Covers die het origineel doen verbleken

trompetIn het vorige bericht in Goeie Nummers haalde ik een beetje uit naar artiesten die bij hun eigen nummers te veel leunen op hun inspiratiebronnen. Sorry. Vandaag steek ik dan maar de loftrompet over mensen die expliciet het werk van anderen naspelen. Meester-coveraars. Artiesten die een lied volledig naar zich toe trekken, het zich helemaal eigen weten te maken. Soms verdwijnt het origineel zelfs in de schaduw van hun cover. Een paar voorbeelden.

joe cockerJoe Cocker maakte With A Little Help From My Friends van The Beatles onsterfelijk. In de oorspronkelijke versie blijven Lennons prikkelende vragen door het huppelende ritme steeds luchtig. Wat doet Cocker? Hij wijzigt niet alleen de cadans, maar laat de vragen stellen door een soulkoortje en geeft zelf met zijn machtige strot de antwoorden, als een gekwelde held in een Griekse tragedie. Van ironisch commentaar naar existentiële oerkreet.

E,W&FIn 1978 haalden de mannen van Earth, Wind & Fire ook een nummer van de Fab Four flink door de wasstraat. Zozeer dat je het in eerste instantie nauwelijks herkent. Hun retestrakke funk & jazz-behandeling met spetterende blazers brengt de verborgen groove van Got To Get You into My Life heel verrassend naar boven. Songwriter McCartney was zeer te spreken over deze versie.

adeleAdele waagde zich op haar debuutalbum 19 uit 2008 aan een nummer van een andere rocklegende. Met succes: ze tilt Dylans Make You Feel My Love uit 1997 naar grote hoogten. De verschillen tussen de twee versies zijn niet zo opvallend als bij de twee andere covers, maar de Britse zangeres geeft het nummer maximale emotionele impact, door de fraaie melodie en akkoorden extra te benadrukken. En ze heeft natuurlijk ook een Stem.

stralenDe aanpak van deze covers is heel verschillend, maar ze maken alle drie dat je verwonderd bij jezelf denkt: wat een goed nummer, ik had nooit gehoord dat dit er ook nog in zat. Ken jij andere covers die de originele uitvoering ook zo doen verbleken en tegelijk het liedje extra laten stralen? Deel je tips op Goeie Nummers!

De vloek van een droomdebuut

molensteen 3Sommige artiesten debuteren met een album dat inslaat als een bom. Ze vestigen meteen hun naam, verwerven instant-roem, soms wordt hun plaat zelfs een mijlpaal in de popgeschiedenis. Maar zo’n droomdebuut kan een keerzijde hebben. Bij sommige artiesten hangt het als een molensteen om hun nek. Hun volgende platen worden altijd met die eerste vergeleken – en te licht bevonden. Aan hun carrière kleeft iets van niet ingeloste beloftes.

hoes Rickie Lee JonesWe kennen allemaal wel van die voorbeelden: de titelloze debuutalbums van Roxy Music (1972), The Modern Lovers (1976), Rickie Lee Jones (1979) en The La’s (1990). Of denk aan #1 (Big Star, 1972), Never Mind the Bollocks, Here’s the Sex Pistols (1977), Marquee Moon (Television, 1977) en Definitely Maybe (Oasis, 1994). Vaak maakten de artiesten daarna nog wel degelijk goede platen, maar in de ogen van de wereld staken die toch steeds bleek af tegen hun eersteling.

hoes Roxy MusicKomt dit, zoals wel wordt gesuggereerd, doordat artiesten op hun eerste album vaak hun beste nummers van de voorgaande tien jaar zetten en dat ze daarna niet elk jaar net zo veel goeie nieuwe nummers kunnen schrijven? Of doordat het snelle grote succes ten koste gaat van de urgentie en de bezieling?

his master's voiceHet zou kunnen, maar ik geloof dat een deel van de verklaring ook bij de luisteraar ligt. Gewoonweg omdat oordelen relatief zijn. Net als bij onze zintuigen: wanneer we uit de winterkou thuiskomen vinden we het binnen lekker warm, als we uit bed moeten stappen ervaren we dezelfde temperatuur als schrikwekkend koud.

hoes Definitely MaybeBij muziek is het misschien nog iets ingewikkelder. Ons oordeel hangt bijvoorbeeld af van wat we kort daarvoor hebben beluisterd. Van onze oudere muzikale herinneringen. Van de mening van anderen. Van iets ongrijpbaars dat we ‘de tijdgeest’ noemen. Van onze toevallige stemming van het moment. Enzovoort. Twee dingen zijn zeker: (1) objectiviteit is ver weg en (2) we zijn ons van dit alles maar deels bewust.

hoes Never Mind The Bollocks, Here's The Sex PistolsIk vermoed dat we ons van die meesterlijke debuutalbums niet zozeer de kwaliteit van de muziek herinneren, maar vooral de sterke schok die die plaat bij ons teweegbracht. En dat we bij elk volgend werkstuk van de artiest onbewust wachten op datzelfde heftige gevoel van ontdekking en verwondering. Teleurstelling kan op die manier bijna niet uitblijven.

hoes Look Sharp!Zo bezien is het bijna een wonder dat er artiesten zijn die aan de vloek van hun droomdebuut weten te ontsnappen. Bijvoorbeeld The Beatles (Please Please Me), The Who (My Generation), Kate Bush (The Kick Inside) en Joe Jackson (Look Sharp!) – om er een paar te noemen en een groot aantal te vergeten. Ze wisten hun publiek blijkbaar ook na hun eerstelingen nog vaak een schok te bezorgen. Respect!

Wat je muziekverzameling over jou zegt

DSC_0717‘Toon mij uw boekenkast en ik vertel u wie u bent’, zo luidt een bekend gezegde. Voor mij geldt dat evenzeer voor het platen- of cd-rek. Bij nieuwe kennissen snuffel ik graag zogenaamd achteloos in hun muziekcollectie, onder meer om daaruit iets over karakter van de eigenaren te kunnen afleiden.

DSC_0720Maar de link tussen platenkast en karakter wordt onduidelijker nu Spotify, mp3’tjes of andere digitale muziekformaten de tastbare producten steeds meer gaan vervangen. Cd’s, net als boeken, verdwijnen in rap tempo uit onze huiskamers. En iemand tussen neus en lippen door vragen om zijn playlists van de afgelopen weken even aan je te tonen, dat zie ik mezelf niet zo gauw doen.

gruppo sportive back to 78De nieuwe website Muziekklik.nl koppelt persoonlijkheid en muzieksmaak op een heel hedendaagse manier aan elkaar. Op deze (dating)site kunnen mensen elkaar vinden op basis van gedeelde muzikale voorkeuren. Voor die aanpak lijkt me veel te zeggen. Op z’n minst vermijd je zo het soort ontgoocheling waarmee de hoofdpersoon in I Said No van Gruppo Sportivo te maken krijgt: zijn nieuwe verkering ziet de copycats Jack Jersey en Long Tall Ernie aan voor de originelen Elvis Presley en Jerry Lee Lewis. Wat een afknapper!

moeder en kind1Het verband tussen karakter en muzieksmaak heeft overigens ook de belangstelling van wetenschappers. Je popsmaak zou vooral bepaald worden door die van je moeder, de belangrijkste opvoeder in de eerste levensjaren. Ik vind die theorie allesbehalve overtuigend en vooral ook buitengewoon onhandig. Want als dat waar is, zou je op muziekklik.nl de platenbak van je (aanstaande schoon)moeder dus vooraf al in de relatie moeten betrekken! Dat gaat hem niet worden.

stem op de zwarte lijstKarakter en muziek zijn ook op een meer overtuigende manier te matchen. Op de site van NPO Radio 6 kun je tot 19 maart stemmen  op je favoriete soul-, funk-,  blues- en jazznummers van de Zwarte Lijst, de ‘zwarte’ variant op de Top 2000 van Radio 3. Maar je vindt er ook een bijzondere Stemwijzer. Een beetje zoals we die al kennen uit de politiek, maar dan anders. Na het maken van een paar confronterende keuzes (Ben jij Vinyl of Mp3, Herfst of Lente, Hond of Kat, Koffie of Thee, enzovoort), kom je niet uit bij een politieke partij maar bij de Zwarte-Lijstartiest die schuilgaat in het Diepst van Jouw Eigen Ziel.

Welke zwarte lijst artiest ben jijHet mooie van deze Stemwijzer is dat hij door louter deskundigen in de muziek en de psychologie moet zijn gemaakt, want na het invullen bleek ik Marvin Gaye te zijn!!! Dan laat je dus zien dat je het begrepen hebt. Ik zou zeggen: check out die Zwarte Lijst Stemwijzer – tenminste als je ook wilt weten wie je bent.

Muziek als alimentatie – ‘Here, My Dear’ van Marvin Gaye

Geen guilty pleasures 1Voorlopig even geen guilty pleasures in Goeie Nummers, maar een eerlijk verhaal, openhartig en zonder schaamte. Dat geldt zeker ook voor ‘Here My Dear’, een album met een wel heel bijzondere ontstaansgeschiedenis.

hoes Here, My DearWat was het geval? Soulzanger Marvin Gaye (1939-1984) stond van het begin van de jaren ’60 onder contract bij het bekende Motown-label van Berry Gordy. In 1963 trouwde hij met Anna Gordy (1922-2014), de zus van zijn baas. Het tumultueuze huwelijk strandde definitief in 1975. Na veel juridisch gesteggel werd overeengekomen dat Marvin nog één album voor Motown zou maken, waarvan de opbrengst voor een groot deel naar Anna zou gaan.

Marvin en Anna 1Het dubbelalbum, met de uitdagende titel Here, My Dear, riep bij verschijning in 1978 gemengde reacties op. Niet zo gek ook. Na zo’n voorgeschiedenis van ruzie en bittere compromissen verwachtte niemand een top-werkstuk. Waarom zou Gaye zijn best doen voor zo’n alimentatie-plaat, waarvan de opbrengsten vooral zijn ex en ex-zwager ten goede kwamen?

John Martyn hoes Grace & DangerInmiddels kunnen we met wat meer afstand luisteren. En dan blijkt Here, My Dear een ongewoon sterk break-upalbum. Fleetwood Mac maakte Rumours, John Martyn Grace and Danger, Bob Dylan Blood On The Tracks, Richard & Linda Thompson Shoot Out The Lights – stuk voor stuk intense platen waarbij het bloed en de tranen van stukgelopen huwelijken bijna uit de groeven lopen. Maar nergens gaat het er zo onverbloemd aan toe als op Here My Dear.

Marving Gaye 1Aan de songtitels ‘When did you stop loving me, when did I stop loving you’, ‘Anger’ and ‘I Met A Little Girl’ en ‘You Can Leave, But It’s Gonna Cost You’ kun je dat al aflezen. We hadden in die tijd nog geen reality-tv, anders zou men Here, My Dear reality-muziek hebben genoemd. Anna Gordy was in eerste instantie niet blij met al die openhartigheid en overwoog zelfs een rechtszaak. Het duurde een tijd voor ze – net als rest van de muziekwereld, trouwens – de klasse van het album kon inzien. Haar ex bleek uiteindelijk toch een monument voor hun huwelijk te hebben opgericht.

Marving Gaye in colbertjeWant al die openhartige bekentenissen, (zelf)verwijten en klachten worden verklankt in Gaye’s onnavolgbare stijl, met zijn meerstemmige achtergrondzang, geavanceerde akkoordenwisselingen en soepele grooves. De getroebleerde zanger gaf alles wat hij had. Want Marvin Gaye had niet alleen een van de mooiste stemmen uit de popgeschiedenis, hij was ook een rasartiest die gewoon geen slechte plaat kon afleveren.

Foute muziek die goed wordt – ABBA

guilty pleasuresWat een guilty pleasure is in de popmuziek staat niet voor altijd vast. Kijk bijvoorbeeld naar de ‘werdegang’ van Mark Knopfler en zijn Dire Straits: aanvankelijk door recensenten de hemel in geprezen, daarna heel rap in het bakje Fout.

ABBA 1Dat het ook andersom kan, zie je bijvoorbeeld in Nederland met André Hazes en – in een iets ander genre – André van Duin. Wereldwijd wordt dit fenomeen het mooist gedemonstreerd door ABBA. In mijn jeugd (de jaren ‘70) gold de Zweedse echtparenpopgroep als Flink Fout: rete-commerciële burgerkitsch. Ze wonnen nota bene het Eurovisiesongfestival (met Waterloo), dat zei eigenlijk al genoeg. Met die gekke pakjes. Bovendien hielden foute mensen altijd van ABBA. En dat die mensen fout waren, bleek wel uit het feit dat ze van ABBA hielden.

ABBA 3Maar het kan verkeren. Vanaf begin jaren ’90 kreeg de band van Agnetha, Björn, Benny en Anni-Frid, al bijna tien jaar officieus opgeheven, postume erkenning. Nu ook bij de serieuze popfans. Zo zeer zelfs dat je vanaf eind vorige eeuw, zoals de Amerikaanse muziekcriticus Chuck Klosterman schreef, ‘veel tegendraadser was als je ABBA haatte dan als je van ze hield’. Hoe is die comeback te verklaren?

Bono en The EdgeIn elk geval waren daar wat ambassadeurs met straatgeloofwaardigheid voor nodig. Eerst was daar U2, die Björn and Benny tijdens een concert in Stockholm in 1992 lieten meespelen op hun versie van ‘Dancing Queen’. Twee jaar later verschenen er twee spraakmakende Australische cultfilms waar de bewondering voor het Zweedse fenomeen vanaf spatte: The Adventures of Priscilla, Queen of the Desert en Muriel’s Wedding.

ABBA bij Mamma Mia!Toen was het hek van de dam. Diverse, sterk uiteenlopende acts omarmden ABBA door covers op te nemen, zoals Evan Dando van The Lemonheads (‘Knowing Me, Knowing You’), Sinéad O’Connor (‘Chiquitita’) en Dionne Warwick (‘SOS’). Vanaf 1999 toerde de musical Mamma Mia!, gebaseerd op de muziek van ABBA, jarenlang de wereld rond – later kwam er nog een succesvolle filmversie. Om het af te maken – in 2009 werd de groep opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame.

hoes The VisitorsWat bij die erkenning ook meespeelde: de teksten van ABBA werden op hun laatste platen steeds persoonlijker. Zo geven de huwelijksproblemen van de vier groepsleden de opgewekte muziek van hun zwanenzang The Visitors een diepere, melancholieke laag. Net zoals hun liedjes onder de oppervlakte volzitten met muzikale vondsten die niet onderdoen voor die van Beatles of Beach Boys. De conclusie lijkt onontkoombaar: ABBA is altijd flink goed geweest, niet fout. Misschien geldt dat ook wel voor de mensen die in de jaren ’70 van ABBA hielden.

Wat deed Mark Knopfler verkeerd?

dire straitsMark Knopfler, voorman van Dire Straits, had eind jaren ‘70 een vliegende start. Het eerste album en de single ‘Sultans of Swing’ maakten hem meteen tot de lieveling van publiek en critici. Knopflers sfeervolle liedjes en zijn uit duizenden herkenbare gitaarstijl waren een verademing tussen de punkers en symfonische rockers van die tijd. Hij werd vergeleken met JJ Cale en Bob Dylan. Het kan slechter.

Mark Knopfler 2Maar slechts een paar jaar later is het beeld 180 graden gedraaid. Dire Straits zijn weliswaar heel populair, maar voor poprecensenten zijn ze onmiskenbaar in de categorie Fout beland. De groepsnaam is synoniem met Uitverkoop van Idealen en met ‘muziek voor volwassenen’ (Adult Rock), een van de ergste dingen die je in Popland toegevoegd kunt krijgen. Serieuze popliefhebbers begonnen hun platen van de Britse band achter een kastdeurtje te zetten.

logo PhilipsHoe kon dat zo komen? Tja, Knopfler c.s. hadden natuurlijk hun open rootsy geluid ingeruild voor een wat pompeuzere rocksound dichtgesmeerd met toetsen. En ja, ze lieten hun wereldtournee sponsoren door een multinational (Philips). En ze transformeerden wel erg snel van cult- tot stadionband, dat ook nog eens. Maar was dat voldoende om zo verguisd te worden?

hoes debuutcd Dire StraitsNee, natuurlijk niet. Maar ik denk dat Knopfler (Glasgow, 1949) er in feite om vroeg. Ik bedoel letterlijk. Luister maar naar de debuutplaat van Dire Straits. In Sultans of Swing liet Knopfler duidelijk merken meer op te hebben met muzikale ambachtelijkheid dan met het gangbare modebewustzijn in de popmuziek: ‘And a crowd of young boys, they’re foolin’ around in the corner / Drunk and dressed in their best brown baggies and their platform soles /  They don’t give a damn about any trumpet playin’ band / It ain’t what they call rock and roll.’

hoesje In The GalleryEn in het nummer In The Gallery doet de Britse singer-songwriter er nog een schepje bovenop met zijn verhaal over Harry, een traditioneel werkende beeldhouwer die miskend wordt door de kunstcritici en galeriehouders: ‘It was in his blood and in his bones / Ignored by all the trendy boys in London and in Leeds / He might as well have been making toys or strings of beads / He could not be in the gallery.’ Pas na zijn dood krijgt Harry de verdiende erkenning: ‘And now all the vultures are coming down from the tree / So he’s going to be in the gallery.’

Wie zo zijn visitekaartje afgeeft komt vroeg of laat in aanraking met de smaakpolitie, dat wist Knopfler ook wel. Hij vond het misschien ook helemaal niet erg.

Met Emmylou Harris in Ahoy, Rotterdam, 2006

Dit alles hoeft gelukkig niemand ervan te weerhouden om – stiekem of niet – van Knopflers muziek te blijven genieten. Bijvoorbeeld van zijn bijzondere samenwerking met de Amerikaanse countrygitaarveteraan Chet Atkins (Neck and Neck, 1990), of zijn fraaie duetten met Emmylou Harris op All The Roadrunning uit 2006.

hoes PrivateeringOf van zijn soloplaten natuurlijk, zoals Sailing to Philadelphia (2000), Get Lucky (2009) of Privateering (2012): sfeer- en smaakvolle folk, blues en country, met het subtiele gitaarwerk, de donkere praatzang en de beeldende teksten zoals we die al kennen van dat allereerste Dire Straits-album. Gewoon goeie, vakkundige nummers – categorie Fout of niet.

Kippenvel – ‘Iedereen is van de wereld’ van The Scene

The SceneHet was ergens begin jaren ’90, tijdens Parkpop in Den Haag. De middagzon brandde aan de hemel. Op het podium in het Zuiderpark stond The Scene. Thé Lau en zijn band, altijd al een vette live-act, zetten in het Zuiderpark een set neer waar de vonken vanaf spatten. Hoogtepunt: ‘Iedereen is van de wereld’.

‘Dit is voor de misfits die je / her en der alleen ziet staan. / Die onder straatlantaarns eten / en drinken bij de volle maan.’

Parkpop Den HaagIedereen is van de wereld kwam uit in 1991, werd nooit een grote hit maar groeide in de loop der tijd wel uit tot een Nederlandse popklassieker. Een lied dat je in vervoering brengt, dat verbroedert. Het is zo’n typisch The Scene-nummer, stoer en gevoelig, met zijn korte zinnen en repeterende gitaarriffs. Het knappe van het nummer is dat het de solidariteit tussen alle mensen predikt zonder te vermanen. Je wordt persoonlijk aangesproken als luisteraar, als onderdeel van het publiek. Live werkt dat helemaal geweldig.

‘Rood zwart wit geel, jong oud, man of vrouw / In het donker kan ik jou niet zien, / maar deze is van ons aan jou. / En ik hef het glas op jouw gezondheid / want jij staat niet alleen’

The Lau‘Iedereen is van de wereld’ roept mededogen op, verschillen worden onbelangrijk. Het lied stelt simpelweg dat er plaats is voor elk individu, ook voor de verschoppelingen. Maar vooral voor jou: jij hoort er ook bij – net als ieder ander. ‘Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen’.

menigte in zuiderparkIets magisch gebeurde zo’n twintig jaar geleden met die swingende, meezingende menigte in het Zuiderpark waar ik deel van uitmaakte. Een groep losse individuen veranderde tijdens het opzwepende nummer in één grote brok solidariteit. Het was zo’n moment dat je niet meer vergeet. Kippenvel.

En iets van dat gevoel, van die verbroedering, namen we mee van dat veld in Den Haag. Een kostbaar bezit in tijden dat verschillen tussen groepen te veel nadruk dreigen te krijgen.

Het mooiste kerstlied

Joni Mitchell BlueMijn favoriete kerstlied is een nummer dat eigenlijk geen kerstlied is. Hoop en saamhorigheid zijn er niet in te ontdekken. Maar River, van Joni Mitchells sterk autobiografische album Blue (1971), raakt wel een snaar diep vanbinnen.

It’s coming on Christmas / They’re cutting down trees / They’re putting up reindeer / And singing songs of joy and peace / Oh, I wish I had a river I could skate away on.

Joni MitchellDe zangeres is haar lief kwijt. Verdriet en zelfverwijt strijden om voorrang. Ontheemd voelt Mitchell zich ook. Ver weg van haar vaderland Canada, in het groene Californië met zijn merkwaardige muziekwereldje. De gezellige kerstrituelen maken dat alles nog ondraaglijker. Alleen een bevroren rivier lijkt een oplossing te kunnen bieden:

I wish I had a river so long / I would teach my feet to fly / Oh, I wish I had a river I could skate away on / I made my baby say goodbye.

Hoe persoonlijk ook, ‘River’ is herkenbaar voor iedereen die het gevoel van zweven op de ijzers kent. En vooral voor hen die zich oneindig ver verwijderd voelen van hun directe omgeving. Het lied steekt al die eenzame zielen een hart onder de riem door te zeggen: er is een uitweg. Als het gezelschap van mensen je niets te bieden heeft, is er altijd – in de werkelijkheid of in je hoofd – nog het lege landschap van sneeuw en ijs dat jou wel begrijpt. Het maakt ‘River’ tot een van de ontroerendste (kerst)liedjes die ik ken.

Heb je ook een mooi kerstnummer dat je wilt delen? Wees welkom om dat hier te doen.

Donderweg – als in een roadmovie door de rock & roll

DonderwegJaap Boots (Bergen, 1961) was jarenlang dj bij de VPRO-radio (o.m. Villa 65, Club3VOOR12, Shouting Boots), speelde in diverse bands en schreef over popmuziek voor Vrij Nederland en HP/De Tijd. Begin dit jaar nam hij afscheid bij de radio. Boots ‘paste niet meer in het zenderplaatje’ of zoiets. Gelukkig is er nu een boek.

Bruce 3In Donderweg – de zeer letterlijke vertaling van ‘Thunder Road’ van Bruce Springsteen – vertelt Boots aanstekelijk en vol vaart over zijn ervaringen in de wereld van de popmuziek – of rock & roll, zoals hij het zelf noemt. Over zijn ontmoetingen met artiesten, over zijn radio- en tv-werk en over de plaats van popmuziek in zijn eigen leven. Het knappe is: Boots is observator én fan tegelijk.

Donderweg heeft als ondertitel ‘Mijn leven in de fast lane van de popmuziek’. Ik vermoed hier enige ironie. Hoe dan ook, het boek staat vol prachtige anekdotes. Over helden die in werkelijkheid ook echt helden blijken te zijn, zoals Tom Waits en Iggy Pop. Over een overweldigend concert van metalband Slayer in de Leidse Groenoordhallen, waar Boots bijna ten onder gaat in een zee van bier, zweet, modder en decibellen. Over het pure entertainment van de Golden Earring waarin hij ondanks zichzelf wordt meegezogen. En nog veel meer.

djEen groot deel van de internationale alternatieve popscene komt in Donderweg voorbij. Tegelijk is het boek zeer herkenbaar Hollands, met een kelderdiscotheek, saaie duindorpen waar het altijd waait en inkijkjes in het medialand van Hilversum: de wereld van radiomakers, omroepbazen en zendercoördinators, waarin ‘de muziekpolitie’ het steeds meer voor het zeggen heeft.

Joe Jackson - hoes Is She Really Going Out With HimMaar het mooiste zijn de persoonlijke stukken over ‘wat rock & roll met je doet’, zoals Boots het zelf zegt. Zo is Springsteen voor de opgroeiende Jaap als een begripvolle grote broer. En Joe Jacksons ‘Is She Really Going Out With Him?’ biedt hem in zijn puberjaren een waardige plek als toeschouwer. Later is er Nick Cave, die een speciale positie in Boots’ hart inneemt omdat diens From Her To Eternity het enige was dat hem als twintiger troost bood in een pijnlijk rouwproces.

roadmovieDonderweg leest als een trein. Of eigenlijk als een roadmovie. Een film waarin je samen met de hoofdfiguur in een grote oude auto door een weids rock & roll-landschap zoeft. Onderweg ontmoet je de meest wonderlijke figuren en neem je afslagen naar het onbekende. En kom je tot een paar frisse inzichten waarmee je verder kunt. Zo’n boek is Donderweg. Dus als je nog iets zoekt dat ze voor jou onder de kerstboom mogen leggen …

Donderweg affiche theatershowP.S. Jaap Boots maakte op basis van Donderweg ook een one-man-theatershow. Met plaatjes en live-muziek. Ik las lovende recensies. Zijn speellijst vind je hier.

 

De Funky Drummer – over loon en werken

soulfeest jaren zeventigBegin dit jaar ontdekten muziekwetenschappers het geheim van de ‘groove’: dat ongrijpbare kenmerk van bepaalde nummers waardoor je gewoon niet stil kunt blijven zitten en wel móet gaan dansen. Die groove, vooral waargenomen in de soul en funk uit de jaren ’70 en ’80, blijkt het gevolg van de optimale combinatie van voorspelbaarheid en onvoorspelbaarheid. Een regelmatige beat met precies voldoende onregelmatige noten, net vóór of net na de tel. Dat vindt ons brein fijn, vanaf onze geboorte al.

single Funky DrummerEn de ultieme groove, daar zijn geleerden en ervaringsdeskundigen het wel zo’n beetje over eens, is te vinden in het nummer ‘Funky Drummer’ van James Brown uit 1970. Het drumpatroon is niet voor niets honderden keren met veel succes hergebruikt in pop- en rapnummers. Van Public Enemy en Run DMC tot Madonna en Prince. Maar het nummer met de onverslijtbare groove heeft ook een keerzijde, leerde ik onlangs.

affiche Mr DynamiteIn de nieuwe muziekdocumentaire Mr. Dynamite. The Rise of James Brown, komt ook de Funky Drummer zélf in beeld. Eerst als jongeman van begin twintig, strak in het pak, fenomenaal drummend op het podium achter showman James Brown (1933-2006). Daarna als trotse man van een jaar of 70, op rustige toon verhalend over lang vervlogen tijden op tournee met ‘the hardest working man in showbusiness’. Zijn naam: Clyde Stubblefield.

Clyde Stubblefield met stokkenAls hem wordt gevraagd naar ‘Funky Drummer’, betrekt Stubblefields gezicht even. ‘How I hate that song’, ontsnapt hem voordat hij kleurrijk uit de doeken doet hoe het befaamde nummer tot stand kwam. Hoe slavendrijver Brown zijn backingband midden in de nacht – iedereen was bekaf na het zoveelste optreden – meesleepte naar de studio om een nieuwe track op te nemen. De rudimentaire tekst werd ter plekke verzonnen, een titel ontbrak nog. Maar James Brown was kennelijk tevreden met het slagwerk. En schreef het nummer als ‘Funky Drummer’ op zijn naam.

James Brown 3

Het misnoegen van Stubblefield is niet moeilijk te begrijpen: zoals alle sessiemuzikanten in die tijd ontving hij geen royalties over de nummers waarop hij meespeelde. Ook van de honderden keren dat zijn drumpartij werd hergebruikt door andere artiesten zag hij geen cent terug. Er is in de muziekbusiness inmiddels wel wat veranderd. Hoewel sampling nog steeds een juridisch grijs gebied is, krijgen meespelende muzikanten sinds een jaar of twintig ook een vergoeding – net als liedjesschrijvers – wanneer hun nummers op de radio worden gedraaid.

Voor Clyde Stubblefield kwam die regeling in elk geval te laat. In de documentaire maakt hij er verder geen woorden aan vuil. Er is blijkbaar eerder al genoeg over gezegd. Maar of hij er nu vrede mee heeft? Het feit dat hij een soloplaat maakte onder de titel The Revenge of the Funky Drummer zegt waarschijnlijk genoeg.

Namedropping: ‘Hail Hail Rock ‘n’ Roll’ van Garland Jeffreys

hail hail rock n roll hoesGarland Jeffreys (1943), in ons land vooral bekend van zijn hitsingle ‘Matador’ uit 1979, scoorde in 1992 nog een keer met Hail Hail Rock ‘n’ Roll. Het nummer is afkomstig van Jeffreys’ album Don’t Call Me Buckwheat uit 1992, dat vooral gaat over race relations.

Garland Jeffreys 3De Newyorkse singer-songwriter, met Puertoricaanse en zwarte wortels, laat in dit lied een hele stoet levende en dode r&r-legendes aan de luisteraar voorbijtrekken: naast Chuck Berry zijn dat Little Richard, Bo Diddley, Fats Domino, Elvis Presley, Gene Vincent, Buddy Holly, Jerry Lee Lewis. De hoopvolle boodschap: rock & roll kan de kloof tussen blank en zwart dichten.

The King of Inbetween - hoesNa een stilte van vele jaren verrast Jeffreys in 2011 – op zijn 63e – vriend en vijand met The King of Inbetween. De stomende mix van rock, soul, blues, reggae en ska maken het tot een van de meest opwekkende albums over sterfelijkheid die je je kunt voorstellen. Luister maar naar de levenslustig stampende boogie ‘til John Lee Hooker Calls Me:

‘I’m not getting any younger / I’m not feeling very old / But I’m not shoppin’ for my cemetery tomb soon / I’m gonna wait till John Lee Hooker makes room.’

John Lee HookerZe moeten daarboven nog maar even op hem wachten, vindt Jeffreys. En ondertussen eert hij weer zijn muzikale voorbeelden: naast John Lee Hooker zijn dat nu Louis Armstrong, Frank Sinatra, James Brown en opnieuw Fats Domino en Bo Diddley. Boodschap: rock & roll – breed opgevat – is de aangewezen remedie om het spook van de dood te verdrijven.

Met een interval van bijna twintig jaar produceerde Garland Jeffreys dus twee namedropping-nummers die niet alleen naar andere artiesten, maar ook naar elkáár verwijzen. Een beetje zoals ook te zien was bij ‘Sweet Home Alabama’ van Lynyrd Skynyrd.

twee boeken van J.D. SalingerDe werkwijze van Jeffreys doet me denken aan schrijvers die hun personages op subtiele wijze laten terugkeren in een volgend boek, bijvoorbeeld eerst als bij- en later als hoofdfiguur. Waarbij het latere een nieuw licht werpt op het eerdere. Ik heb daar nogal een zwak voor. De Amerikaanse auteur J.D. Salinger (1919-2010) deed het bijvoorbeeld met de fictieve familie Glass in Franny and Zooey, Raise High the Roof Beam, Carpenters en Seymour: An Introduction.

SpinvisIn de popmuziek moeten meer fraaie sequels zoals ‘Hail Hail’ en ‘John Lee Hooker’ te vinden zijn. Zelf kom ik nu alleen op Spinvis, met het pracht-duo ‘Ronnie gaat naar huis’ (Spinvis, 2002) en ‘Ronnie knipt zijn haar’ (Tot ziens, Justine Keller, 2011). Maar verder schiet me niets te binnen. Dus als je zo’n tip hebt, laat het me weten!

Geïnteresseerd geraakt in The King of Inbetween van Garland Jeffreys? Lees deze boeiende albumbespreking in Muddy Water Magazine.

Een literaire rockster?

Bruce 1Onlangs las ik op internet over de literaire inspiratiebronnen van Bruce Springsteen. De VPRO-gids van diezelfde week meldde dat de nieuwe plaat van Johnny Marr (ex-The Smiths) vernoemd was naar Homo ludens van historicus Johan Huizinga. En als je zo even verder zoekt, kom je op talloze plekken de leesvoorkeuren van popsterren tegen.

J Kessels The NovelMaar andersom? Kun jij één auteur noemen die de wereld graag laat weten welke popmuziek hij of zij op de iPod heeft staan? Ik niet. Klassieke muziek speelt soms nog wel een rol, zoals bij Maarten ’t Hart en Anna Enquist, maar popmuziek? Er zijn een paar uitzonderingen, zoals countryfan P.F. Thomèse (J. Kessels: The Novel) en (post)punker Jonathan Franzen (Vrijheid). Maar verder schittert de popmuziek in de literaire wereld vooral door afwezigheid.

Ik vraag me af hoe dat komt. Leven schrijvers in een stiltegebied? Luisteren ze alleen naar klassiek of jazz? Nauwelijks voorstelbaar, zeker niet bij de huidige generatie. Biedt popmuziek dan een te beperkte inspiratiebron voor een hele roman? Misschien. Een gemiddeld liedje duurt maar een paar minuten en telt hoogstens twintig regels tekst. Toch is dat ook geen logische verklaring: goeie nummers wekken in dat korte bestek een complete wereld of een diep-tragische geschiedenis tot leven. Genoeg basisstof voor een vuistdikke roman.

Nick CaveIk vrees dat het uiteindelijk toch om maatschappelijke status gaat. Ja, status. Zelfs anno 2014. Want ook na al die eeuwen vooruitgang geldt literatuur nog steeds als hoge kunst, en popmuziek als lage. Schrijvers halen zichzelf omlaag als ze laten zien popmuziek serieus te nemen. Het aanzien van ‘oppervlakkige’ popmuzikanten stijgt juist als ze af en toe een (goed) boek blijken te lezen. Sommige popartiesten zetten dan ook nog een stapje omhoog: ze gaan zelf schrijven. Denk aan Huub van der Lubbe (De Dijk) en Thé Lau (The Scene) en in het buitenland aan muzikale wildeman Nick Cave.

Karl Ove KnausgardMaar ho – de schone letteren reiken ook naar de rock & roll. Jawel. Want schrijvers snakken diep in hun hart naar de populariteit en de coole uitstraling van popartiesten. Dat blijkt vooral bij de man die op jaloersmakende wijze het beste van twee werelden heeft: Karl Ove Knausgård, de schrijver van de zesdelige autobiografie Mijn strijd.

Vader van Karl Ove KnausgardKnausgård krijgt niet alleen uitstekende recensies. De Noor verkoopt ook miljoenen boeken en heeft met zijn onaangepaste karakter en ruige looks de bohemien-uitstraling waar de meeste van zijn collega’s alleen maar van dromen. De media geven hem al het vaste voorvoegsel ‘literaire rockster’ – de mooiste titel die een kunstenaar tegenwoordig lijkt te kunnen krijgen. Maar wat mij betreft is dat toch net iets te veel eer. Hoe meeslepend en verslavend Mijn strijd ook mag zijn, Knausgård is geen popster. Mocht-ie willen. Hij is gewoon een vet rockende schrijver.

Kippenvel – ‘Beauty Way’ van Eliza Gilkyson

Eliza Gilkyson‘My father made a pretty damned good living / Playing music on the Beauty Way / He’s gonna die with some money in his pocket / Wish I could do the same today, little darling / Wish I could do the same today’.

Zo begint ‘Beauty Way’, de openingstrack van het album Hard Times in Babylon (2000) van Eliza Gilkyson. Zet hem maar op (Spotify). Dat is wat je noemt met de deur in huis vallen. En met die details, je voelt dat dit uit het leven gegrepen moet zijn.

DSC_0523Na het wrang-humoristische openingsvers duikt de Amerikaanse singer-songwriter terug in de tijd. Vertelt hoe ze vanaf haar tienertijd de lokroep van de muziek volgde. Geen gemakkelijk leven, zingt ze, want al heb je soms succes, ‘you’re never hot enough’. En hoe hard je ook werkt, in de muziekbusiness regeren de dagkoersen: ‘It’s not something you control’.

De toon is bitter, wereldwijs. Een scheurende slide-solo zet haar klaagzang kracht bij. En het wordt nog erger. In het volgende couplet identificeert ze zich zelfs met coyotes die vuilnishopen afstruinen. Hoe diep kun je zinken. Maar in het laatste couplet vindt ze op de een of andere manier vanuit het diepe dal toch weer de weg omhoog:

‘Sometimes I wish I could unplug this cord / And my soul or my money I could save / Oh but every time I say I’m gonna quit the Beauty Way / I hear my bones just turning in their grave, little darling / Bones turning in their grave’.

Er is geen ontkomen aan: stoppen is zichzelf verloochenen. De Beauty Way, de rituele helende weg van de Najavos, is voor Gilkyson blijkbaar ook de veelbezongen ‘road’ van de moderne Amerikaanse troubadours. En het is de enige weg die ze kan gaan.

De Gilkysons in de studio

De jonge Gilkysons (Eliza in het midden) vergezellen hun vader Terry in de studio, circa 1956.

Wat het precies is met dit nummer? Is het zo interessant om te luisteren naar een artiest die zich beklaagt over gebrek aan succes? Blijkbaar wel. ‘Beauty Way’ is een publieksfavoriet bij Gilkysons concerten. En bij mij. Misschien komt het doordat er in het nummer heel wat op het spel staat. Niet voor niets komt de dood tweemaal om de hoek kijken. Bovendien gaat het, onder de letterlijke betekenis van de tekst, over iets universeel menselijks: de worsteling om het bestaan, de zoektocht naar je eigen bestemming. Over ploeteren en vooruitkomen. Twee stappen vooruit, één achteruit. Of andersom. En toch doorgaan op je pad. Want dat is jouw pad.

Maar bovenal: zo rauw en doorleefd hoor je niet vaak iemand over zijn of haar leven zingen. Ook al weet je niets over de achtergrond van Gilkyson (Hollywood, 1951, dochter van een succesvol filmcomponist), je voelt gewoon dat ‘Beauty Way’ waarachtig is. Het resultaat is – in elk geval bij mij – kippenvel.

Meer weten over Eliza Gilkyson? Klik hier.

Albumverjaardag – The Nightfly van Donald Fagen

Donald Fagen hoes The NightflyVandaag is het precies 32 jaar geleden dat Donald Fagens The Nightfly verscheen. Destijds, in 1982, waren de meningen over het eerste soloalbum van de zanger-toetsenist van Steely Dan nogal verdeeld. Die van mijzelf trouwens ook, herinner ik me: ‘mooi, maar veel te glad’ – in dat soort categorieën dacht ik als 19-jarige. Het album bleef in de schaduw hangen van erkende Steely Dan-klassiekers als Aja (1977) en Gaucho (1980). Ten onrechte. Want The Nightfly is zo’n plaat die elk jaar mooier wordt.

The Nightfly is een conceptalbum in de beste betekenis van dat beladen woord: een verzameling liedjes die één thema speels en van verschillende kanten benadert. In een krappe 39 minuten brengt Donald Fagen (Passaic, New Jersey, 1948) een hele verdwenen wereld tot leven: die van een Amerikaanse tiener die eind jaren ’50 gegrepen wordt door de (jazz)muziek, de beat-poets en het verlangen naar het spannende leven dat hem over een paar jaar te wachten staat. Ook de muziek op het album ademt helemaal de sfeer van die tijd, bijvoorbeeld het swingende Ruby Baby (een cover van Leiber en Stoller), het jazzy ‘Walk Between the Raindrops’ en ‘Maxine’, met zijn vijfstemmige zangpartijen. Ondertussen is de digitale productie van begin jaren ’80 strak en modern – anno 2014 klinkt de plaat nog steeds fris en lekker.

IgylogoI.G.Y. is het bekendste nummer. Dit International Geophysical Year is niet verzonnen; dit was een internationaal wetenschappelijk project uit 1957-1958 dat beoogde de wereld te verbeteren door middel van de techniek. Met de ontnuchterende kennis van de voorafgaande 25 jaar kijkt de zanger in dit nummer terug op dat naïeve optimisme. Maar niet cynisch. De volwassen Fagen veroordeelt zijn jeugdige alter ego niet. Dat het mooie van The Nightfly: nostalgie en ironie houden elkaar perfect in evenwicht.

Donald Fagen als jonge jongenHet is waarschijnlijk ook Donald Fagens meest persoonlijke album. Bij Steely Dan verschansten hij en zijn muzikale partner Walter Becker zich achter een façade van cryptische songteksten en schimmige antwoorden in interviews. In de liner notes van The Nightfly schrijft Fagen echter dat de liedjes een weergave zijn van ‘certain fantasies that might have been entertained by a young man growing up in the remote suburbs of a northeastern city during the late fifties and early sixties, i.e., one of my general height, weight and build’. Voor Fagens doen ongehoord expliciet.

Donald Fagen nuNa The Nightfly maakte Fagen nog drie soloalbums: Kamakiriad (1993), Morph the Cat (2006) en Sunken Condo’s (2012). Stuk voor stuk geweldige platen, luister/kijk maar eens naar Wheather in My Head. Maar toch, geen daarvan haalt het voor mij bij zijn eersteling. Soms lijkt het of de zanger zich na The Nightfly liever weer terugtrok in zijn comfort zone. Jammer, maar bij nader inzien volkomen logisch. Zo’n album maak je maar eens in je leven.

Meer weten? Lees dit boeiende Engelstalige artikel uit 2007 naar aanleiding van de jubileumeditie van The Nightfly.

JJ Cale – 17e-eeuwer in de Americana

Joost van den VondelTijdens mijn studie Nederlands in de jaren 80 maakte ik schoorvoetend kennis met de literatuur van de 17e eeuw. Het leek me nogal stoffig. Wat bleek? Als je er eenmaal mee bezig was, vond je in de gedichten en toneelstukken van Bredero, Huygens en de grote Vondel alles wat literatuur zo boeiend kan maken: drama, humor, prachtige taal en ontroering.

Een andere eye-opener was dat deze schrijvers uit de Renaissance vooral bezig waren met imiteren. Copyright bestond nog niet; originaliteit was geen belangrijk criterium voor kunstenaars. Dat nabootsen van beroemde klassieke voorbeelden begon met het kennen en opvolgen van de voorschriften van de verschillende literaire genres: translatio (vertalen) en imitatio (creatief bewerken). De schrijver moest eerst leren een tragedie, komedie of epos volgens de regelen der kunst op te zetten. De laatste en moeilijkste stap was de aemulatio: het overtreffen van de grote voorbeelden.

JJ CaleDe in 2013 overleden JJ Cale doet in veel dingen denken aan die 17e-eeuwers. De bescheiden singer-songwriter uit Tulsa, Oklahoma kende de regels van de traditionele Amerikaanse muziekgenres als zijn broekzak, van country en rockabilly tot jazz en blues. Dat hoor je terug in het gemak, de loomheid, de losjes samenhangende ritmes, in de ruimte die zijn muziek altijd ademt.

stoofpotjeMaar Cale deed meer dan alleen de roots-genres volgen. Hij brouwde zijn eigen unieke stoofpotje, waarin hij de bekende stijlen door elkaar klutst terwijl ze toch herkenbaar blijven. Een vuurtje eronder en sudderen maar – dat is aemulatio à la JJ Cale. Zijn voorbeelden overtreft hij door op het juiste moment van de regels af te wijken, zoals in Crazy Mama, een blues die verrast door zijn melodieuze overgang. Of in Anyway The Wind Blows, waarin je blijft wachten op een wending die nooit komt.

The BreezeBij zijn overlijden, zo herinner ik me, was er belachelijk weinig aandacht in de media. Terwijl Cale de loop der popgeschiedenis toch aardig heeft bijgebogen. Misschien was die relatieve stilte voor Eric Clapton en een paar muzikale vrienden reden om een fijne tribute-cd te lanceren: The Breeze. An Appreciation of JJ Cale.

Eric ClaptonEric Clapton, Mark Knopfler, John Mayer, Tom Petty en een paar andere cracks kozen uit Cale’s rijke repertoire zestien goeie nummers en zetten die met veel liefde en respect opnieuw op de plaat. Met het mooiste respect dat je kunt bedenken. Sommige liedjes imiteren de meester zo sterk dat ze nauwelijks van het origineel zijn te onderscheiden, inclusief Cale’s kenmerkende mompelzang. Bij andere liedjes reiken ze vergeefs naar zijn niveau, als om hun nederigheid tegenover het grote voorbeeld te tonen. Maar een enkel nummer is juist net iets strakker, een solo wat puntiger, een groove iets dieper. Clapton & Friends beseften ook dat je de meester pas echt eert door hem hier en daar te overtreffen.

Hoeveel kleuren kun je de blues geven – Robert Cray

Cray - hoes Strong PersuaderDe wereld maakte in 1984 kennis met Robert Cray via de hitsingle ‘Right Next Door’. Het blues-popnummer bezorgde hem het imago van gladde maar sympathieke schuinsmarcheerder. En hoewel de overspelige liefde in zijn werk geregeld terugkomt, liet de zanger-gitarist in de tussenliggende dertig jaar zien meer in zijn mars te hebben dan alleen het bekende idioom van de blues.

Cray cd hoes in kleurenWant de blues is wel uniek in zijn aardsheid, kracht en intensiteit, maar het wordt ook gauw meer van hetzelfde. Dat vond Robert Cray (Georgia, VS, 1953) ook. Daarom verkent hij op elk van zijn meer dan 20 albums hoeveel kleuren je de blues kunt geven zonder de grondtoon te verliezen. Dat doet hij door al zijn muziek – ook soul, rock, pop, ballads – te zingen en spelen met de intonatie en intensiteit die kenmerkend is voor de blues, terwijl de liedjes zelf vaak sterk afwijken van het vaste stramien van drie akkoorden en 12 maten. Cray

Cray’s teksten beperken zich niet tot het vaste blues-thema van hartzeer in relaties. Hij zingt ook over zulke uiteenlopende onderwerpen als belastingen, de problemen die ontstaan als je de jackpot wint, kind-ouderrelaties en de impact van oorlog. Puristen verwijten hem wel dat zijn blues te glad en te weinig doorleefd is. Pure onzin wat mij betreft. Cray’s bijdrage is juist dat hij het oude genre levend en wel de 21e eeuw in heeft gebracht voordat het voorgoed in de vergetelheid zou wegsukkelen.

Cray blauw shirtMaar bij Robert Cray moet je wel goed luisteren. De diamantjes openbaren zich soms pas na meermaals luisteren, als zijn puntige gitaarlicks zich onuitwisbaar in je hoofd blijken te hebben genesteld. Bijvoorbeeld in het meeslepende These Things (Midnight Stroll, 1990), met zijn krachtige soulzang en stuiterende tremolo gitaarsolo. Of in ‘Passing By’ (Shame & A Sin, 1993), waarin jeugdige bravoure heeft plaatsgemaakt voor een openhartige overdenking over hoe je een huwelijk goed kunt houden.

DSC_0504Live weet Cray op zijn beste momenten tot diep in je ziel door te dringen, zoals ik tweemaal heb ervaren. Omdat elke noot, uit zijn strot of zijn gitaar, dan bij hem uit het diepst van ziel komt. Check him out!

Namedropping: ‘Sweet Soul Music’ van Arthur Conley

Arthur Conley hoesEen klein maar bijzonder hoekje in de popmuziek is gereserveerd voor nummers waarin andere popartiesten worden genoemd. Deze vorm van ‘namedropping’ kan mij vaak erg bekoren. In een liedje werkt het vaak goed, als een verrassende knipoog of als oprecht eerbetoon. Daarom ga ik in Goeie Nummers de komende tijd af en toe een ‘namedropping’-nummer onder de loep nemen. Als je een suggestie hebt – laat het me weten!

Een van de ultieme nummers in dit mini-genre – misschien ook een van de vroegste – is het opzwepende ‘Sweet Soul Music’ van Arthur Conley uit 1967. Je weet wel, van ‘Do you like good music? Yeah yeah. Sweet soul music? Yeah yeah.’ En van ‘spotlight on James Brown, spotlight on Wilson Picket’. En anders herinner je je de strakke blazersriff vast wel: tehhh-tetetete-tète tete… tehhh-tetetete- tète te.

packshot Een soulman in de AchterhoekIn het boekje Een Soulman in de Achterhoek gaat journalist John Schoorl in 2000 op bezoek bij Arthur Conley, die dan al twintig jaar min of meer anoniem op het Nederlandse platteland woont. De zanger, dan 54, doet Schoorl uit de doeken hoe de wereldhit destijds tot stand kwam. De basis was een nummer van zijn held Sam Cooke (1931-1964), ‘Yeah Man’. Conley herschreef het samen met zijn grote voorbeeld en leermeester Otis Redding tot ‘Sweet Soul Music’. Zoiets was toen niet ongebruikelijk, er zaten nog niet overal advocaten bovenop.

otis reddingOtis Redding was de grote ster van het legendarische Stax-label uit Memphis waarbij ook Carla Thomas, Eddie Floyd en Booker T. & The MG’s onder contract stonden. De reeks namen van zwarte soulsterren in het nummer – ook Sam & Dave en Lou Rawls kwamen voorbij – had alles te maken met de verhouding tussen Otis Redding en de platenbazen, vertelt Conley.

Die opsomming was namelijk een soort promotiestunt voor de eigen muziekproductiemaatschappij die Redding wilde oprichten. The Big O. had er genoeg van afhankelijk te zijn van blanke platenbazen en muziekuitgevers die rijk werden over de ruggen van hardwerkende zwarte artiesten. Hij wilde zelf de controle hebben en een ‘brown-eyed people-entertainment-industry’ oprichten. Niet meer knecht zijn, maar eigen baas.

Martin Luther King met publiekDe single ‘Sweet Soul Music’, waarvan wereldwijd meer dan een miljoen exemplaren werden verkocht, is dus meer dan alleen een lekkere groove om op uit je dak te gaan. Het is een statement dat naadloos aansluit bij de Amerikaanse burgerrechtenbeweging van die tijd. Wat Martin Luther King deed met zijn toespraken, deed Conley met zijn buigzame stem. ‘Sweet Soul Music’ en ‘I have a dream’ liggen niet zo ver van elkaar.

packshot Sweet Soul MusicWie meer wil weten over de relatie tussen soul en zwarte burgerrechten, leze het boek Sweet Soul Music. Rhythm and Blues and the Southern Dream of Freedom (1986) van Peter Guralnick, met boeiende portretten van soulsterren als Solomon Burke, James Brown, Percy Sledge en Aretha Franklin.

En hoe het Arthur Conley verder verging? Na het tragische vliegtuigongeluk waarbij Otis Redding eind 1967 omkwam, kon hij zijn draai in de muziekbusiness niet goed meer vinden. Hij week uit naar Europa; eerst Brussel, toen Amsterdam en ten slotte Ruurlo (Gelderland). Hij overleed er in 2003 en werd begraven in het nabijgelegen Vorden.

 

Waarom lijstjes belangrijk zijn

loesje - to do lijstjeLijstjes. We kunnen er geen genoeg van krijgen. Ik tenminste niet. To-do-lijstjes, bucket lists, de Top 2000, lijstjes met persoonlijke muziekfavorieten, gelezen boeken, top-concerten. Herkenbaar?

Nick Hornby High FidelityLijstjes maken kan zelfs een vorm van kunst zijn. Dat zie je bijvoorbeeld in het boek High Fidelity van Nick Hornby uit 1994. Deze hilarische en herkenbare Britse roman  – in 2000 verfilmd door Stephen Frears, met John Cusack in de hoofdrol – gaat over platenhandelaar Rob Fleming, een dertiger die zojuist door zijn vriendin Laura is verlaten.

high fidelity film posterRob besteedt een groot deel van zijn tijd aan lijstjes, meestal in de vorm van een Top 5: van favoriete boeken, meisjes die hem gedumpt hebben, waanzinnigste gitaarsolo’s, beste Motown-duetten – en ga zo nog maar even door. Hij en zijn vrienden, allemaal oudere jongeren die nooit helemaal volwassen zijn geworden, zijn nogal monomaan bezig met popmuziek. En met lijstjes dus.

Tijdens een chic etentje merkt Rob jaloers op dat de andere gasten, zoals de succesvolle vrienden van zijn mooie ex-vriendin Charlie, allemaal meningen hebben. Zelf heeft hij alleen maar lijstjes. En wat stellen die nou voor tegenover meningen? Zo zit hij zichzelf steeds maar omlaag te halen.

‘Rob, stop daarmee!’ zou je hem willen toeroepen. Want lijstjes hebben zo veel te bieden.

Uit persoonlijk archief

Lijstje uit persoonlijk archief

Een Top 5 is op zijn tijd zelfs onmisbaar. Want je laat ermee zien – aan jezelf en je omgeving – wie je bent. Niemand maakt immers dezelfde keuzes uit de onmetelijke hoeveelheid aan meer of minder belangwekkende dingen die er op de wereld bestaan. En als uiting van je identiteit is een lijstje onmiskenbaar eleganter dan een mening.

Bovendien: als je leven een chaos is – omdat je vriendin je in de steek heeft gelaten of omdat je überhaupt niet weet hoe je je leven richting moet geven -, dan vormt een lijstje een ideale vluchtheuvel. Een klein eiland om bij te komen voordat je je weer op het woelige water begeeft. Een veilige plek waarop je met je vrienden oeverloos en vrijblijvend kunt kissebissen over wat wel en niet een plek op het lijstje verdient. Dat is toch zeker verre te verkiezen boven in je eentje doelloos dobberen op een ruwe zee?

Nick Hornby 2

Nick Hornby

Nick Hornby zegt het in High Fidelity niet met zoveel woorden, hij laat het Rob ook niet zeggen, maar ik ben ervan overtuigd dat hij het met me eens is: lijstjes zijn beter dan meningen. Wat vind jij?

Albumverjaardag – Fulfillingness’ First Finale van Stevie Wonder

hoes Fulfillingness' First FinaleVandaag, 22 juli 2014, wordt Stevie Wonders Fulfillingness’ First Finale 40 jaar. Een mooie leeftijd. Kunnen we F3, zoals we het album tegenwoordig wel mogen afkorten, inmiddels op waarde schatten?

Op zijn dertiende is Little Stevie Wonder (1950) al een van de sterren uit de stal van Motown, de zwarte hitfabriek in Detroit van de roemruchte Berry Gordy. Maar geleidelijk weet hij zich aan het regime van Motown te ontworstelen. De multi-instrumentalist wil geen verzameling hitsingles meer opnemen, maar echte (concept-)albums maken. Hij laat zich beinvloeden door klassieke muziek, jazz, reggae, latin. Midden jaren zeventig maakt hij de platen die tot zijn hoogtepunten gerekend worden: Talking Book (1972),  Innervisions (1973), Fulfillingness’ First Finale (1974) en Songs In The Key of Life (1976).

Stevie Wonder middenF3 lijkt qua aandacht altijd een beetje gesandwiched tussen Innervisions en SITKOL. Misschien speelde de moeilijk uitspreekbare titel de recensenten parten. Maar F3 bevat tien fantastische nummers, zonder een enkele zwakkere broeder ertussen. De sound is warm en ruimtelijk. De gospelachtige koortjes en het toetsenwerk zijn fabelachtig. En geen enkel nummer duurt te lang – en dat kun je van SITKOL toch echt niet zeggen.

Luister maar. Smile Please: fijne opener, met zijn lichte latin-touch. ‘Too Shy To Say’: kwetsbaar en openhartig. ‘Boogie On Reggae Woman’ met zijn lekkere mix van boogie, reggae en funk. De invoelbare liefdestwijfel van Creepin’, met die waanzinnige mondharmonicasolo. Het felle ‘You Haven’t Done Nothing’, over politici die hun verkiezingsbeloften vergeten zodra ze op het pluche zitten.

En natuurlijk met They Won’t Go When I Go, dat Wonder schreef samen met tekstdichter Yvonne Wright. Misschien wel de mooiste ballad die hij ooit op de plaat zette – en dat zegt wel iets.

Hoor je het verstilde piano-intro al? Het doet denken aan Chopin of Beethoven, het heeft iets van een dodenmars. Niet gemakkelijk om naar te luisteren. Het lied beneemt letterlijk de adem: met zijn sombere tekst, gedragen akkoorden en die verschillende melodielijnen van zang, piano en toetsinstrumenten.

Het tussenstuk voert je even weg, naar een gospel- en bluesachtige climax: ‘There ain’t no room for the hopeless sinner / Who will take more than he will give’. Dan weer terug naar die langzame droevige mars. ‘When I go / Where I’ll go / No one can keep me / From my destiny.’

Stevie Wonder nuDit lied overschrijdt alle grenzen van een standaard popnummer. Dit gaat over rechtvaardigheid, het Laatste Oordeel. Veelzeggend: Stevie Wonder speelde het nummer ook bij de herdenkingsplechtigheid voor Michael Jackson in 2009. Maar na zoveel zwaarmoedigheid wil Wonder F3 afsluiten met twee opwekkende latin-achtige nummers: ‘Bird of Beauty’ en ‘Please Don’t Go’. Weer met die prachtige koortjes.

Waar staat Fulfillingness’ First Finale nu, 40 jaar na verschijning? Wat mij betreft trots als het onmisbare derde steunpunt in de driehoek met Innervisions en SITKOL. En samen vormen die drie platen misschien wel het bovenste deel van de pop-piramide van de jaren zeventig. Overdreven? Ik denk het niet. Want welke andere artiest maakte ooit in een paar jaar tijd drie van zulke topplaten op rij?

 

Take Me To The River – Al Green

Klik eerst op de muzieklink – lees dan verder.

Al GreenHet begint tamelijk rustig. Een steady beat van bas, gitaar en drums, wat toetsen en strijkers. Daaroverheen een gesproken intro: Al Green draagt het lied op aan ene Junior Parker, een recent overleden familielid van de zanger. Hij sluit de inleiding af met ‘We’d like to carry on in his name’. En dan begint het.

‘I don’t know why I love you like I do / After all the changes you put me through / You stole my money and my cigarettes / And I haven’t seen hide nor hair of you yet.’ De zanger beleeft zijn liefde als een kwelling, maar de problemen volgen het prozaïsche stramien van veel bluesnummers. In de overgang naar het refrein blijkt de pijn echter dieper te zitten. Klaaglijk klinkt het: ‘I wanna know / Won’t you tell me / Am I in love to stay?’

De zanger rekt die laatste vertwijfelde vraag tot het maximale op, het akkoord blijft tergend lang hangen. Als het refrein dan eindelijk komt, voelt dat als een oplossing: ‘Take me to the river / Wash me in the water / Won’t you cleanse my soul / Put my feet on the ground.’ De begeleiders blazen het vuurtje onder dit brouwsel perfect aan. De bas pompt door, maar laat ruimte voor het vraag- en antwoordspel van de zanger en de vette blazersriff die alles bijeenhoudt. De muziek houdt ondertussen steeds iets in, de spanning blijft.

Waar gaat het over? De symboliek komt uit de Bijbel, uit de kerk. De onderdompeling in de rivier, als bij Johannes de Doper, is de verlossing van zonden. Zijn het de zonden van het vlees, waarvoor Green hier verlossing vraagt? Het zou kunnen, maar de rituele wassing lijkt tegelijk veel op een sexual healing, zoals bij zijn collega Marvin Gaye. Luister naar het tussenstuk: ‘Hold me, love me, please me, tease me / Till I can’t, till I can’t take no more’. Liefde als marteling en bevrijding tegelijk.

Het bijzondere is: het nummer duwt tot het eind toe steeds tegen de allerlaatste oplossing aan. In het laatste, repeterende refrein gaat Green over op zijn bekende falset, met hoge gekwelde kreten. De zanger zit dicht bij de volledige overgave, maar de ultieme climax blijft alsmaar uit. Gekmakend. Kippenvel.

Al Green nuTen tijde van ‘Take Me To The River’, in 1974, was Al Green (1946) uitgegroeid tot popster en sexsymbool. Maar hij worstelde met deze rol, trok zich terug uit de muziekbusiness en werd dominee. Pas in de jaren ’90 verzoende hij zich geleidelijk met zijn wereldse verleden en speelde hij het nummer weer live. We zien dan een iets andere Green. Nog steeds stijlvol en soulful, maar minder gekweld. Alles wijst erop dat het wereldse en het hogere voor hem nu wél verenigbaar zijn. In 2009 verschijnt zijn autobiografie. Getiteld Take Me To The River.