Er is geen enkel liedje dat je van je geldzorgen af kan helpen – tenzij jij degene bent die er een hit mee scoort. Maar een goed liedje op het goede moment is wel een effectief antigif tegen de gevoelens van hulpeloosheid, zelfverwijt, woede en schaamte die je kunnen belagen als de finale afgrond dreigt. Gewoon door herkenning en erkenning te bieden. Of afleiding.
Heel bekend, en heel duidelijk in zijn boodschap, is Money’s Too Tight To Mention van Simply Red uit 1985. Hoewel zanger Mick Hucknall, een supporter van Labour, rept van ‘reagonomics’ (naar de toenmalige Amerikaanse president Ronald Reagan) sluit het soulfulle nummer vooral naadloos aan bij het Groot-Brittannië onder Margaret Thatcher, waarin de werkloosheid hoog opliep en de arbeidersklasse een behoorlijke veer moest laten.
In een reeks scenes die doet denken aan Sam Cooke’s klassieker A Change Is Gonna Come vraagt de berooide hoofdfiguur in ‘Money’s Too Tight To Mention’ eerst de bank om bijstand, dan de uitkeringsinstantie, dan zijn broer en ten slotte zijn vader. Allemaal vergeefs. Over alles kan hij het hebben, niet over geld. Money’s too tight to mention.
Wat het lied laat zien: iedereen kampt met dit probleem. Trek het je niet persoonlijk aan. Bij zoveel narigheid en pech hoef je er niet ook nog een schuldgevoel bij te krijgen. Een goede les. Nog steeds.
Een heel andere uitweg uit de financiële malaise komt van de Amerikaanse band Fountains of Wayne. In Strapped For Cash (van Traffic and Weather uit 2007) is luchtigheid de remedie. Als in een zwarte komedie zie je hoe de onfortuinlijke schuldenaar zich steeds verder in de nesten werkt: smoesjes, de goktafel, nog meer schulden enzovoort. Je vraagt je in gemoede af hoe hij zich daar ooit nog uit kan wurmen.
Edoch, terwijl het ritme onbekommerd doordendert weet de zanger de moed erin te houden, zelfs als de zwaargebouwde vrienden van zijn schuldeiser al door het raam naar binnen klimmen. ‘Take a seat, I’ll be back in a flash,’ zegt hij nog. Tegen de achtergrond van rondzwervende synthesizers zie je hem als een Houdini via het wc-raampje ontkomen terwijl de verbouwereerde kleerkasten elkaar verwijtend aankijken.
Je slaakt een zucht van verlichting. Ondanks alles blijkt het mogelijk om jezelf op miraculeuze wijze uit de penarie te bevrijden. ‘Bop shoo wop, bop bop shoo wop’. Minstens een nummer lang.
‘Muziek tijdens operatie leidt tot minder angst en pijn’ kopte
Jeekel sprak zelfs van ‘wereldnieuws’ en benadrukte dat het om hard wetenschappelijk bewijs gaat. Maar intuïtief wisten wij muziekliefhebbers allang
Het kan dan ook geen toeval zijn dat zo veel artiesten de dokterstitel voeren – van Dr. John (Mac Rebennack), Doctor Feelgood en Doc Watson tot rappers Dr. Dre en Love Doctor – zonder zich maar een minuut te bekommeren om het ontbreken van de vereiste diploma’s. En het is ook niet voor niets dat zoveel liedjes een medische professional in de titel hebben staan, bijvoorbeeld
In navolging van auteurs Susan Elderkin & Ella Berthoud, die in De Boekenapotheek laten zien hoe je jezelf al lezende kunt genezen, onderzoekt Goeie Nummers de komende tijd welke muziek helpt bij gezondheidsproblemen. En dan gaat het niet over de vraag of blues inderdaad helpt tegen de blues of in hoeverre break-up songs een gunstig effect hebben bij liefdesverdriet, maar of er specifieke songs zijn die heilzaam werken tegen specifieke klachten. Goeie Nummers wordt dan even synoniem met Geneeskrachtige Nummers.
De eerste doen we hier even heel kort:
Ook ‘Bad Case of Lovin’ You’ hoort daarbij. In dit Geneeskrachtige Nummer lijkt de genoemde arts trouwens niet meer dan een rekwisiet te zijn. De zanger geeft immers zelf al de diagnose: het is de liefde, die ‘vreemde ziekte’ (
Het jaar is nauwelijks begonnen, de lucht hangt nog vol kruitdampen en oliebollenwalm. Men wrijft zich in de ogen, verwenst de champagne en vraagt zich af hoe lang de goede voornemens goed zullen blijven. Dit moet ook ongeveer de situatie zijn geweest toen Court & Spark van Joni Mitchell op 1 januari 1974 op de wereld werd gezet.
De Canadese singer-songwriter was eind jaren 60 neergestreken aan de westkust van de VS. Met haar intrigerende melodieën en persoonlijke teksten maakte ze in het flowerpowertijdperk snel furore, scoorde zelfs hitsingles als ‘You Turn Me On, I’m a Radio’ en
Tussen 1968 en 1972 produceerde Mitchell (1943) elk jaar een album, met toenemend commercieel en artistiek succes. In 1973 besluit ze het aantal optredens echter drastisch terug te brengen en besteedt ze een groot deel van haar tijd in de studio. Wat ze daar allemaal doet wordt aan de startstreep van 1974 duidelijk.
Op Court & Spark is Mitchells vertrouwde sobere folksound van zang, akoestische gitaar en piano verrijkt met drums, bas en elektrische gitaar, aangevuld met blazers, percussie, fluiten en strijkers. Gerenommeerde sessiemuzikanten als Larry Carlton en Joe Sample verlenen hun diensten, en het meest opvallend zijn de jazzinvloeden die de muziek doordesemen.
Elk liedje op dit album lijkt je mee te nemen op een grillige trip met onbekende bestemming. Met verbazing lees je op de hoes dat de nummers meestal maar zo’n drie minuten duren. Als een vakantie van twee weken die voor je gevoel een half jaar heeft geduurd. Luister maar eens naar de
Net als Blue van drie jaar eerder bevat Court & Spark bijna louter hoogtepunten, maar de toon is lichter, met onder meer het poppy ‘Help Me’ en het jazzy ‘Raised On Robbery’, beide op single uitgebracht. Het absolute prijsnummer is voor mij
Van alle jazzfolkplaten die Mitchell zou maken, is Court & Spark me het dierbaarst, mogelijk omdat de spanning tussen de strenge ambachtelijkheid van folk- en popsongs en de muzikale vrijheid van de jazz hier maximaal is. Het is daarmee ook een gedurfde plaat. Joni Mitchell stond met haar ene been nog in de popwereld met zijn strakke regels, met het andere stapte ze zelfbewust de vrijheid in. De releasedatum moet symbolisch bedoeld zijn. Moge Court & Spark nu, 43 jaar later, een inspiratie zijn voor ons in 2017.
Onlangs sprak ik iemand wiens dochter enorm opzag tegen de kerstperiode. Niet uit afkeer van huiselijke gezelligheid, maar omdat ze in een winkel werkte waar ze de hele dag kerstliedjes moest aanhoren. Denk je eens in: ‘Last Christmas’ (Wham!), ‘All I Want for Christmas Is You’ (Mariah Carey), ‘White Christmas’ (Bing Crosby) en nog meer van dat soort werk, en dat in een oneindig lijkende loop. Zoiets gun je zelfs je ergste vijand niet.
Het nadeel van kerstnummers is sowieso dat ze vaak geraffineerd en mierzoet zijn en daardoor vreselijk in je kop blijven hangen. Maar het ergste is nog wel dat ze ook een verbod uitstralen op elke andere emotie dan een positieve. Zo’n verbod alleen al is genoeg om chagrijnig en rebels van te worden. En dat laatste mag natuurlijk helemaal niet met Kerst!
Dat het ook anders kan, zien we bij Steve Earle (1955). De bebaarde Texaan produceerde sinds 1986 niet alleen ruim twintig albums vol authentieke country, folk en rock, maar maakte ook naam als activist, onder meer tegen de doodstraf. Zijn album El Corazon uit 1997 bevat een van de meeste bezielde kerstsongs die ik ken:
Woody Guthrie (1912-1967), de aartsvader van de protestzangers, schreef onder meer het klassiek geworden
‘Christmas in Washington’ prijkt veelvuldig op Earles setlist bij concerten. Soms laat hij het nummer voorafgegaan door een lange inleiding waarin hij, boven het getokkel van zijn gitaar, levende artiesten en activisten aan het vaste rijtje namen toevoegt. Daarom is het ondanks de zware inhoud een echt kerstnummer: de toekomst is duister, maar uiteindelijk zijn er helden, vroeger en nu, er zijn dingen die het waard zijn om voor te vechten – en er is hoop.
Bijna een jaar geleden schreef ik
Inmiddels zijn we bijna een jaar verder. Nog steeds niets. Nergens ook maar een spoor van nieuwe liedjes van de voormalige postbode uit Nieuwegein. En wat doe je als je geen grip kunt krijgen, dan ga je zoeken naar verborgen tekens. Nou ja, verborgen? Een zoektocht op internet brengt me bij Volkskrant-journalist Fabian de Bont die, mogelijk geteisterd door eenzelfde onrust, begin juni met De Jong sprak voor
En wat bleek? Spinvis was in juni voornamelijk ‘in zijn binnenwereld’ bezig. En die binnenwereld wil bij hem zeggen: de studio in het souterrain van zijn huis! Elke dag was hij daar korte tijd aan het opnemen, helemaal in zijn eentje!! Afstand nemend en twijfelend, zei hij, zoals bij een groeiend veld met plantjes!!! Voor een album dat hij in december af wilde hebben!!!!
OMG, december, dat is nu al bijna. Waarom heb ik dit niet zien aankomen? De tekenen waren achteraf toch overduidelijk. Spinvis hanteert gewoon een algoritme. In 2002 verscheen zijn titelloze debuutalbum, dat direct door het plafond van de Nederlandstalige popmuziek schoot, in 2005 kwam Dagen Van Stro, Dagen Van Gras, in 2011 gevolgd door tot ziens, Justine Keller.
Op al die schijfjes koppelt hij alledaags-poëtische zinnetjes aan originele muziekjes die akelig verslavend zijn. Dat blijft elke keer hetzelfde. Maar het interval tussen opeenvolgende albums verandert steeds: eerst 3, toen 6 en nu dus 5 jaar! Logisch. De plaat hierna zal dus in 2020 verschijnen, die daarna in 2022, dan 2029 enzovoort. Als je het eenmaal ziet, is het zo simpel.
Een beetje luisteraar had deze boodschap mogelijk al uit Spinvis’ werk afgeleid, verstopt in nummers als
Bovendien kunnen we ons in dat geval troosten met de oudejaarsshow die Spinvis en een aantal Utrechtse vrienden op 28 december a.s. geven in TivoliVredenburg, onder de titel
Ze zeggen dat de eerste indruk bij ontmoetingen allesbepalend is. Maar andersom is ook waar: het laatste beeld dat je van iemand krijgt, is wat blijft hangen. Hetzelfde geldt voor liedjes. Over de entree van liedjes ging het
Het uitro lijkt een ondergeschoven kindje. Het begint al bij het woord zelf. Een mix van Latijn en Nederlands, zoiets als Kwalitaria of Doehetzelvia. Het staat niet in Van Dale of Groene Boekje. Zelfs in het Engels is outtro niet officieel erkend. En dan hebben we het nog niet over de spelling waarover we geen keuze willen maken, met één of twee t’s.
Soms vormt het uitro echter een belangrijk – zo niet het belangrijkste – deel van een lied.
Een ander bijzonder voorbeeld is
‘Music is escapism, because life is so damn hard’, schrijft de bekende muziekblogger Bob Lefsetz in een
‘Everybody’s Talkin’’ werd geschreven door folkzanger-gitarist Fred Neil (1936-2001), een Newyorkse vriend en leermeester van Bob Dylan tijdens diens komeetachtige carrièrestart begin jaren 60. Ik hoorde het voor het eerst in de sobere uitvoering van Stephen Stills (Stephen Stills Live, 1975), maar het nummer werd natuurlijk bekend door de
In de openingsregels is het een en al melancholie wat de klok slaat: vervreemding, eenzaamheid, miscommunicatie, je bent er wel maar je bent er niet:
En de strijkers doen daar nog een schepje bovenop. Maar dan slaat de stemming om. De wiegende latin-groove begint te werken, de snelle gitaartokkel geeft de ballad vaart. Zodat je ook als luisteraar een ontsnappingsroute aangeboden krijgt uit het tranendal dat eerst zo overtuigend voor je is neergezet.
En dan die stem. Lekker, hè? Ongemerkt ben je al weggevaren op die droevig-zonnige klanken, voortgeblazen door een zoel briesje, bijna gewichtloos stuiterend op de golven. Op weg naar een oord waar je alles kunt vergeten. Waar het weer zich aanpast aan je kleding in plaats van andersom. Je zou willen dat het nooit ophoudt. Je wilt wegblijven. Voor altijd. Zet het nummer
In zijn boeiende boek Hoe muziek werkt (2014) breekt David Byrne een lans voor de democratisering van de popmuziek. Waarom zijn er professionele makers aan de ene kant en passieve toehoorders aan de andere kant? Dat is nergens voor nodig, stelt de voormalige frontman van Talking Heads. De kloof tussen producent en consument, sterk gegroeid sinds de ontwikkeling de opnametechniek, doet immers geen recht aan de creativiteit waarmee ieder mens geboren wordt.
Byrne is zelf professioneel muzikant, maar zijn pleidooi is in lijn met zijn carrière. Hij maakte met Talking Heads furore in de punkperiode, waarin rebellie werd gekoppeld aan een onbekommerde doe-het-zelfmentaliteit. Later experimenteerde hij onder meer met stijlen uit Afrika, waar vaak alle leden van een dorp of stam gezamenlijk musiceren tijdens rituelen en ceremonies.
Byrne krijgt bijval uit onverwachte hoek: de hersenwetenschap. Hoogleraar neuropsychologie Erik Scherder, bekend van tv-lezingen onder de vlag van De Wereld Draait Door,
De bijzondere verhouding tussen artiest en publiek kan ook opduiken in de muziek zelf. Zo was Randy Newman ‘Lonely At The Top’. J.J. Cale maakte ‘Rock & Roll Records’. En Justin Hayward van The Moody Blues noemde zichzelf ‘Just A Singer in a Rock & Roll Band’. Maar het was Joni Mitchell die het onderwerp wellicht het meest indringend bezong, in
In realistische details beschrijft de zangeres in dit nummer hoe ze haar chique hotel verlaat om in de stad sieraden te gaan kopen. Als ze de straat wil oversteken wordt ze opeens getroffen door het fraaie klarinetspel van een straatmuzikant. Wat er werkelijk toe doet, beseft ze dan, is alleen de muziek. Iets wat gegeven wordt zonder dat er iets teruggegeven hoeft te worden. Hoe anders dan wat zij zelf als professioneel popartieste doet.
Het lied klinkt melodieus en ontroerend, maar de boodschap is best ongemakkelijk, zeker in een live-setting: Mitchell twijfelt expliciet aan de waarde van de relatie tussen haarzelf en de mensen die recht tegenover haar in de zaal zitten. Een van de oplossingen, hoewel de zangeres het daar niet over heeft, is natuurlijk dat iedereen muzikant wordt! Precies zoals Byrne en Scherder zeggen.
Het is een behartenswaardig advies. Maar mocht je er om allerlei redenen toch niet aan beginnen, dan is er troost: volgens Scherder en andere neuropsychologen heeft muziek luisteren ook allerlei gunstige effecten op het brein. Tenminste als je luistert naar muziek waar je van houdt. Daar kunnen we ook wel wat mee.
Onlangs sprak ik iemand die ‘helemaal in het nu’ wilde leven. Wie bezig was met terugkijken of plannen, zei ze, leefde niet in het nu – en dat was niet goed. Ze keek erbij of ze een alom geaccepteerde waarheid verkondigde – en helemaal vreemd klonk het me ook niet in de oren. Ik was het er alleen totaal niet mee eens.
Waar ik me wel in herkende: de verwondering over mensen die voortdurend bezig zijn met toekomstplannen. Ik vind dat heel bewonderenswaardig, vooral als iemand die plannen ook nog in werkelijkheid weet om te zetten, maar mijn gestel lijkt van nature vooral in de ontvankelijke stand te staan. De werkelijkheid laat daarop zijn indrukken achter, meer dan andersom.
Ik vroeg me ook af of mijn weerzin niet wat ongerijmd is voor een popmuziekliefhebber. Want als er iets is dat alleen in het nu bestaat, dan is het wel muziek. Zodra het stopt, is het weg. Maar inmiddels denk ik er wat van te begrijpen. De weemoed en
Nog belangrijker is waarschijnlijk dat ik bijna wekelijks van nabij zie wat het betekent als iemand letterlijk in het nu leeft, als vrijwel uitsluitend gebeurtenissen uit de laatste halve minuut in het bewustzijn blijven. Ik zie dan vooral desoriëntatie, onrust en onzekerheid. Je vraagt je af wat er van het nu overblijft als het verleden zo diffuus en ongrijpbaar is.
Maar de belangrijkste reden voor mijn afkeer van het onversneden heden is toch het idee dat we in dat nu zouden moeten leven. Waarom zouden we in hemelsnaam allemaal hetzelfde moeten zijn? Ik zie het gewoon niet. Laat iedereen toch zichzelf kunnen zijn. Hoe ouderwets. Hoe mooi.
Genoeg gedacht en gepraat. Tijd voor muziek:
We zijn zo gewend geraakt aan popartiesten die hun eigen liedjes zingen, dat we bijna vergeten dat dat in de muziek allesbehalve gewoon is. In de klassieke muziek worden veel oude stukken steeds opnieuw uitgevoerd door steeds weer nieuwe musici, steeds net even anders. En in de jazz is het gemeengoed om standards van decennia geleden tot leven te wekken door ze al improviserend binnenstebuiten te keren of ondersteboven te houden.
Tot de jaren 60 was het ook in de popmuziek eerder regel dan uitzondering om stukken van anderen te zingen. Bing Crosby, Frank Sinatra, Elvis Presley, ze werkten allemaal zo. Maar in het decennium van Beatles, Stones en Beach Boys werd popmuziek langzaam serieus. Het werd kunst. En daar hoorde authenticiteit bij. Serieus te nemen artiesten schreven hun eigen liedjes. Wie alleen uitvoerend bezig was, kwam lager op de ladder te staan. En dat is best gek. Want artiesten die in staat zijn om de (verborgen) schoonheid van een liedje volledig naar boven te halen, zijn bijzonder waardevol – en behoorlijk schaars.
Joe Cocker is zo iemand. Hij trok onder meer ‘With A Little Help From My Friends’ (The Beatles) en ‘Ruby Lee’ (Bill Withers)
Een nummer coveren kan iets hebben van ‘dat kan ik ook’, of ‘dat kan ik beter’, maar het is tegelijk altijd een eerbetoon. Dat horen we ook bij het onverwachte koppel Matthew Sweet en Susanna Hoffs. De voormalige powerpop-prins en de ex-Bangle hebben het coveren zo’n beetje tot hun handelsmerk gemaakt. Op drie albums, getiteld Under the Covers Vol. 1, Vol. 2 en Vol. 3 (uit 2007, 2009 en 2013) laten ze hun niet geringe talenten los op hun favoriete nummers uit de jaren 60, 70 en 80.
Het cover-duo kiest vooral voor melodieuze nummers met licht-gruizig, fraai gitaarwerk. Nummers van Dylan, Young, Beatles, Velvet Underground, Bowie, Fleetwood Mac, The Faces, R.E.M., Tom Petty en The Smiths. Vol. 3, gericht op het decennium waarin beide artiesten zelf hun carrière begonnen, bevat ook wat minder bekende tracks.
Met hun afwijkende, maar fraai bij elkaar passende stemmen blijven Sweet en Hoffs dicht bij de oorspronkelijke versies. Ze zoomen in op wat die liedjes zo tijdloos en geliefd maakt. Luister maar eens naar hun live-versie van Neil Youngs
Met deze lange, geladen vraag begint
‘Motherland’ staat bol van dit soort tegenstellingen. Het gelijknamige album kwam uit in november 2001, twee maanden na 9/11. Hoewel de opnames al twee dagen voor de aanslagen op de Twin Towers waren afgerond, werd het album er onvermijdelijk mee geassocieerd. Daarvoor waren de politieke standpunten van de voormalige leadzangeres van 10,000 Maniacs ook te bekend. En leek de toon van haar muziek ook nadrukkelijk aan te sluiten bij alle emoties van die periode.
De zangeres droeg het album op aan de slachtoffers van 9/11 en vertelde later hoe die gebeurtenis en de nasleep ervan de betekenis van het titelnummer voor haarzelf hadden veranderd: van een aanvankelijk wat escapistische oproep werd het een indringend, meer hoopvol pleidooi voor onschuld: ‘To be faceless, nameless, innocent, blameless, free’.
Bijna lijzig gezongen, met zwarte gospel-ondertonen, kruipt ‘Motherland’ ongelooflijk dicht onder de huid. De coupletten zuigen je naar het troebele duister, het refrein brengt je als een wiegelied terug naar de geborgenheid van de kindertijd:
Het is een raadselachtig lied ook. Want wie is de ‘jij’ die de zangeres toezingt? Is dat de ‘five and dime queen’, ‘the shot gun bride’? En wat is de relatie tussen haar en de ‘ik’ van het refrein en het tussenstuk? Geen idee. Zoals veel echt goeie nummers laat ‘Motherland’ zich niet helemaal begrijpen. Het maakt ook niet uit, elke keer als ik het hoor is het weer kippenvel.
Deze week staat Goeie Nummers in mineur, vanwege het overlijden van schrijver Pieter Steinz. Hoewel het nieuws afgelopen dinsdag niet als een verrassing kwam – Steinz was in 2013 gediagnosticeerd met de onbehandelbare ziekte ALS -, werd ik er toch door getroffen. Hetzelfde bouwjaar (1963), ook als jongetje voorgoed de literatuur ingezogen door Het Sleutelkruid van Paul Biegel, en een groot popliefhebber bovendien.
Bovenal was en is Steinz voor dit blog een immense inspiratiebron. De voormalige ‘chef boeken’ van NRC Handelsblad paarde een grote belezenheid aan een frisse, open geest. Grenzen tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur waren er om te doorbreken; zijn boek Made in Europe (2014) behandelt net zo gemakkelijk Kuifje en Lego als Ovidius’ Metamorphoses en James Joyce’ Ulysses. En uit zijn zeer leesbare artikelen over boeken, films, beeldende kunst en muziek spreekt vooral bewondering en enthousiasme, naast de wens om andere mensen daarin te laten delen.
De culturele omnivoor, zoals NRC hem in
Steinz was verknocht aan lijstjes, schema’s en overzichten. Dingen die orde scheppen in de onmetelijkheid van onze cultuuruitingen en de chaos van het leven. Dat deed hij bijvoorbeeld, samen met Bertram Mourits, in Luisteren &cetera. Het web van de popmuziek in de jaren zeventig (2011). De auteurs beschrijven daarin 25 bepalende albums van dat decennium, en leiden de lezer daarbij uiterst informatief en met veel geestdrift naar verwante artiesten, albums en liedjes. Een even aanstekelijk deel over de jaren 80 en 90 volgde, een deel over de jaren 50 en 60 verschijnt binnenkort, waarmee een fraai web is geconstrueerd van een halve eeuw popmuziek.
En dan. Wat kan ik nog zeggen. Een liedje om af te sluiten dan maar. Vanaf het begin van dit blog heb ik me tenslotte voorgenomen om – als het maar even mogelijk is – elke post op een optimistische noot te laten eindigen. De door Steinz bewonderde Nick Cave met
Een rijtje bekende namen laten vallen om daarmee een muziekgenre op de kaart zetten. Die
Zoals Conley en Redding contemporaine zwarte soulacts en Afro-Amerikaans zelfbewustzijn promootten, deed zanger en multi-instrumentalist Charley Daniels (North Carolina, 1936) dat voor een reeks blanke bands en het Amerikaanse Zuiden. En presenteerde hij de
In een uptempo boogieritme, met virtuoze country-fiddle, brengt het eerste couplet de artiesten en de geografie met karakteristieke woordspelingen bij elkaar:
Charlie Daniels geeft het Zuiden en de Southern Rock een duidelijke identiteit waarin de waarden rebellie, luidruchtigheid, saamhorigheid en informele gezelligheid om voorrang strijden, en die impliciet tegenover het Noorden van de VS worden gesteld. De notie dat ‘het zuiden zal herrijzen’ was een veelvoorkomend sentiment – en een strijdkreet – sinds de nederlaag van de Zuidelijke Staten in de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865).
Net als
Pas onder dreiging van een rechtszaak haalde de Klan uiteindelijk bakzeil. Hoewel zijn uitspraken hierover niet helemaal consistent zijn, hield Daniels altijd vol dat zijn lied alleen tot doel had de muziek en de muzikanten van het Zuiden te promoten. Dat laatste is zeker gelukt. ‘The South’s Gonna Do It (Again)’ geldt nog steeds als een van de anthems van de Southern Rock.
Een paar weken geleden, tijdens het Roots in the Park-festival in Utrecht, werd ik overdonderd door Blackberry Smoke. Deze band uit Atlanta, Georgia, timmert al zo’n twintig jaar aan de weg en sinds kort ook met behoorlijk wat succes. En terecht, want de leden van deze southern-rockband, stuk voor stuk getooid met karakteristieke lange haren en baarden, speelden in het Julianapark de duiven uit de bomen.
Het mooie van het succes van Blackberry Smoke is dat het een uiting lijkt te zijn van een heuse Southern Rock-revival. Belangrijke vertegenwoordigers van dat jaren 70-genre waren bands als Lynyrd Skynyrd, Allman Brothers Band, Atlanta Rythm Section en The Marshall Tucker Band. Allemaal afkomstig uit zuidelijke Amerikaanse staten en meestal spelend in een stevige bezetting met zang, bas, toetsen, minstens eenmaal drums en minstens tweemaal gitaar, soms nog aangevuld met percussie.
Southern Rock sloeg een vernieuwende elektrische brug tussen twee oevers die voordien gescheiden waren, die van de blues en de country. En wat een genot was het: ritmisch interessanter dan doorsnee rock, melodieuzer dan blues, een stuk ruiger dan country. Met vaak die uitdagende luie zang die diepe gronden suggereert. De zuidelijke bands gaven gloedvol uiting aan iets wat je ‘streektrots’ zou kunnen noemen. Een outlaw-houding, rebellerend tegen de Beschaving (lees: mensen uit het ‘arrogante’ noorden van de VS) was er een vast onderdeel van.
De Southern Rock leidde in de jaren 80 en 90 een sluimerend bestaan, ternauwernood in leven gehouden door bands als The Black Crowes. Gelukkig is er de afgelopen jaren sprake van een opleving. Bands die het erfgoed met verve de nieuwe eeuw in spelen. Check deze groepen maar eens uit: de
Het leuke van die revival is dat je ook terug gaat luisteren. Naar Idlewild South van de Allmans bijvoorbeeld, naar Dixie Chicken van Little Feat, naar het titelloze debuutalbum van Lynyrd Skynyrd. Veel te mooi om te vergeten. En daarna gewoon weer naar het heden van
Dan nog even een praktisch puntje: komende weken gaat Goeie Nummers over op de tweewekelijkse Zomerfrequentie. Vanaf eind augustus verschijnt – als het even meezit – weer elke vrijdag een aflevering.
Je zal maar Jakob Dylan zijn, of A.J. Croce, Layla Hathaway, Sean of Julian Lennon. Als een donkere wolk hangt de reputatie van je beroemde vader boven je eigen muziekcarrière. En ja, het was natuurlijk slimmer geweest als je een ander vak had gekozen, zoals modeontwerpster Stella McCartney en actrice Liv Tyler deden, maar dat genenpakketje is er niet voor niets.
Daarbij helpt het ook niet dat er vaak opvallende gelijkenissen zichtbaar en hoorbaar zijn. Vergelijk de stemmen van Justin Townes Earle, Jeff Buckley of Julian Lennon maar eens met die van vaders Steve, Tim en John. Op die manier worden popsterkinderen steeds onvermijdelijk met hun beroemde voorzaat vergeleken – en vaak te licht bevonden.
Het kan een oplossing lijken om dan maar onder een pseudoniem te gaan opereren, zoals sommige popsterkinderen hebben geprobeerd. Maar ook in dat geval blijft het verleden je achtervolgen,
Sommige kinderen van popiconen hebben het nog een graadje zwaarder. Bij hen is niet alleen vader, maar ook moeder een rockster. Net als de kinderen van André Agassi en Steffi Graf – die in onze voorstelling al aces slaan voor ze kunnen lopen – worden deze rockwonderkinderen geconfronteerd met torenhoge verwachtingen die geen mens kan waarmaken.
In deze categorie heb je bijvoorbeeld Ben Taylor (vader James en moeder Carly Simon), Teddy Thompson (Richard & Linda) en Rufus & Martha Wainwright (Loudon Wainwright III en Kate McCarrigle). Dat deze jonge artiesten ondanks hun erfelijke belasting een naam voor zichzelf hebben weten op te bouwen, zegt waarschijnlijk veel over hun talent.
De vraag dringt zich op aan wie deze ‘kinderen van’ hun weinig benijdenswaardige lot te danken hebben – afgezien van hun verwekkers. En dan moet je toegeven dat de blaam het publiek en de media treft. Door ons dus. Omdat we er niet vanaf kunnen blijven. En daarom is het ook aan ons om de popsterkinderen uit die slagschaduw bevrijden. Door die ouders gewoon nooit meer met hen in een adem te noemen.
Om de daad maar meteen bij het woord te voegen sluit ik af met een lied dat niet over de buitenkant maar over de binnenkant van de vader-zoonrelatie gaat. Veel interessanter ook eigenlijk. Eerdergenoemde Loudon Wainwright III zingt in
Wat kunnen foto’s toch wonderschone liedjes opleveren. Dat
Puur door mijn smaak van de dag moet Wainwright de prijs voor het mooiste fotolied echter afstaan aan Nick Lowe. Deze voormalige new-waver, die in de jaren ’70 een bescheiden hit scoorde met ‘I Love the Sound of Breaking Glass’, is de afgelopen decennia bezig geweest het waardig ouder worden in de popmuziek te perfectioneren. Van langharige Britse pubrocker transformeerde hij geleidelijk tot witgekuifde Amerikaanse rootscrooner, met zelfgeschreven liedjes die klinken alsof ze altijd al bestaan hebben. In
Eerst toont hij ons het beeld van het slanke langbenige meisje dat haar armen om zijn eigen jeugdige versie heeft geslagen. Lange tijd was het beeld weggestopt in een la, toegedekt door de jaren, samen met de dwaasheid en verliefdheid van de jeugd. Daarna vraagt de zanger zich af – uiteraard zonder er werk van te maken – waar zijn oude vlam nu zou zijn, en of ze het geluk uiteindelijk gevonden heeft. En ondertussen laat elegant in het midden of dit lied minder gaat over het goede leven dat hij haar toewenst -dan over zijn eigen terugverlangen naar die armen.
Bij al deze zoete herinneringen vermijdt Lowe gelukkig al te grote klefheid. We worden bij de les gehouden door een uptempo calypso-achtige ritme, enkele onverwachte extra maten en puntige blazersriffjes. Zodat we ons graag door de mijmeringen laten meevoeren en onwillekeurig in onze eigen la met herinneringen naar oude foto’s gaan zoeken.
Op de poppodia zijn vrouwen behoorlijk in de minderheid. Het klassieke bandje bestaat nog steeds uit een kluwen opgeschoten jongens die geleidelijk veranderen in min of meer volwassen mannen, enzovoort. De vrouwen die je wel ziet, zijn bijna allemaal zangeressen – overigens vaak buitengewoon succesvol, zie Adele, Beyoncé, Rihanna, Taylor Swift en Meghan Trainor. Maar pure instrumentalistes zijn schaars.
Want hoeveel vrouwelijke drummers kun jij uit je hoofd opnoemen? Hoeveel vrouwen op sologitaar? Op toetsen? Precies. En dat is best vreemd. Maar Goeie Nummers gaat niet op zoek naar verklaringen, en ook gaan we hier geen lans breken voor meer ‘sterke vrouwen’ in de popmuziek – dat laat ik allemaal graag aan anderen. Wel vandaag aandacht voor een fenomeen dat zeer tot mijn verbeelding spreekt: de vrouw op de bas.
Deze basvrouw verscheen in de punktijd voor het eerst op het toneel, meeliftend op de bijbehorende geest van verzet en omkering. Bij de Gang of Four had je Sara Lee en er waren er nog veel meer, zo herinner ik me, maar ze zijn om de een of andere reden niet zo gemakkelijk terug te vinden. De bekendste is ongetwijfeld Tina Weymouth, die in Talking Heads een lekker hoekig en funky ritmetandem vormde met haar man, drummer Chris Frantz op drums (dat laatste bedierf de pret maar zeer gedeeltelijk).
Vanaf die tijd kom je op de podia vaker basmeesteressen tegen: stoere godinnen, die bijna onbeweeglijk een hele band staan op te pompen met lage dreunen die je middenrif laten klotsen. Zo pronkte in ons eigen land
De topper onder al deze sexy baspriesteressen is voor mij de Britse Yolanda Charles, die ik voor het eerst zag bij Paul Weller ten tijde van zijn album Wild Wood. Zoals ze daar stond, in Paradiso: de linkerarm half verborgen achter de lange hals van de basgitaar, de rechter nonchalant geknikt in de elleboog, de vingers soepel rustend op de dikke snaren. Relaxed, geconcentreerd, soeverein.
Bij een toneelstuk heb je een decor, een lichtplan, zaallicht dat langzaam dooft. Alles om het publiek in de stemming te brengen voor het verhaal dat gaat volgen. Een popliedje moet dat helemaal zelf doen, meestal in een paar seconden of maten.
Waarschijnlijk kun je aan de intro’s van popsongs gemakkelijk een hele musicologische studie wijden. Of twee. Een onderzoeksobject dat daarin in elk geval niet mag ontbreken, is het intro van
Het nummer werd geschreven door het songschrijversduo Norman Whitfield en Barrett Strong – ook verantwoordelijk voor Marvin Gaye’s ‘I Heard It Through The Grapevine’ en vele andere Motownhits. Naar verluidt ontstond er bij de opnames ‘Papa’ flinke animositeit tussen producer Whitfield en de band. Steen des aanstoots waren onder meer de lange instrumentale gedeeltes – The Temptations waren in essentie een zanggroep. Hoe dan ook, in de zang klinkt flink wat woede door. En dat past naadloos bij de tekst.
Dat laatste geldt ook voor het intro, dat voor een popnummer onwaarschijnlijk lang is. Het begint met alleen drums en bas – het funky basloopje zal de rest van het nummer dragen. Daarna volgen gitaar, strijkers, trompet. Het geheel overgoten met de overweldigende psychedelische galm van begin jaren ’70. Je hoort ook elektrische piano, wah-wah-gitaar, handclaps. Vier volle minuten ingehouden drama, voordat de echte tragedie zich ontvouwt, van de gekwelde zoon die eindelijk de waarheid over zijn herkomst bij zijn moeder komt opeisen.
‘Papa Was A Rolling Stone’ gaat ergens over. Over een belangrijke waarheid die altijd voor je verborgen is gehouden. Over de bezoedeling van de naam van jouw verwekker – en dus van jouzelf. En over een situatie die voor veel (zwarte) gezinnen met afwezige vaders in de Verenigde Staten – ook nu nog – bittere realiteit is. Voor zo’n verhaal heb je een zorgvuldig opgebouwd decor nodig, en acteurs die zich kunnen inhouden tot ze de volle aandacht van het publiek hebben. Whitfield en The Temptations kregen dat ondanks – of juist dankzij – hun onderlinge wrijving op onvergetelijke wijze voor elkaar.
Hij overleed op 17 mei 2016, Guy Clark, 74 jaar oud. De Texaanse folk- en countryzanger was niet bijzonder bekend bij het grote publiek, maar voor zijn beperkte schare trouwe fans was hij een wijze, tegendraadse held. En in het creatieve gilde van de liedjessmeden gold hij als de ultieme vakman. Iemand die louter nummers schreef die van begin tot eind kloppen, tekstueel en muzikaal.
Hier geen volledige opsomming van zijn verdiensten, al was hij natuurlijk wel even de componist van veelgecoverde juweeltjes als 
De foto geeft een moment weer waarop alles op springen stond. Geen gemakkelijk moment, maar het is dit stilstaande beeld dat de zanger troost biedt:
Het lied is onopgesmukt, direct. Clark probeert zo eerlijk mogelijk te zijn. Door de eerlijkheid van zijn vrouw op te roepen. Een ultieme poging om weer even bij zijn geliefde te zijn – en wie weet is het hem destijds bij het schrijven en zingen van My Favorite Picture of You ook gelukt om de overkant al voor korte tijd te bereiken voordat hij er zo’n vier jaar later definitief aankwam.
Ben jij een geheime Fats Domino-fan? Of zelfs een openlijke? Dan kunnen we elkaar de hand schudden. En als je nog geen fan bent – kom er gerust bij. Want de lijvige zanger-pianist uit New Orleans heeft weliswaar geen gevarieerd oeuvre, en veel vernieuwing is er de laatste jaren – lees halve eeuw – ook niet in te ontdekken. Maar wat is zijn muziek tijdloos goed en wat krijg je er een goeie zin van!
Hier meteen dan ook maar even de bewijzen. Eerst
En dan – driemaal is scheepsrecht – het onvergetelijke
Deze muziek was al oud – en hopeloos uit de tijd – toen ik nog jong was. Je was niet helemaal goed bij je hoofd als je ervan hield. Het is niet voor niets dat Fats
Nou had Fats Domino het grote geluk dat hij kon samenwerken met de legendarische trompettist en bandleider Dave Bartholomew. Iemand die wist hoe je een vijfkoppige blazerssectie precies als 2,98 man kunt laten klinken, en hoe je die precies het juiste aantal milliseconden voor of na de tel moest laten invallen.
Beide mannen, inmiddels (hoog)bejaard, bleven de smeltkroes van New Orleans als muzikant en als inwoner altijd trouw. Top op de dag van vandaag. Naar verluidt was Fats Domino zelfs zo honkvast dat hij ten tijde van de orkaan Katrina in 2005, ondanks evacuatie-oproepen van de autoriteiten, weigerde zijn huis te verlaten.
Voor wie nog niet genoeg heeft van deze oer-rock ’n roller –