitstekend bediend, bijvoorbeeld
Onlangs werd mijn oog opnieuw naar de zangeres getrokken, nu op de cover van de geheel aan haar gewijde Uncut-uitgave Kate Bush – The Ultimate Music Guide. De hoofdmoot van dit dikke glossy tijdschrift bestaat uit chronologisch gerangschikte interviews en recensies die door de jaren heen in de muziekbladen verschenen. Een interessante
En zo, achterwaarts door haar werk reizend, kreeg ik een steeds completer beeld van Bush’ ontwikkeling. Het valt op hoe extravagant mensen The Kick Inside bij verschijning vonden – terwijl dat nog maar het begin was. De jonge singer-songwriter zocht steeds eigenzinniger haar eigen grenzen en die van de popmuziek op met albums als The Dreaming (1982), Hounds of Love (1985, mijn persoonlijke favoriet) en The Sensual World (1989). Artrock, artpop, progrock, baroque rock, experimental pop – al deze etiketten volstonden niet om haar liedjes vol soundcollages, middeleeuwse instrumenten, moderne elektronica, vervormde stemmen en gesproken woord definitief te duiden.
Dat geldt ook voor Bush’ filmische en literaire teksten, die bol staan van verwondering en sensualiteit. Op haar album Aerial, dat na twaalf jaar radiostilte in 2005 verscheen, bezingt ze zelfs de vreugden van
Met deze bijzondere kwaliteiten neemt Kate Bush een volledig eigen plek binnen de rock-‘n-roll in. En die kwaliteiten zijn op The Kick Inside in de kiem al aanwezig. Luister nog maar eens naar 
De verjaardag van Dixie Chicken, daar ging het om. Topplaat van de Amerikaanse southern rock-topband Little Feat, verschenen op 25 januari 1973. Louter topummers, in een originele mix van blues, rock, country, ragtime, New Orleans-funk en jazz. 45 jaar is ze inmiddels, onze Southern Belle. Wat ouder geworden natuurlijk, maar nog altijd beeldschoon.
De tweede bezetting van Little Feat, van 1972 tot 1979, is zo’n typisch geval van ‘het geheel is meer dan de som der delen’. Een cult-band, zonder hits, maar wel bewonderd door publiek, critici en vooral collega-muzikanten. Een acquired taste ook, vanwege hun uitwaaierende stijl: frontman Lowell George, met uniek melodieus-bluesy stemgeluid en dito slidegitaar; de ervaren sessie-gitarist Paul Barrère; het veelzijdige toetsenbeest Bill Payne; de driekoppige ritmesectie die vette grooves neerlegt ‘zonder die te spelen’. Het bezielde samenspel van het sextet geldt sindsdien als een soort heilige graal voor veel andere popmuzikanten, van Robert Plant en Phish tot Sheryl Crow en de Tedeshi Trucks Band.
In 1979 sloeg het noodlot toe. De zwaarlijvige en zwaargebruikende George bezweek op 34-jarige leeftijd aan een hartaanval. Little Feat stortte in elkaar, en pas jaren later durfden de andere leden de band nieuw leven in te blazen, zoals Bill Payne destijds aan popjournalist Geert Henderickx
Dixie Chicken is het derde en wat mij betreft meest consistente studio-album uit Little Feat’s toptijd. Geen zwakke plekken te vinden, vanaf de meezingbare titeltrack tot het afsluitende instrumentaaltje ‘Lafayette Railroad’. Speciale vermelding voor de dwarsfluit in het bluesy
Little Feat was ook een ijzersterke podium-act, met zoveel muzikale bagage dat er volop ruimte was voor improvisatie. Luister naar de live-versies van vier topstukken van het verjarende album:
Goed sorry zeggen is een kunst. Boef kan erover meepraten. De rapper betitelde enkele vrouwen van wie hij op Nieuwjaarsnacht een lift kreeg op Twitter als ‘kechs’ (hoeren) en kreeg vervolgens wekenlang het halve land over zich heen. Met een geslaagde ‘knievalrap’
Psychologen en andere deskundigen stellen dat excuses maken buitengewoon belangrijk is voor het herstellen van persoonlijke, professionele en maatschappelijke relaties. Maar het luistert wel nauw. Met een ondeugdelijke mea culpa maak je de zaak eerder erger dan beter. Communicatie-experts adviseren dan ook om 1) tijdig (niet te vroeg maar zéker niet te laat) en 2) oprecht (niet halfhartig) 3) spijt te betuigen voor wat je gedaan hebt (en niet voor het feit dat een ander zich gekrenkt voelt) en 4) daarvoor geen verzachtende omstandigheden aan te voeren (geen ‘maar’s dus).
De popmuziek kent heel wat boetekleed-liedjes – denk aan alle songtitels met ‘sorry’, ‘blame’, ‘forgive’ en ‘wrong’ erin. Popartiesten zijn kennelijk ook maar mensen. Maar welke muzikale spijtbetuiging is overtuigend? Wanneer ga je geloven dat de excuses oprecht zijn? Laten we die vier communicatietips eens als meetlat gebruiken voor een paar van zulke liedjes.
Eerst De Jeugd van Tegenwoordig, met
Dan Eels, met
Desondanks heeft ook E een verzachtertje nodig: hij dacht destijds zo negatief over zichzelf dat hij zich niet kon voorstellen dat iemand anders hem de moeite waard kon vinden. Tja, wat moeten we hiervan vinden? Het voordeel van de twijfel, zou ik zeggen. Het werk van de Amerikaanse singer-songwriter verschaft hem geloofwaardigheid of het punt van oprechte zelfverachting. Bovendien weet E in al deze treurnis nog een sprankje humor te brengen: ‘I’m a little too late, by three or four years’. Zo iemand vergeef je veel.
Waarmee nog maar eens is bewezen hoe moeilijk het is om goed sorry te zeggen is, ook in een lied. Of ben ik nu te vergevingsgezind? Sorry. Laten we luisteren naar
Een tijdje terug schreef ik hier op Goeie Nummers over reggaelegende
Steffens wekt de wereld van de hoofdpersoon tot leven alsof je er zelf bij bent. Hij laat Marleys levensverhaal grotendeels vertellen door een lange stoet vrienden, bandleden en andere betrokkenen, vanaf Marleys jongensjaren tot zijn vroegtijdige dood aan kanker in 1981. Zo krijgen we onder meer een levendig beeld van de jeugdige zanger in de Jamaicaanse hoofdstad Kingston, waar hij in de jaren 60 met muzikale kompanen Peter Tosh en Bunny Wailer eindeloos oefent op meerstemmige zangpartijen, geïnspireerd door de Amerikaanse popsoul van Curtis Mayfield en diens groep The Impressions.
Nog interessanter wordt zo’n levensbeschrijving als die je de ogen opent voor iets wat je tot dusver over het hoofd hebt gezien. Het is misschien wat naïef, maar ik beschouwde Bob Marley en zijn Wailers onbewust altijd als een soort Amerikaanse artiesten. Jamaica lag in de Cariben, dus vanuit hier gezien dicht bij de VS. En ze zongen in het Engels – een ongebruikelijk Engels weliswaar, maar niet moeilijker te verstaan dan dat van Otis Redding of Bob Dylan.
Door Steffens boek besefte ik dat ik het al die tijd verkeerd zag. Marley was een artiest uit de Derde Wereld, niet uit Amerika. Het Jamaica van Marleys tijd was een voormalige Britse kolonie die pas in 1962 onafhankelijk werd. Een witte bovenlaag maakte er nog steeds de dienst uit. De zwarte bevolking was veelal straatarm. Jamaica deed dus in veel opzichten meer denken aan Zimbabwe of Zuid-Afrika dan aan de VS.
Als aanhanger van het
Door deze biografie, die gelukkig niet meedoet aan die heiligenverering, ging ik ook opnieuw naar Marleys werk luisteren. Naar
De meest overtuigende manier om een huwelijksaanzoek te doen is niet op één knie, bloemen enzovoort, maar natuurlijk met muziek. Dat wisten onze voorouders al, ze hebben enkele eeuwen geleden niet voor niets de aubade uitgevonden: een lied waarin een man zijn aanbedene het hof maakt, liefst onder aan haar raam – ze deden toen nog amper aan genderneutraal – onder begeleiding van een lieflijk betokkeld snaarinstrument. Geef toe, welk hart zou daar niet van smelten?
Als je de schrijvers uit vervlogen tijden mag geloven, klonken deze muzikale aanzoeken van edelen en troubadours in de Middeleeuwen en de Renaissance geregeld op allelei openbare gelegenheden. Om de een of andere reden hoor je ze tegenwoordig nog maar zelden, en dat is jammer. Een mogelijke verklaring is dat aubades nu gewoon verstopt zitten in popliedjes.
Voor het fraaiste aanzoekliedje moeten we wel een stukje terug in de tijd, toen we de huwelijkse geloften nog wat letterlijker namen dan tegenwoordig. Naar 1957, om precies te zijn. In dat jaar steeg
Sam Cooke (1931-1964), afkomstig uit een zwart domineesgezin met acht kinderen, begon zijn korte en stormachtige carrière als gospelzanger en switchte daarna naar pop en soul. Crooner Nat King Cole was zijn grote voorbeeld, maar de ruigere stijl van de soul trok hem ook. Als zanger was Cooke een natural. Hij had het allemaal: kracht, bereik, zuiverheid, souplesse, en desgewenst gaf hij zijn stem een rauw randje mee. En dat alles zonder dat het hem enige moeite leek te kosten.
In You Send Me toont Cooke zijn zoetgevooisde, intieme benadering. We zien de twee geliefden meteen voor ons, ze zijn al vertrouwd met elkaar: ‘Darling, you send me, honest you do.’ De zanger bekent dan dat hij zijn gevoelens een tijdlang niet serieus durfde te nemen: ‘At first I thought it was infatuation.’ Die overwonnen bindingsangst maakt zijn liefdesverklaring des te geloofwaardiger: ‘Now I find myself wanting to marry you / and take you home.’ Zo simpel, zo direct, zo puur. Zo ouderwets bijna. En dan die onvergelijkbare stem van Cooke – je ziet bruid en bruidegom al bijna naar het altaar lopen.
Maar voor wie nu nog aarzelt met haar jawoord, hier is
Wij mensen zijn natuurlijk au fond een stelletje slampampers, met al onze verkeerde gewoontes: te veel drinken, eten, werken en piekeren en te weinig sporten, ontspannen en liefhebben. We nemen ons dan ook geregeld voor, met name aan het begin van het nieuwe jaar, om het nu eens anders te aan te pakken. We weten in ons hart ook best hoe dat moet. En toch, eerlijk is eerlijk, komt er meestal niet veel van. Het vlees is nu eenmaal zwak.
En daar zitten we dan ook nog eens mee. Raymond van het Groenewoud heeft deze terugkerende paradox prachtig weten te vangen in een lied op zijn album De laatste rit uit 2011. De Vlaamse veteraan, die al menig klassieker op zijn naam heeft staan – denk aan
Bij de eerste regels ben je meteen wakker: ‘Niet met een heel jong meisje / Niet met een and’re man / Ook niet met and’re dieren / Daar komt ellende van’. De kerkelijke verboden die de Belg waarschijnlijk met de paplepel zijn ingegoten veranderen verderop in het lied in meer universele deugden: mededogen, naastenliefde, ruimhartigheid en vasthoudendheid. Prachtige idealen, stuk voor stuk de moeite van het nastreven waard, zoveel maakt Van het Groenewoud wel duidelijk.
De uitkomst echter, alles overziend, is steeds dezelfde: ‘Ik weet het wel / Ik ken dat lied / Ik weet het wel / Maar ‘k onthou het niet.’ De zanger beseft dat zijn eigen gedrag angstwekkend ver van het ideaal verwijderd blijft. De onmacht lijkt hem in zijn greep te krijgen. In het tussenstuk schreeuwt hij het uit: ‘Maar ‘k onthou het niet, ‘k onthou het niet / Het is te moeilijk, ’t is te moeilijk.’
In de eeuwige strijd tussen verheven idealen en het menselijk tekort vindt Van het Groenewoud geen hulp in de goede maar juist in een slechte eigenschap. Een falend geheugen als medicijn. Aanvaard je beperkingen, zo luidt de boodschap van de zanger, zodat je niet aan zelfhaat ten onder gaat. Hij wijst ons handzaam de weg door het laatste refrein bewust niet af te maken. Zijn laatste woorden zijn ‘ik weet het wel’ – zodat we het zelf mogen aanvullen.
Voor een goed kerstliedje hoeven er geen kerstwoorden in de titel of het refrein te staan. Een enkele verwijzing in een hoekje van een vers volstaat. Dat bewijst John Mayer in
De Amerikaanse zanger-gitarist brak in 2006 door met het album Continuum, dat paradoxaal genoeg aansloeg bij jonge (vrouwelijke) fans én bij collega-muzikanten. ‘Waiting On The World To Change’, van datzelfde album, lijkt zelf ook behoorlijk tegenstrijdig: een vette groove, een lekker meezingbaar refrein, maar qua tekst op het eerste gezicht allesbehalve opwekkend.
Even verderop spiegelt hij ons voor dat alles beter zal gaan als zijn generatie eenmaal het heft in handen krijgt. Toen ik het voor het eerst hoorde, wist ik niet van ik ervan moest denken. Dat werd nog sterker bij het derde couplet, waarin Mayer ook de kerstperiode erbij haalt:
Mayers ‘oplossing’, die hij ons in het refrein steeds voorhoudt, is om te wachten tot de wereld verandert, onder het circulaire motto: ‘we kunnen niets doen, dus doen we maar niets’. Dat klinkt behoorlijk defensief, als een excuus, zo je wilt.
Maar het knappe is: in het eerste refrein kun je Mayers woorden nog opvatten als een serieus gemeend pleidooi, als rechtvaardiging. Maar bij het derde of vierde refrein gaat dat niet meer. Je wordt een beetje ziek van die herkenbare maar o zo futiele uitweg die je wordt geboden. Het lied vertelt je dat het tijd is om die onzin achter je te laten – en gewoon te doen wat je kunt om de wereld een beetje beter te maken. Zo heeft de zanger ‘Waiting On The World To Change’ natuurlijk ook bedoeld. Een fijne Kerstgedachte en goed voornemen in één. Dank je, John.
De donkere dagen voor Kerst lenen zich goed voor bekentenissen, en na
In de jaren 70 en vooral 80 vierde Chris Rea (Middlesborough, VK, 1951) triomfen met hits als
Mijn belangrijkste kennismaking met Chris Rea is het album Wired to the Moon uit 1984, een plaat vol lekkere nummers, waaronder de bescheiden hit ‘I Can Hear Your Heartbeat’. Voor mij springt
Bij mij leeft het idee dat Chris Rea zo’n muzikaal zondagskind is dat alles komt aanwaaien. Zo iemand die in drie dagen gitaar leert spelen, in twee dagen piano en op zaterdag en zondag liedjesschrijven. Voor een hit pakt hij een bierviltje, voor een bluesnummer zijn bottleneck, en een bossanovaatje componeert hij even tussen de reclame en het journaal.
Rea doet in werkelijkheid waarschijnlijk gewoon alsóf het hem zo gemakkelijk afgaat. Dat is zijn geheim.
Kerstmis is niet alleen een goede tijd voor bekentenissen en vergeving, ook voor weemoed. Ik zet
Hoe komt het toch dat muziek zo in je systeem kan gaan zitten? Dat er een perfecte driehoek kan ontstaan tussen jouzelf, een bepaalde levensfase en een bepaalde artiest of plaat? En dat je met z’n drieën sindsdien onlosmakelijk met elkaar verbonden bent? Die vraag kwam bij me op toen ik onlangs een nummer van Randy Crawford op de radio hoorde.
In 1981, op de drempel tussen middelbare school en studententijd, maakte ik kennis met de jazzy soulmuziek van Randy Crawford (Georgia, 1952). Ik was bijna achttien en doorliep de initiatierite van een nieuwe wereld: de introductieweek van de universiteit. Mijn broer was die week op vakantie en ik mocht zijn kamer gebruiken.
Op zijn draaitafel lag Crawfords een jaar eerder verschenen album Now We May Begin. En als ik ’s avonds laat thuiskwam, moe en opgewonden van alle nieuwe mensen, mogelijkheden en vergezichten, lag dat album op me te wachten. Een album waarop Crawford met haar uit duizenden herkenbare stemgeluid telkens weer zong over afscheid en een nieuw begin. Hoe passend.
Maar ook zonder die persoonlijke omstandigheden is het een geweldig album. Crawford laat zich begeleiden door The Crusaders, de jazzrockformatie waarmee ze in 1979 de funky hit
Bijvoorbeeld de opener
Na Now We May Begin zou Crawford nog een paar sterke platen maken, zoals Secret Combination (1981) met de hits
Op 5 december 1975, vandaag precies 42 jaar geleden, gaven Robert Nesta “Bob” Marley (1945-1981) en zijn Wailers de wereld het mooiste cadeau denkbaar: het album Live! In mijn geval overigens niet echt een presentje: het was de eerste elpee die ik als veertienjarige kocht. Na lang wikken en wegen en twee keer luisteren bij
Maar man, wat een plaat. Ook nu nog. Het uitroepteken in de titel is niet overdreven: het is één brok leven en opwinding wat tot je komt vanuit The Lyceum Ballroom in Londen, waar Live! op 18 juli 1975 werd opgenomen. Die aankondiging van de spreekstalmeester alleen al: ‘All the way from Trenchtown, Jamaica: Bob Marley & the Wailers. Come on!’ En als de band dan
Niet dat alle tracks op Live! zo opgewekt zijn. Het Jamaicaanse Rastafari-geloof dat Marley met zijn muziek uitdroeg – een levensbeschouwing die deels teruggaat op het boek Openbaringen uit de Bijbel – staat voor een groot deel in het teken van lijden. Dat hoor je in tracks als
En het gaat in de reggae natuurlijk niet alleen over pijn, maar ook en vooral over solidariteit en liefde, over verzet en verlossing. Zoals in
Een tijd geleden zag ik in Parijs in Centre Pompidou enkele schilderijen van beroemde 20e-eeuwse meesters als Klee, Gris, Braque en Picasso. Opvallend, vooral toen ik erop ging letten: hoeveel muziekinstrumenten er op de doeken afgebeeld staan. En hoe vaak de schilders zelf schrijven over hun sterke drang om de dynamiek van muziek op het canvas te vangen. Er lijkt bijna afgunst in het spel te zijn!
Of het die kunstenaars gelukt is om op die tweedimensionale objecten evenveel beweging bij de kijker op te wekken als muziek teweeg kan brengen, zowel emotioneel als fysiek? Ik betwijfel het. Ritme, harmonie en melodie bestaan bij de gratie van tijd, en uit die dimensie is de schilderkunst nou juist verbannen. Hoe fraai en bijzonder het kunstwerk ook is, op Mondriaans Victory Boogie Woogie kun je niet dansen.
Maar dat wisten die schilders zelf ook wel. Waarschijnlijk probeerden ze het juist omdat ze wisten dat ze nooit zouden slagen. Ze wilden de hemel bestormen. En in de vergeefsheid van hun streven zit iets onbeschrijflijk moois. Iets heroïsch. En ongetwijfeld vertrouwden de kunstenaars erop dat ze zo in elk geval onbekende gebieden zouden ontdekken, oorden die ze anders nooit zouden hebben betreden.
Het leuke is, het kan ook andersom. Luister hoe Bob Dylan, niet toevallig ook schilder, zich in 1971 door de beeldende kunst liet inspireren. In
Om het cirkeltje rond te maken – ook veel schrijvers worden tot op het bot uitgedaagd door de muziek. Dichters als Guido Gezelle en Herman Gorter arrangeerden hun woorden tot het uiterste om musici en componisten te evenaren. Ze kwamen behoorlijk in de buurt,
En iedereen die over muziek wil schrijven, komt op een bepaald punt ook bij een kloof die onoverbrugbaar lijkt.
Een vriendschap in stand houden als je ver bij elkaar vandaan woont, is best lastig. En helemaal als jouw leven en dat van je vriend of vriendin totaal verschillende kanten op zijn gegaan. Dit was voor singer-songwriter Michelle Shocked (Dallas, Texas, 1962) evenwel de startsituatie voor een prachtig autobiografisch lied:
In deze folksong, van Shockeds debuutalbum Short Sharp Shocked (1988), schetst de zangeres eerst hoe ze een brief naar Texas stuurt om het verwaterende contact met een oude vriendin te herstellen (‘I walked across that burning bridge’) en tot haar verrassing een brief terugkrijgt vanuit de hoofdstad van Alaska.
Terwijl de getokkelde gitaar en het orgeltje een nostalgische sfeer oproepen, geeft ‘Anchorage’ vervolgens op informele correspondentietoon een beeld van heden en verleden van de twee vriendinnen, de een (‘Chel’) nu een ‘skateboard punk rocker’ in New York, de ander getrouwd en moeder van twee kinderen, inmiddels woonachtig in de koude verlatenheid van Anchorage. Als buitenstaanders krijgen we een zeldzaam inkijkje in hun leven en hun vriendschap, via allerlei details die iets universeels zeggen.
‘Anchorage’ is een nummer dat zich leent voor meerdere interpretaties. Dat valt op te maken uit
Anderen zien het minder zwart-wit. Want wie bepaalt dat het leven van een huisvrouw onbevredigend is? En dat de vriendin zich de titel en melodie van Chel’s liefdeslied op haar bruiloft niet meer kan herinneren, impliceert dat meteen dat de liefde tussen de echtelieden ook verdwenen is? Vergezocht.
Feit is dat het vrije leven van ‘Chel’ in New York haar vriendin in Alaska doet terugverlangen naar hun wilde ‘rock-‘n-roll days’ van weleer, en haar met haar eigen bestaan confronteert. Twijfel klinkt door in de manier waarop ze als een soort doorgeefluik fungeert om Chel bij haar huwelijk te betrekken: ‘Leroy says hello / Leroy says send a picture / Leroy says keep on rocking girl’.
Maar als je goed luistert weet je ook dat dit geen pure protestsong kan zijn. Je hoort vooral solidariteit en vertrouwdheid tussen de twee vrouwen: de vriendin weet dat Chel haar dilemma’s begrijpt en weet dat Chel weet dat zij dat weet. En ze beziet haar eigen situatie met zo’n mengeling van realiteitszin en zwart-droge humor – ‘I sound like a housewife / Hey Chel, I think I’m a housewife’ – dat jij ook weet: tussen deze twee is de vriendschap belangrijker dan een oordeel over de keuzes van de ander.
En zo zit het vriendelijk klinkende ‘Anchorage’ onderhuids vol spanning en twijfel – en warmte. Het maakt het tot feministische protestsong en ode aan de vriendschap tegelijk – een van de fraaiste in de geschiedenis van de popmuziek.
Sinds het allervroegste begin kent de popmuziek het kleine genre van de ‘doe-de-dansnummers’: liedjes die ‘Doe met mij mee!’ zeggen en in woord, beeld en muziek de daad bij het woord voegen. Denk aan
Deze aanstekelijke hartekreet is bij uitstek geschikt voor live-uitvoering en voor video. Vaak gaat het om rages en hypes, waarbij de artiest als een soort standwerker het nieuwste snufje voor zijn begerige publiek aanprijst en demonstreert. Even kinderlijk als onweerstaanbaar.
Onder die doe-de-dansnummers bevinden zich ook verzonnen dansjes, die zojuist door de artiesten zelf zijn uitgevonden. Zo liet Carl Douglas begin jaren 70, meeliftend op het succes van de populaire tv-serie met David Carradine, in zijn ‘Kung Fu Fighting’ de Oosterse krijgskunst samensmelten met moderne disco.
Een van de meesters van het subgenre was soulzanger Rufus Thomas (1917-2001). Deze ‘Oldest Teenager in the World’ maakte in de jaren 60 en 70 zijn handelsmerk van die zelfverzonnen dansjes, meestal geïnspireerd op het dierenrijk. Voor het fameuze Stax-label uit Memphis scoorde hij hits als
Zoiets moet Roxy Music ook gedacht hebben. De Britse glamrockers hadden een patent op camp maar maakten ondertussen ook fraaie en zeer originele muziek. Hun tweede album For Your Pleasure (1973) opent met
Maar ook zonder ironie is het doe-de-dansnummer nog alleszins levensvatbaar. Denk maar aan megahits als de
En daar ging er weer een. Het erge is dat je weet dat dat voortaan de hele tijd zo zal doorgaan. Veel rocksterren hebben inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Bovendien zijn het uiteindelijk toch gewoon mensen, hoewel we dat altijd willen ontkennen. Afgelopen maandag, mijn verjaardag notabene, was het dus Tom Petty. Volkomen onverwacht, 66 jaar pas, vlak na een succesvolle jubileumtournee door de VS.
Tom Petty, afkomstig uit Florida, verkocht wereldwijd zo’n tachtig miljoen platen maar was vooral in zijn thuisland een hele grote, die stadions liet vollopen. Maar het begon voor hem en zijn Heartbreakers in Europa. Hier liftte hij mee op de buzz van punk en new wave die in de tweede helft van de jaren 70 over het continent spoelde.
Het ijzersterke debuutalbum van de band, simpelweg getiteld Tom Petty & The Heartbreakers (1976), vormde meteen een blauwdruk al voor zijn latere werk: meeslepende compacte rocksongs, klaaglijk en nasaal gezongen, met pakkende melodieën en precies de goede gitaarriffs en toetsenaccenten van begeleiders Mike Campbell en Benmont Tench.
Na dat debuutalbum maakte Petty nog veel meer platen die niet stuk kunnen en altijd mooi zullen blijven, zoals Damn The Torpedoes (1979), Full Moon Fever (1989) en Wildflowers (1994). Ongeveer volgens het recept van de eersteling, maar niet gemakzuchtig, allesbehalve formulewerk. Het is eerder dat het bij Petty altijd allemaal zo gemakkelijk klinkt – meestal het kenmerk van ware klasse.
Niet al zijn platen zijn even sterk, maar ze bevatten zonder uitzondering een of meer pareltjes. Zodat je zonder moeite een driedubbeldik verzamelalbum uit zijn liedjescatalogus kunt samenstellen met alleen maar klassiekers. Ik noem er drie, nee vier, nee vijf:
‘Learning To Fly’ is zo’n typisch Petty-nummer, waarin hij zijn wanhopige en toch krachtige stemgeluid inzet om de eenzamen onder ons, of misschien eerder de eenzaamheid in ons allen, te troosten. Nico Dijkshoorn wijdde deze week een
Er valt nog veel meer over Tom Petty te vertellen, over zijn aandeel in supergroep The Traveling Wilbury’s bijvoorbeeld, en over zijn bijzondere imitatiecovers, bijvoorbeeld op het J.J.Cale-tributealbum
Eind jaren zeventig maakte ik zijn opkomst mee, onder meer via een live-optreden van Pinkpop 1977, dat ik
De popmuziek is op dit moment verstoken van schokkend nieuws, zoals het overlijden van grote namen of
Ellis is zo’n artiest die je maar eens in de paar jaar tegenkomt. Wiens muziek als een ‘bijl het ijs van ons bewustzijn splijt’. Bij mij in elk geval wel. Niemand anders schrijft op dit moment zulke spannende popsongs die zo onmiskenbaar geworteld zijn in de rootstraditie. Of andersom: niemand flirt in zijn folk- en countrysongs zo soepel met pop en jazz. En niemand balanceert ook in zijn teksten zo overtuigend op het slappe koord tussen Trouw en Ontrouw.
Tot dusver produceerde Robert Ellis (1988) vier solo-albums: The Great Re Arranger (2009), Photographs (2011), The Lights from the Chemical Plant (2014) en vorig jaar zijn meest recente, gewoon Robert Ellis getiteld, alsof het zijn debuut betreft. Het is vooral met die laatste twee platen dat Ellis zich loszingt uit het pure country- en folkidioom.
Dat nieuwste album bevindt zich dan weer wel in de mooie poptraditie van het
Maar Ellis kan en wil niet om de andere kant van de huwelijkse trouw heen, zoals in prijsnummer
Live staat de Texaan trouwens ook zijn mannetje. Afgelopen juni speelde hij, gekleed in zijn strakke spacecowboypak en ondersteund door puike vaste begeleiders, op Ribs & Blues in Raalte. Ondanks de wat lompe geluidsmix en de barbecue-achtige sfeer op het Overijsselse festival bleven zijn subtiele nummers op het podium volledig overeind.
Voor wie zoveel lof juist twijfel oproept, kijk zelf maar naar
Twee weken geleden ging het
Die zoektocht was een bijzondere ervaring. Want dat ding in mijn werkkamer waarop mijn gitaarversterker staat, bleek een IKEA-kastje vol met cassettes te zijn! Met daarnaast nog zo’n IKEA-geval, twee keer zo groot zelfs. En die verhoging onder de oud-papierbak bleek een kistje vol bijzondere soul-opnames. Een mens loopt vaak gedachteloos aan de grootste schatten voorbij.
Mijn stemming werd nog beter toen ik dacht aan de dubbelloops cassetterecorder die ik een paar jaar geleden had geërfd, met prima speakers en dito loopwerk. Daar was ik nu maar wat blij mee, even blij als met die teruggevonden bandjes. Wie wat bewaart die heeft wat, vind ik. Niet iedereen in mijn huishouden is het daar overigens mee eens.
Hoewel zelfs ik ooit flink gesneden moet hebben in de eigen cassetteverzameling uit de periode 1975 tot 2005 – het jaar waarin het Branden en het Rippen ook mij in hun greep kregen – bleek onder de overgebleven driehonderd bandjes nog veel moois te schuilen. Veel trips down memory lane, maar ook verrassingen – want wie wat bewaart vergeet soms ook wat hij heeft. Zoals het retestrak swingende Live On Planet Earth van The Neville Brothers uit 1990. Of het frisse Full Time Love van Ann Peebles uit 1992. Niet op Spotify. Wel op mijn cassettebandjes.
Topstukken in mijn collectie zijn de opnames van radioprogramma’s met concertregistraties. James Taylor live in Carré (1986), Shawn Colvin bij de Twee Meter Sessies van Jan Douwe Kroeske, Joan Armatrading van kort na Walk Under Ladders, met een prachtige uitvoering van
Zouden die oude radioconcerten nog ergens te vinden zijn? In de online-catalogus van het Instituut Beeld en Geluid in Hilversum zit onder meer de aflevering van Amigos de Musica met Mink DeVille uit 1977, en ook mogelijk het optreden van Solution uit 1979. Maar hoe zit het met de rest? Moeten we die live-opnames als voorgoed verloren beschouwen? Wie het weet mag het zeggen – en ook wie ze heeft mag zich hier melden. Mijn dank zal groot zijn.
Een onaantastbare twee-eenheid vormden ze. Walter Becker en Donald Fagen. Altijd in die volgorde. Maar nu dus niet meer. Afgelopen zondag overleed Walter Becker, 67 jaar oud. Samen met Fagen was hij in Steely Dan vanaf begin jaren zeventig verantwoordelijk voor een uniek geluid: een vernieuwende mix van pop, jazz en funk, met cryptische teksten die volop ruimte lieten voor interpretatie. Uitgevoerd door topmuzikanten in topstudio’s.
Steely Dan onttrok zich aan alle etikettering. Hoewel het lekker in het gehoor lag – luister maar eens naar
Becker en Fagen ontmoetten elkaar in hun studententijd eind jaren zestig. Geen Ze deelden een liefde voor soul, Chicago blues en jazz (dwz de jazz van vóór de mid-sixties), en voor de Marx Brothers, science fiction, Nabokov, Kurt Vonnegut en de films van Robert Altman. Volgens de mores van de tijd zetten ze zich daarmee af tegen hun opvoeding. Wel bijzonder is hoe ze al die invloeden – de muzikale, literaire én cinematografische – in onvergetelijke popsongs wisten te gieten.
Bij artiestenduo’s is de buitenwacht vaak nieuwsgierig naar de rolverdeling, de onderlinge krachtsverhoudingen. Maar daarvoor kwam je bij Becker en Fagen van een koude kermis thuis. Op het podium en in de liner notes herkenden we natuurlijk Fagen op zang en toetsen en Becker op gitaar en/of bas. Maar wie precies wat deed bij het schrijven van de nummers of in de studio, daar deden de twee altijd vaag over, net zoals ze hun eigen zieleroerselen tegenover de buitenwereld doorgaans in een nevel van wisecracks verborgen.
Over conflicten hoorden we evenmin iets. Ook niet toen het tweetal na hun zevende studioalbum Gaucho (1980) uit elkaar ging. Pas later werd duidelijk dat Beckers zware drugsverslaving in die tijd een wissel op de samenwerking trok. Het legendarische
Bij mij duurde het een tijd voordat Steely Dan aansloeg. De muziek was moeilijk te plaatsen. En week nogal af van de folk, country-rock en pubrock waar ik vooral naar luisterde. Het was jazzy, en soms leek het op disco, zoals Josie, en dat was dus Fout. En net als veel anderen was ik gewoon een beetje bang van die mannen. Een schoolvriend omschreef Becker als ‘die kale met dat lange haar’. Brrr.
Begin deze eeuw kwam het tweetal weer bij elkaar. Ze maakten twee studioalbums, Two Against Nature en Everything Must Go, goede platen die volgens de meeste critici echter niet konden tippen aan hun oudere werk. Op mijn persoonlijke Steely Dan-playlist prijken echter verrassend veel tracks van die twee platen. Ze funken bijvoorbeeld beter dan ooit, bijvoorbeeld in naar
Walter Becker was bovenal het meest onwaarschijnlijke rolmodel dat je je kunt voorstellen. Hij had een moeilijke jeugd, was introvert en niet knap. Maar intelligent, muzikaal en humoristisch was hij wel. En door zich daarop te focussen kreeg hij erkenning, werd hij rijk en beroemd. Zo bracht hij hoop in de levens van talloze verlegen nerds op deze aardbol, alsof hij zei: Kijk eens wat je tot stand kunt brengen. Niet door vooraan te gaan staan en een fraai masker op te zetten, maar door de muziek te maken die je zelf mooi vindt. Muziek die voortleeft als je er zelf niet meer zult zijn.
Vorige week zong Goeie Nummers de lof van de koebel (cowbell, campana). Het effect van
Bijvoorbeeld
Ander voorbeeld:
Wat recenter vinden we de Beastie Boys met
Wil ik hiermee dan zeggen dat elk willekeurig nummer baat zou hebben bij koebel, of bij méér koebel? Nou, daarmee ga je me toch iets te ver. Feit is dat de droge koebel-tik, een echo van zijn nederige agrarische afkomst, de rock-‘n-roll in zijn vlucht naar almaar groter en elektronischer met beide benen op de grond weet te houden, dicht bij zijn landelijke oorsprong van blues en de country in de vorige eeuw. Iets moet ons toch herinneren aan waar we vandaan komen. Laat dat dan een koebel zijn.