popmuziek

Wat deed Mark Knopfler verkeerd?

dire straitsMark Knopfler, voorman van Dire Straits, had eind jaren ‘70 een vliegende start. Het eerste album en de single ‘Sultans of Swing’ maakten hem meteen tot de lieveling van publiek en critici. Knopflers sfeervolle liedjes en zijn uit duizenden herkenbare gitaarstijl waren een verademing tussen de punkers en symfonische rockers van die tijd. Hij werd vergeleken met JJ Cale en Bob Dylan. Het kan slechter.

Mark Knopfler 2Maar slechts een paar jaar later is het beeld 180 graden gedraaid. Dire Straits zijn weliswaar heel populair, maar voor poprecensenten zijn ze onmiskenbaar in de categorie Fout beland. De groepsnaam is synoniem met Uitverkoop van Idealen en met ‘muziek voor volwassenen’ (Adult Rock), een van de ergste dingen die je in Popland toegevoegd kunt krijgen. Serieuze popliefhebbers begonnen hun platen van de Britse band achter een kastdeurtje te zetten.

logo PhilipsHoe kon dat zo komen? Tja, Knopfler c.s. hadden natuurlijk hun open rootsy geluid ingeruild voor een wat pompeuzere rocksound dichtgesmeerd met toetsen. En ja, ze lieten hun wereldtournee sponsoren door een multinational (Philips). En ze transformeerden wel erg snel van cult- tot stadionband, dat ook nog eens. Maar was dat voldoende om zo verguisd te worden?

hoes debuutcd Dire StraitsNee, natuurlijk niet. Maar ik denk dat Knopfler (Glasgow, 1949) er in feite om vroeg. Ik bedoel letterlijk. Luister maar naar de debuutplaat van Dire Straits. In Sultans of Swing liet Knopfler duidelijk merken meer op te hebben met muzikale ambachtelijkheid dan met het gangbare modebewustzijn in de popmuziek: ‘And a crowd of young boys, they’re foolin’ around in the corner / Drunk and dressed in their best brown baggies and their platform soles /  They don’t give a damn about any trumpet playin’ band / It ain’t what they call rock and roll.’

hoesje In The GalleryEn in het nummer In The Gallery doet de Britse singer-songwriter er nog een schepje bovenop met zijn verhaal over Harry, een traditioneel werkende beeldhouwer die miskend wordt door de kunstcritici en galeriehouders: ‘It was in his blood and in his bones / Ignored by all the trendy boys in London and in Leeds / He might as well have been making toys or strings of beads / He could not be in the gallery.’ Pas na zijn dood krijgt Harry de verdiende erkenning: ‘And now all the vultures are coming down from the tree / So he’s going to be in the gallery.’

Wie zo zijn visitekaartje afgeeft komt vroeg of laat in aanraking met de smaakpolitie, dat wist Knopfler ook wel. Hij vond het misschien ook helemaal niet erg.

Met Emmylou Harris in Ahoy, Rotterdam, 2006

Dit alles hoeft gelukkig niemand ervan te weerhouden om – stiekem of niet – van Knopflers muziek te blijven genieten. Bijvoorbeeld van zijn bijzondere samenwerking met de Amerikaanse countrygitaarveteraan Chet Atkins (Neck and Neck, 1990), of zijn fraaie duetten met Emmylou Harris op All The Roadrunning uit 2006.

hoes PrivateeringOf van zijn soloplaten natuurlijk, zoals Sailing to Philadelphia (2000), Get Lucky (2009) of Privateering (2012): sfeer- en smaakvolle folk, blues en country, met het subtiele gitaarwerk, de donkere praatzang en de beeldende teksten zoals we die al kennen van dat allereerste Dire Straits-album. Gewoon goeie, vakkundige nummers – categorie Fout of niet.

Het mooiste kerstlied

Joni Mitchell BlueMijn favoriete kerstlied is een nummer dat eigenlijk geen kerstlied is. Hoop en saamhorigheid zijn er niet in te ontdekken. Maar River, van Joni Mitchells sterk autobiografische album Blue (1971), raakt wel een snaar diep vanbinnen.

It’s coming on Christmas / They’re cutting down trees / They’re putting up reindeer / And singing songs of joy and peace / Oh, I wish I had a river I could skate away on.

Joni MitchellDe zangeres is haar lief kwijt. Verdriet en zelfverwijt strijden om voorrang. Ontheemd voelt Mitchell zich ook. Ver weg van haar vaderland Canada, in het groene Californië met zijn merkwaardige muziekwereldje. De gezellige kerstrituelen maken dat alles nog ondraaglijker. Alleen een bevroren rivier lijkt een oplossing te kunnen bieden:

I wish I had a river so long / I would teach my feet to fly / Oh, I wish I had a river I could skate away on / I made my baby say goodbye.

Hoe persoonlijk ook, ‘River’ is herkenbaar voor iedereen die het gevoel van zweven op de ijzers kent. En vooral voor hen die zich oneindig ver verwijderd voelen van hun directe omgeving. Het lied steekt al die eenzame zielen een hart onder de riem door te zeggen: er is een uitweg. Als het gezelschap van mensen je niets te bieden heeft, is er altijd – in de werkelijkheid of in je hoofd – nog het lege landschap van sneeuw en ijs dat jou wel begrijpt. Het maakt ‘River’ tot een van de ontroerendste (kerst)liedjes die ik ken.

Heb je ook een mooi kerstnummer dat je wilt delen? Wees welkom om dat hier te doen.

Donderweg – als in een roadmovie door de rock & roll

DonderwegJaap Boots (Bergen, 1961) was jarenlang dj bij de VPRO-radio (o.m. Villa 65, Club3VOOR12, Shouting Boots), speelde in diverse bands en schreef over popmuziek voor Vrij Nederland en HP/De Tijd. Begin dit jaar nam hij afscheid bij de radio. Boots ‘paste niet meer in het zenderplaatje’ of zoiets. Gelukkig is er nu een boek.

Bruce 3In Donderweg – de zeer letterlijke vertaling van ‘Thunder Road’ van Bruce Springsteen – vertelt Boots aanstekelijk en vol vaart over zijn ervaringen in de wereld van de popmuziek – of rock & roll, zoals hij het zelf noemt. Over zijn ontmoetingen met artiesten, over zijn radio- en tv-werk en over de plaats van popmuziek in zijn eigen leven. Het knappe is: Boots is observator én fan tegelijk.

Donderweg heeft als ondertitel ‘Mijn leven in de fast lane van de popmuziek’. Ik vermoed hier enige ironie. Hoe dan ook, het boek staat vol prachtige anekdotes. Over helden die in werkelijkheid ook echt helden blijken te zijn, zoals Tom Waits en Iggy Pop. Over een overweldigend concert van metalband Slayer in de Leidse Groenoordhallen, waar Boots bijna ten onder gaat in een zee van bier, zweet, modder en decibellen. Over het pure entertainment van de Golden Earring waarin hij ondanks zichzelf wordt meegezogen. En nog veel meer.

djEen groot deel van de internationale alternatieve popscene komt in Donderweg voorbij. Tegelijk is het boek zeer herkenbaar Hollands, met een kelderdiscotheek, saaie duindorpen waar het altijd waait en inkijkjes in het medialand van Hilversum: de wereld van radiomakers, omroepbazen en zendercoördinators, waarin ‘de muziekpolitie’ het steeds meer voor het zeggen heeft.

Joe Jackson - hoes Is She Really Going Out With HimMaar het mooiste zijn de persoonlijke stukken over ‘wat rock & roll met je doet’, zoals Boots het zelf zegt. Zo is Springsteen voor de opgroeiende Jaap als een begripvolle grote broer. En Joe Jacksons ‘Is She Really Going Out With Him?’ biedt hem in zijn puberjaren een waardige plek als toeschouwer. Later is er Nick Cave, die een speciale positie in Boots’ hart inneemt omdat diens From Her To Eternity het enige was dat hem als twintiger troost bood in een pijnlijk rouwproces.

roadmovieDonderweg leest als een trein. Of eigenlijk als een roadmovie. Een film waarin je samen met de hoofdfiguur in een grote oude auto door een weids rock & roll-landschap zoeft. Onderweg ontmoet je de meest wonderlijke figuren en neem je afslagen naar het onbekende. En kom je tot een paar frisse inzichten waarmee je verder kunt. Zo’n boek is Donderweg. Dus als je nog iets zoekt dat ze voor jou onder de kerstboom mogen leggen …

Donderweg affiche theatershowP.S. Jaap Boots maakte op basis van Donderweg ook een one-man-theatershow. Met plaatjes en live-muziek. Ik las lovende recensies. Zijn speellijst vind je hier.

 

Namedropping: ‘Hail Hail Rock ‘n’ Roll’ van Garland Jeffreys

hail hail rock n roll hoesGarland Jeffreys (1943), in ons land vooral bekend van zijn hitsingle ‘Matador’ uit 1979, scoorde in 1992 nog een keer met Hail Hail Rock ‘n’ Roll. Het nummer is afkomstig van Jeffreys’ album Don’t Call Me Buckwheat uit 1992, dat vooral gaat over race relations.

Garland Jeffreys 3De Newyorkse singer-songwriter, met Puertoricaanse en zwarte wortels, laat in dit lied een hele stoet levende en dode r&r-legendes aan de luisteraar voorbijtrekken: naast Chuck Berry zijn dat Little Richard, Bo Diddley, Fats Domino, Elvis Presley, Gene Vincent, Buddy Holly, Jerry Lee Lewis. De hoopvolle boodschap: rock & roll kan de kloof tussen blank en zwart dichten.

The King of Inbetween - hoesNa een stilte van vele jaren verrast Jeffreys in 2011 – op zijn 63e – vriend en vijand met The King of Inbetween. De stomende mix van rock, soul, blues, reggae en ska maken het tot een van de meest opwekkende albums over sterfelijkheid die je je kunt voorstellen. Luister maar naar de levenslustig stampende boogie ‘til John Lee Hooker Calls Me:

‘I’m not getting any younger / I’m not feeling very old / But I’m not shoppin’ for my cemetery tomb soon / I’m gonna wait till John Lee Hooker makes room.’

John Lee HookerZe moeten daarboven nog maar even op hem wachten, vindt Jeffreys. En ondertussen eert hij weer zijn muzikale voorbeelden: naast John Lee Hooker zijn dat nu Louis Armstrong, Frank Sinatra, James Brown en opnieuw Fats Domino en Bo Diddley. Boodschap: rock & roll – breed opgevat – is de aangewezen remedie om het spook van de dood te verdrijven.

Met een interval van bijna twintig jaar produceerde Garland Jeffreys dus twee namedropping-nummers die niet alleen naar andere artiesten, maar ook naar elkáár verwijzen. Een beetje zoals ook te zien was bij ‘Sweet Home Alabama’ van Lynyrd Skynyrd.

twee boeken van J.D. SalingerDe werkwijze van Jeffreys doet me denken aan schrijvers die hun personages op subtiele wijze laten terugkeren in een volgend boek, bijvoorbeeld eerst als bij- en later als hoofdfiguur. Waarbij het latere een nieuw licht werpt op het eerdere. Ik heb daar nogal een zwak voor. De Amerikaanse auteur J.D. Salinger (1919-2010) deed het bijvoorbeeld met de fictieve familie Glass in Franny and Zooey, Raise High the Roof Beam, Carpenters en Seymour: An Introduction.

SpinvisIn de popmuziek moeten meer fraaie sequels zoals ‘Hail Hail’ en ‘John Lee Hooker’ te vinden zijn. Zelf kom ik nu alleen op Spinvis, met het pracht-duo ‘Ronnie gaat naar huis’ (Spinvis, 2002) en ‘Ronnie knipt zijn haar’ (Tot ziens, Justine Keller, 2011). Maar verder schiet me niets te binnen. Dus als je zo’n tip hebt, laat het me weten!

Geïnteresseerd geraakt in The King of Inbetween van Garland Jeffreys? Lees deze boeiende albumbespreking in Muddy Water Magazine.

Een literaire rockster?

Bruce 1Onlangs las ik op internet over de literaire inspiratiebronnen van Bruce Springsteen. De VPRO-gids van diezelfde week meldde dat de nieuwe plaat van Johnny Marr (ex-The Smiths) vernoemd was naar Homo ludens van historicus Johan Huizinga. En als je zo even verder zoekt, kom je op talloze plekken de leesvoorkeuren van popsterren tegen.

J Kessels The NovelMaar andersom? Kun jij één auteur noemen die de wereld graag laat weten welke popmuziek hij of zij op de iPod heeft staan? Ik niet. Klassieke muziek speelt soms nog wel een rol, zoals bij Maarten ’t Hart en Anna Enquist, maar popmuziek? Er zijn een paar uitzonderingen, zoals countryfan P.F. Thomèse (J. Kessels: The Novel) en (post)punker Jonathan Franzen (Vrijheid). Maar verder schittert de popmuziek in de literaire wereld vooral door afwezigheid.

Ik vraag me af hoe dat komt. Leven schrijvers in een stiltegebied? Luisteren ze alleen naar klassiek of jazz? Nauwelijks voorstelbaar, zeker niet bij de huidige generatie. Biedt popmuziek dan een te beperkte inspiratiebron voor een hele roman? Misschien. Een gemiddeld liedje duurt maar een paar minuten en telt hoogstens twintig regels tekst. Toch is dat ook geen logische verklaring: goeie nummers wekken in dat korte bestek een complete wereld of een diep-tragische geschiedenis tot leven. Genoeg basisstof voor een vuistdikke roman.

Nick CaveIk vrees dat het uiteindelijk toch om maatschappelijke status gaat. Ja, status. Zelfs anno 2014. Want ook na al die eeuwen vooruitgang geldt literatuur nog steeds als hoge kunst, en popmuziek als lage. Schrijvers halen zichzelf omlaag als ze laten zien popmuziek serieus te nemen. Het aanzien van ‘oppervlakkige’ popmuzikanten stijgt juist als ze af en toe een (goed) boek blijken te lezen. Sommige popartiesten zetten dan ook nog een stapje omhoog: ze gaan zelf schrijven. Denk aan Huub van der Lubbe (De Dijk) en Thé Lau (The Scene) en in het buitenland aan muzikale wildeman Nick Cave.

Karl Ove KnausgardMaar ho – de schone letteren reiken ook naar de rock & roll. Jawel. Want schrijvers snakken diep in hun hart naar de populariteit en de coole uitstraling van popartiesten. Dat blijkt vooral bij de man die op jaloersmakende wijze het beste van twee werelden heeft: Karl Ove Knausgård, de schrijver van de zesdelige autobiografie Mijn strijd.

Vader van Karl Ove KnausgardKnausgård krijgt niet alleen uitstekende recensies. De Noor verkoopt ook miljoenen boeken en heeft met zijn onaangepaste karakter en ruige looks de bohemien-uitstraling waar de meeste van zijn collega’s alleen maar van dromen. De media geven hem al het vaste voorvoegsel ‘literaire rockster’ – de mooiste titel die een kunstenaar tegenwoordig lijkt te kunnen krijgen. Maar wat mij betreft is dat toch net iets te veel eer. Hoe meeslepend en verslavend Mijn strijd ook mag zijn, Knausgård is geen popster. Mocht-ie willen. Hij is gewoon een vet rockende schrijver.

Kippenvel – ‘Beauty Way’ van Eliza Gilkyson

Eliza Gilkyson‘My father made a pretty damned good living / Playing music on the Beauty Way / He’s gonna die with some money in his pocket / Wish I could do the same today, little darling / Wish I could do the same today’.

Zo begint ‘Beauty Way’, de openingstrack van het album Hard Times in Babylon (2000) van Eliza Gilkyson. Zet hem maar op (Spotify). Dat is wat je noemt met de deur in huis vallen. En met die details, je voelt dat dit uit het leven gegrepen moet zijn.

DSC_0523Na het wrang-humoristische openingsvers duikt de Amerikaanse singer-songwriter terug in de tijd. Vertelt hoe ze vanaf haar tienertijd de lokroep van de muziek volgde. Geen gemakkelijk leven, zingt ze, want al heb je soms succes, ‘you’re never hot enough’. En hoe hard je ook werkt, in de muziekbusiness regeren de dagkoersen: ‘It’s not something you control’.

De toon is bitter, wereldwijs. Een scheurende slide-solo zet haar klaagzang kracht bij. En het wordt nog erger. In het volgende couplet identificeert ze zich zelfs met coyotes die vuilnishopen afstruinen. Hoe diep kun je zinken. Maar in het laatste couplet vindt ze op de een of andere manier vanuit het diepe dal toch weer de weg omhoog:

‘Sometimes I wish I could unplug this cord / And my soul or my money I could save / Oh but every time I say I’m gonna quit the Beauty Way / I hear my bones just turning in their grave, little darling / Bones turning in their grave’.

Er is geen ontkomen aan: stoppen is zichzelf verloochenen. De Beauty Way, de rituele helende weg van de Najavos, is voor Gilkyson blijkbaar ook de veelbezongen ‘road’ van de moderne Amerikaanse troubadours. En het is de enige weg die ze kan gaan.

De Gilkysons in de studio

De jonge Gilkysons (Eliza in het midden) vergezellen hun vader Terry in de studio, circa 1956.

Wat het precies is met dit nummer? Is het zo interessant om te luisteren naar een artiest die zich beklaagt over gebrek aan succes? Blijkbaar wel. ‘Beauty Way’ is een publieksfavoriet bij Gilkysons concerten. En bij mij. Misschien komt het doordat er in het nummer heel wat op het spel staat. Niet voor niets komt de dood tweemaal om de hoek kijken. Bovendien gaat het, onder de letterlijke betekenis van de tekst, over iets universeel menselijks: de worsteling om het bestaan, de zoektocht naar je eigen bestemming. Over ploeteren en vooruitkomen. Twee stappen vooruit, één achteruit. Of andersom. En toch doorgaan op je pad. Want dat is jouw pad.

Maar bovenal: zo rauw en doorleefd hoor je niet vaak iemand over zijn of haar leven zingen. Ook al weet je niets over de achtergrond van Gilkyson (Hollywood, 1951, dochter van een succesvol filmcomponist), je voelt gewoon dat ‘Beauty Way’ waarachtig is. Het resultaat is – in elk geval bij mij – kippenvel.

Meer weten over Eliza Gilkyson? Klik hier.

Albumverjaardag – The Nightfly van Donald Fagen

Donald Fagen hoes The NightflyVandaag is het precies 32 jaar geleden dat Donald Fagens The Nightfly verscheen. Destijds, in 1982, waren de meningen over het eerste soloalbum van de zanger-toetsenist van Steely Dan nogal verdeeld. Die van mijzelf trouwens ook, herinner ik me: ‘mooi, maar veel te glad’ – in dat soort categorieën dacht ik als 19-jarige. Het album bleef in de schaduw hangen van erkende Steely Dan-klassiekers als Aja (1977) en Gaucho (1980). Ten onrechte. Want The Nightfly is zo’n plaat die elk jaar mooier wordt.

The Nightfly is een conceptalbum in de beste betekenis van dat beladen woord: een verzameling liedjes die één thema speels en van verschillende kanten benadert. In een krappe 39 minuten brengt Donald Fagen (Passaic, New Jersey, 1948) een hele verdwenen wereld tot leven: die van een Amerikaanse tiener die eind jaren ’50 gegrepen wordt door de (jazz)muziek, de beat-poets en het verlangen naar het spannende leven dat hem over een paar jaar te wachten staat. Ook de muziek op het album ademt helemaal de sfeer van die tijd, bijvoorbeeld het swingende Ruby Baby (een cover van Leiber en Stoller), het jazzy ‘Walk Between the Raindrops’ en ‘Maxine’, met zijn vijfstemmige zangpartijen. Ondertussen is de digitale productie van begin jaren ’80 strak en modern – anno 2014 klinkt de plaat nog steeds fris en lekker.

IgylogoI.G.Y. is het bekendste nummer. Dit International Geophysical Year is niet verzonnen; dit was een internationaal wetenschappelijk project uit 1957-1958 dat beoogde de wereld te verbeteren door middel van de techniek. Met de ontnuchterende kennis van de voorafgaande 25 jaar kijkt de zanger in dit nummer terug op dat naïeve optimisme. Maar niet cynisch. De volwassen Fagen veroordeelt zijn jeugdige alter ego niet. Dat het mooie van The Nightfly: nostalgie en ironie houden elkaar perfect in evenwicht.

Donald Fagen als jonge jongenHet is waarschijnlijk ook Donald Fagens meest persoonlijke album. Bij Steely Dan verschansten hij en zijn muzikale partner Walter Becker zich achter een façade van cryptische songteksten en schimmige antwoorden in interviews. In de liner notes van The Nightfly schrijft Fagen echter dat de liedjes een weergave zijn van ‘certain fantasies that might have been entertained by a young man growing up in the remote suburbs of a northeastern city during the late fifties and early sixties, i.e., one of my general height, weight and build’. Voor Fagens doen ongehoord expliciet.

Donald Fagen nuNa The Nightfly maakte Fagen nog drie soloalbums: Kamakiriad (1993), Morph the Cat (2006) en Sunken Condo’s (2012). Stuk voor stuk geweldige platen, luister/kijk maar eens naar Wheather in My Head. Maar toch, geen daarvan haalt het voor mij bij zijn eersteling. Soms lijkt het of de zanger zich na The Nightfly liever weer terugtrok in zijn comfort zone. Jammer, maar bij nader inzien volkomen logisch. Zo’n album maak je maar eens in je leven.

Meer weten? Lees dit boeiende Engelstalige artikel uit 2007 naar aanleiding van de jubileumeditie van The Nightfly.

JJ Cale – 17e-eeuwer in de Americana

Joost van den VondelTijdens mijn studie Nederlands in de jaren 80 maakte ik schoorvoetend kennis met de literatuur van de 17e eeuw. Het leek me nogal stoffig. Wat bleek? Als je er eenmaal mee bezig was, vond je in de gedichten en toneelstukken van Bredero, Huygens en de grote Vondel alles wat literatuur zo boeiend kan maken: drama, humor, prachtige taal en ontroering.

Een andere eye-opener was dat deze schrijvers uit de Renaissance vooral bezig waren met imiteren. Copyright bestond nog niet; originaliteit was geen belangrijk criterium voor kunstenaars. Dat nabootsen van beroemde klassieke voorbeelden begon met het kennen en opvolgen van de voorschriften van de verschillende literaire genres: translatio (vertalen) en imitatio (creatief bewerken). De schrijver moest eerst leren een tragedie, komedie of epos volgens de regelen der kunst op te zetten. De laatste en moeilijkste stap was de aemulatio: het overtreffen van de grote voorbeelden.

JJ CaleDe in 2013 overleden JJ Cale doet in veel dingen denken aan die 17e-eeuwers. De bescheiden singer-songwriter uit Tulsa, Oklahoma kende de regels van de traditionele Amerikaanse muziekgenres als zijn broekzak, van country en rockabilly tot jazz en blues. Dat hoor je terug in het gemak, de loomheid, de losjes samenhangende ritmes, in de ruimte die zijn muziek altijd ademt.

stoofpotjeMaar Cale deed meer dan alleen de roots-genres volgen. Hij brouwde zijn eigen unieke stoofpotje, waarin hij de bekende stijlen door elkaar klutst terwijl ze toch herkenbaar blijven. Een vuurtje eronder en sudderen maar – dat is aemulatio à la JJ Cale. Zijn voorbeelden overtreft hij door op het juiste moment van de regels af te wijken, zoals in Crazy Mama, een blues die verrast door zijn melodieuze overgang. Of in Anyway The Wind Blows, waarin je blijft wachten op een wending die nooit komt.

The BreezeBij zijn overlijden, zo herinner ik me, was er belachelijk weinig aandacht in de media. Terwijl Cale de loop der popgeschiedenis toch aardig heeft bijgebogen. Misschien was die relatieve stilte voor Eric Clapton en een paar muzikale vrienden reden om een fijne tribute-cd te lanceren: The Breeze. An Appreciation of JJ Cale.

Eric ClaptonEric Clapton, Mark Knopfler, John Mayer, Tom Petty en een paar andere cracks kozen uit Cale’s rijke repertoire zestien goeie nummers en zetten die met veel liefde en respect opnieuw op de plaat. Met het mooiste respect dat je kunt bedenken. Sommige liedjes imiteren de meester zo sterk dat ze nauwelijks van het origineel zijn te onderscheiden, inclusief Cale’s kenmerkende mompelzang. Bij andere liedjes reiken ze vergeefs naar zijn niveau, als om hun nederigheid tegenover het grote voorbeeld te tonen. Maar een enkel nummer is juist net iets strakker, een solo wat puntiger, een groove iets dieper. Clapton & Friends beseften ook dat je de meester pas echt eert door hem hier en daar te overtreffen.

Hoeveel kleuren kun je de blues geven – Robert Cray

Cray - hoes Strong PersuaderDe wereld maakte in 1984 kennis met Robert Cray via de hitsingle ‘Right Next Door’. Het blues-popnummer bezorgde hem het imago van gladde maar sympathieke schuinsmarcheerder. En hoewel de overspelige liefde in zijn werk geregeld terugkomt, liet de zanger-gitarist in de tussenliggende dertig jaar zien meer in zijn mars te hebben dan alleen het bekende idioom van de blues.

Cray cd hoes in kleurenWant de blues is wel uniek in zijn aardsheid, kracht en intensiteit, maar het wordt ook gauw meer van hetzelfde. Dat vond Robert Cray (Georgia, VS, 1953) ook. Daarom verkent hij op elk van zijn meer dan 20 albums hoeveel kleuren je de blues kunt geven zonder de grondtoon te verliezen. Dat doet hij door al zijn muziek – ook soul, rock, pop, ballads – te zingen en spelen met de intonatie en intensiteit die kenmerkend is voor de blues, terwijl de liedjes zelf vaak sterk afwijken van het vaste stramien van drie akkoorden en 12 maten. Cray

Cray’s teksten beperken zich niet tot het vaste blues-thema van hartzeer in relaties. Hij zingt ook over zulke uiteenlopende onderwerpen als belastingen, de problemen die ontstaan als je de jackpot wint, kind-ouderrelaties en de impact van oorlog. Puristen verwijten hem wel dat zijn blues te glad en te weinig doorleefd is. Pure onzin wat mij betreft. Cray’s bijdrage is juist dat hij het oude genre levend en wel de 21e eeuw in heeft gebracht voordat het voorgoed in de vergetelheid zou wegsukkelen.

Cray blauw shirtMaar bij Robert Cray moet je wel goed luisteren. De diamantjes openbaren zich soms pas na meermaals luisteren, als zijn puntige gitaarlicks zich onuitwisbaar in je hoofd blijken te hebben genesteld. Bijvoorbeeld in het meeslepende These Things (Midnight Stroll, 1990), met zijn krachtige soulzang en stuiterende tremolo gitaarsolo. Of in ‘Passing By’ (Shame & A Sin, 1993), waarin jeugdige bravoure heeft plaatsgemaakt voor een openhartige overdenking over hoe je een huwelijk goed kunt houden.

DSC_0504Live weet Cray op zijn beste momenten tot diep in je ziel door te dringen, zoals ik tweemaal heb ervaren. Omdat elke noot, uit zijn strot of zijn gitaar, dan bij hem uit het diepst van ziel komt. Check him out!

Namedropping: ‘Sweet Soul Music’ van Arthur Conley

Arthur Conley hoesEen klein maar bijzonder hoekje in de popmuziek is gereserveerd voor nummers waarin andere popartiesten worden genoemd. Deze vorm van ‘namedropping’ kan mij vaak erg bekoren. In een liedje werkt het vaak goed, als een verrassende knipoog of als oprecht eerbetoon. Daarom ga ik in Goeie Nummers de komende tijd af en toe een ‘namedropping’-nummer onder de loep nemen. Als je een suggestie hebt – laat het me weten!

Een van de ultieme nummers in dit mini-genre – misschien ook een van de vroegste – is het opzwepende ‘Sweet Soul Music’ van Arthur Conley uit 1967. Je weet wel, van ‘Do you like good music? Yeah yeah. Sweet soul music? Yeah yeah.’ En van ‘spotlight on James Brown, spotlight on Wilson Picket’. En anders herinner je je de strakke blazersriff vast wel: tehhh-tetetete-tète tete… tehhh-tetetete- tète te.

packshot Een soulman in de AchterhoekIn het boekje Een Soulman in de Achterhoek gaat journalist John Schoorl in 2000 op bezoek bij Arthur Conley, die dan al twintig jaar min of meer anoniem op het Nederlandse platteland woont. De zanger, dan 54, doet Schoorl uit de doeken hoe de wereldhit destijds tot stand kwam. De basis was een nummer van zijn held Sam Cooke (1931-1964), ‘Yeah Man’. Conley herschreef het samen met zijn grote voorbeeld en leermeester Otis Redding tot ‘Sweet Soul Music’. Zoiets was toen niet ongebruikelijk, er zaten nog niet overal advocaten bovenop.

otis reddingOtis Redding was de grote ster van het legendarische Stax-label uit Memphis waarbij ook Carla Thomas, Eddie Floyd en Booker T. & The MG’s onder contract stonden. De reeks namen van zwarte soulsterren in het nummer – ook Sam & Dave en Lou Rawls kwamen voorbij – had alles te maken met de verhouding tussen Otis Redding en de platenbazen, vertelt Conley.

Die opsomming was namelijk een soort promotiestunt voor de eigen muziekproductiemaatschappij die Redding wilde oprichten. The Big O. had er genoeg van afhankelijk te zijn van blanke platenbazen en muziekuitgevers die rijk werden over de ruggen van hardwerkende zwarte artiesten. Hij wilde zelf de controle hebben en een ‘brown-eyed people-entertainment-industry’ oprichten. Niet meer knecht zijn, maar eigen baas.

Martin Luther King met publiekDe single ‘Sweet Soul Music’, waarvan wereldwijd meer dan een miljoen exemplaren werden verkocht, is dus meer dan alleen een lekkere groove om op uit je dak te gaan. Het is een statement dat naadloos aansluit bij de Amerikaanse burgerrechtenbeweging van die tijd. Wat Martin Luther King deed met zijn toespraken, deed Conley met zijn buigzame stem. ‘Sweet Soul Music’ en ‘I have a dream’ liggen niet zo ver van elkaar.

packshot Sweet Soul MusicWie meer wil weten over de relatie tussen soul en zwarte burgerrechten, leze het boek Sweet Soul Music. Rhythm and Blues and the Southern Dream of Freedom (1986) van Peter Guralnick, met boeiende portretten van soulsterren als Solomon Burke, James Brown, Percy Sledge en Aretha Franklin.

En hoe het Arthur Conley verder verging? Na het tragische vliegtuigongeluk waarbij Otis Redding eind 1967 omkwam, kon hij zijn draai in de muziekbusiness niet goed meer vinden. Hij week uit naar Europa; eerst Brussel, toen Amsterdam en ten slotte Ruurlo (Gelderland). Hij overleed er in 2003 en werd begraven in het nabijgelegen Vorden.

 

Waarom lijstjes belangrijk zijn

loesje - to do lijstjeLijstjes. We kunnen er geen genoeg van krijgen. Ik tenminste niet. To-do-lijstjes, bucket lists, de Top 2000, lijstjes met persoonlijke muziekfavorieten, gelezen boeken, top-concerten. Herkenbaar?

Nick Hornby High FidelityLijstjes maken kan zelfs een vorm van kunst zijn. Dat zie je bijvoorbeeld in het boek High Fidelity van Nick Hornby uit 1994. Deze hilarische en herkenbare Britse roman  – in 2000 verfilmd door Stephen Frears, met John Cusack in de hoofdrol – gaat over platenhandelaar Rob Fleming, een dertiger die zojuist door zijn vriendin Laura is verlaten.

high fidelity film posterRob besteedt een groot deel van zijn tijd aan lijstjes, meestal in de vorm van een Top 5: van favoriete boeken, meisjes die hem gedumpt hebben, waanzinnigste gitaarsolo’s, beste Motown-duetten – en ga zo nog maar even door. Hij en zijn vrienden, allemaal oudere jongeren die nooit helemaal volwassen zijn geworden, zijn nogal monomaan bezig met popmuziek. En met lijstjes dus.

Tijdens een chic etentje merkt Rob jaloers op dat de andere gasten, zoals de succesvolle vrienden van zijn mooie ex-vriendin Charlie, allemaal meningen hebben. Zelf heeft hij alleen maar lijstjes. En wat stellen die nou voor tegenover meningen? Zo zit hij zichzelf steeds maar omlaag te halen.

‘Rob, stop daarmee!’ zou je hem willen toeroepen. Want lijstjes hebben zo veel te bieden.

Uit persoonlijk archief

Lijstje uit persoonlijk archief

Een Top 5 is op zijn tijd zelfs onmisbaar. Want je laat ermee zien – aan jezelf en je omgeving – wie je bent. Niemand maakt immers dezelfde keuzes uit de onmetelijke hoeveelheid aan meer of minder belangwekkende dingen die er op de wereld bestaan. En als uiting van je identiteit is een lijstje onmiskenbaar eleganter dan een mening.

Bovendien: als je leven een chaos is – omdat je vriendin je in de steek heeft gelaten of omdat je überhaupt niet weet hoe je je leven richting moet geven -, dan vormt een lijstje een ideale vluchtheuvel. Een klein eiland om bij te komen voordat je je weer op het woelige water begeeft. Een veilige plek waarop je met je vrienden oeverloos en vrijblijvend kunt kissebissen over wat wel en niet een plek op het lijstje verdient. Dat is toch zeker verre te verkiezen boven in je eentje doelloos dobberen op een ruwe zee?

Nick Hornby 2

Nick Hornby

Nick Hornby zegt het in High Fidelity niet met zoveel woorden, hij laat het Rob ook niet zeggen, maar ik ben ervan overtuigd dat hij het met me eens is: lijstjes zijn beter dan meningen. Wat vind jij?

Take Me To The River – Al Green

Klik eerst op de muzieklink – lees dan verder.

Al GreenHet begint tamelijk rustig. Een steady beat van bas, gitaar en drums, wat toetsen en strijkers. Daaroverheen een gesproken intro: Al Green draagt het lied op aan ene Junior Parker, een recent overleden familielid van de zanger. Hij sluit de inleiding af met ‘We’d like to carry on in his name’. En dan begint het.

‘I don’t know why I love you like I do / After all the changes you put me through / You stole my money and my cigarettes / And I haven’t seen hide nor hair of you yet.’ De zanger beleeft zijn liefde als een kwelling, maar de problemen volgen het prozaïsche stramien van veel bluesnummers. In de overgang naar het refrein blijkt de pijn echter dieper te zitten. Klaaglijk klinkt het: ‘I wanna know / Won’t you tell me / Am I in love to stay?’

De zanger rekt die laatste vertwijfelde vraag tot het maximale op, het akkoord blijft tergend lang hangen. Als het refrein dan eindelijk komt, voelt dat als een oplossing: ‘Take me to the river / Wash me in the water / Won’t you cleanse my soul / Put my feet on the ground.’ De begeleiders blazen het vuurtje onder dit brouwsel perfect aan. De bas pompt door, maar laat ruimte voor het vraag- en antwoordspel van de zanger en de vette blazersriff die alles bijeenhoudt. De muziek houdt ondertussen steeds iets in, de spanning blijft.

Waar gaat het over? De symboliek komt uit de Bijbel, uit de kerk. De onderdompeling in de rivier, als bij Johannes de Doper, is de verlossing van zonden. Zijn het de zonden van het vlees, waarvoor Green hier verlossing vraagt? Het zou kunnen, maar de rituele wassing lijkt tegelijk veel op een sexual healing, zoals bij zijn collega Marvin Gaye. Luister naar het tussenstuk: ‘Hold me, love me, please me, tease me / Till I can’t, till I can’t take no more’. Liefde als marteling en bevrijding tegelijk.

Het bijzondere is: het nummer duwt tot het eind toe steeds tegen de allerlaatste oplossing aan. In het laatste, repeterende refrein gaat Green over op zijn bekende falset, met hoge gekwelde kreten. De zanger zit dicht bij de volledige overgave, maar de ultieme climax blijft alsmaar uit. Gekmakend. Kippenvel.

Al Green nuTen tijde van ‘Take Me To The River’, in 1974, was Al Green (1946) uitgegroeid tot popster en sexsymbool. Maar hij worstelde met deze rol, trok zich terug uit de muziekbusiness en werd dominee. Pas in de jaren ’90 verzoende hij zich geleidelijk met zijn wereldse verleden en speelde hij het nummer weer live. We zien dan een iets andere Green. Nog steeds stijlvol en soulful, maar minder gekweld. Alles wijst erop dat het wereldse en het hogere voor hem nu wél verenigbaar zijn. In 2009 verschijnt zijn autobiografie. Getiteld Take Me To The River.

 

 

 

Onverwachte dwarsverbanden – Pieter Steinz

Robert Johnson“Een lachebekje was hij niet, Jakobus Cornelis Bloem. Zijn gedichten, waarin het altijd zachtjes lijkt te regenen, zijn de Hollandse pendant van de blues. De beroemde oneliners (‘En dan: ’t had zoveel erger kunnen zijn’, ‘Alles is veel voor wie niet veel verwacht’) zijn variaties van het ‘Woke up one morning…’ en ‘I’ve been down so long’ van de grote blueszangers.”

Dichter J.C. Bloem als de Nederlandse Robert Johnson – een verrassende vergelijking. Hij is te vinden in de rubriek Lezen met ALS van Pieter Steinz, in NRC Boeken. Deze blog, met ongeveer wekelijks een post, is onmisbaar voor wie houdt van boeken, popmuziek en al het andere dat het leven de moeite waard maakt. Vandaar dat Goeie Nummers ditmaal even niet over popmuziek gaat, maar over een ander blog.

Made in EuropePieter Steinz (1963), oud-Chef Boeken van NRC Handelsblad, publiceerde al een reeks boeken over literatuur en andere cultuuruitingen, en is ook bekend van optredens in DWDD. Zijn recentste succesnummer is Made in Europe (2014), een speelse ‘bijbel’ van de Europese cultuur.

Ongeveer een jaar geleden werd bij Steinz de progressieve spierziekte ALS geconstateerd. Die ziekte uit zich bij hem in vermoeidheid en moeite met spreken en ademen. In het blog Lezen met ALS verbindt hij zijn ziekteverloop met de boeken die hij herleest: van de Griekse meesters en Alice in Wonderland tot Het Sleutelkruid van Paul Biegel en de Russische klassieker Oblomov. Hij trekt parallellen tussen die verhalen en persoonlijke zaken uit zijn eigen leven, zoals een bucket list, de wonderlijke medische wereld, slapeloosheid, lijdzaamheid en het werkende bestaan.

Steinz koppelt belezenheid aan een brede culturele belangstelling (hoge en lage kunst, dus ook popmuziek) en scpieter steinzhrijft zeer aanstekelijk en toegankelijk. Als hij bijvoorbeeld zijn huidige, noodgedwongen zeer rustige, levenswijze vergelijkt met zijn vroegere bestaan, leidt dat tot zinnen als: “Het hoogtepunt was Eerste Paasdag, toen ik me voelde als de hedendaagse Oblomov die in het Kinks-liedje ‘Sunny Afternoon’ gelaten alle ellende in zijn leven van zich af laat glijden terwijl hij lekker luiert op een zonnige namiddag.”

J.C. BloemHet meest bijzonder vind ik Steinz’ oog voor onverwachte dwarsverbanden tussen verschillende kunsten – of tussen de kunst en het leven. Zoals in het stuk over polderbluesman J.C. Bloem. In dat stuk ontdekt hij onder de oppervlakte van Bloems klaagzangen ook een retorisch stijlmiddel: “[…] net als de Amerikaanse bluesmen schiep Bloem een duivels genoegen in overdrijving. Vergeefsheid was zijn thema, en dus tamboereerde hij op het zinloze van het bestaan. ‘Ik heb van het leven vrijwel niets verwacht, / ’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen’, dichtte hij in ‘De nachtegalen’.”

Die overdrijving is volgens Steinz bedoeld om tegenspraak uit te lokken. En tegenspraak geeft hij de oude dichter ook, welsprekend en persoonlijk. Zo verbindt Steinz de onverwachte overeenkomsten tussen Hollandse poëzie en zwarte populaire muziek ook nog eens met zijn eigen leven. Het is – hoe moet ik het zeggen – even ontroerend  als  bewonderenswaardig. Niet te missen vooral. Check him out.

You Can Call Me Al – Paul Simon

hoes single You Can Call Me Al‘You Can Call Me Al’. Hitsingle van Paul Simon uit 1986. Afkomstig van zijn succesalbum Graceland. Koddig videoclipje met Chevy Chase. En natuurlijk dat catchy riffje: Páá PaPa Pá, Páá PaPa Padá. Onlangs hoorde ik het nummer voorbijkomen op de radio, en ik vroeg me af of dit luchtige deuntje misschien een dubbele bodem bevat. Paul Simon (Newark, New Jersey, 1941) verstopt in zijn bedrieglijk opgewekte muziek immers wel vaker ingewikkelde of sombere hersenspinsels.

‘You Can Call Me Al’ geeft daarvoor inderdaad wel een paar aanwijzingen. In het eerstes couplet zien we een man die kennelijk in een midlife-crisis zit: ‘A man walks down the street / He says, Why am I soft in the middle now? / The rest of my life is so hard!’ Hij voelt zich eenzaam en verloren: ‘My nights are so long! / Where’s my wife and family? / What if I die here?’ Existentiële vragen zonder antwoord, maar het blijft verteerbaar door de nonchalante praat-zang en de absurde woordkeuze: ‘Don’t want to end up a cartoon, in a cartoon graveyard’.

Dan komt het  refrein: ‘If you’ll be my bodyguard, / I can be your long lost pal! / I can call you Betty, / And Betty, when you call me, / You can call me Al!’ Dit raadselachtige toneelstukje lijkt een oplossing te bieden. Maar wat betekenen die nieuwe namen, die lijfwacht en die verloren kameraad voor de problemen van de man?

Paul Simon (ca. 2010)Een tipje van de sluier wordt opgelicht door een anekdote uit Paul Simons persoonlijke leven. De zanger en zijn toenmalige echtgenote Peggy verschenen eens op een feestje waar de gastheer hen per abuis aanzag voor het echtpaar ‘Al’ en ‘Betty’. Simon tilt dit alledaagse voorval in ‘You Can Call Me Al’ naar een ander niveau: als de gast en de gastheer/vrouw afspreken hun bestaande naam en identiteit te vergeten, kunnen ze allebei nieuwe rollen aannemen. De verrassende deal geeft ruimte: we kunnen helemaal opnieuw beginnen, zonder de ballast van het verleden. Geen gekke oplossing voor iemand in een mid-life crisis.

In het derde couplet komt er nog iets anders bij. De man bevindt zich hier in een vreemd land, wellicht in de Derde Wereld. Hij is onthand omdat hij de taal niet spreekt, geen ruilmiddel tot zijn beschikking heeft. In deze onzekere situatie gaan de ogen van de man weer open. In die onbekende wereld, met zijn nieuwe beelden, klanken en geuren krijgen de dingen om hem heen plotseling weer betekenis. Hij ontwaart ‘angels in the architecture’. Sterker nog, deze nieuwe wereld brengt hem verlossing: ‘Amen, Hallejulah’.

Als je dan het refrein er weer bij betrekt, lijkt de zanger in dit ogenschijnlijk luchtige liedje zelfs een voorstel te doen voor een nieuwe verhouding tussen Noord en Zuid, rijk en arm, blank en zwart: de rijke landen beschermen de arme met hun macht en geld (bodyguard), en in ruil daarvoor wordt de ontheemde westerse blanke weer opgenomen in de mensengemeenschap (long lost pal). Dan kunnen ze allebei weer met een schone lei beginnen. Of zie ik er nu te veel in?

hoes GracelandDat is mogelijk, maar ik denk het niet. Paul Simon heeft de grote maatschappelijke en existentiële thema’s nooit geschuwd. Bovendien was hijzelf ten tijde van Graceland  het middelpunt van een felle controverse over de omgang met de apartheid in Zuid-Afrika. Nee, ik ben ervan overtuigd dat ‘You Can Call Me Al’ gewoon gaat over de menselijke existentie, wedergeboorte, verlossing en een nieuwe wereldorde. Páá PaPa Pá, Páá PaPa Padá.

 

Hoe geuren en muziek instant herinneringen oproepen

hejira foto van coverRuik ik kaneel en koffie, dan hoor ik een fractie van een seconde later Joni Mitchell zingen over ‘dreams and false alarms’. Hoor ik ‘Amelia’ van Joni’s beroemde album Hejira (1976), dan denk ik meteen aan een vriendin die ik in de loop der jaren uit het oog verloor. Geregeld ervaar ik hoe krachtig muziek en geuren allebei in een flits hele werelden kunnen terugroepen in het bewustzijn. Maar er is vast ook een verschil tussen de werking van klanken en aroma’s. Hoe zit dat eigenlijk? Ik neem mezelf maar eens als proefpersoon.

marcel proustIn Marcel Prousts romancyclus Op zoek naar de verloren tijd is het de geur en smaak van een madeleine, gedoopt in bloesemthee, die bij de hoofdpersoon de sluizen van de herinnering openzetten. In meer dan drieduizend bladzijden wekt de Franse schrijver (1871-1922) vervolgens een verdwenen wereld zeer gedetailleerd en zeer persoonlijk tot leven. Ik vraag me af of muziek hetzelfde vermogen heeft om zoveel gevoelens en details op te roepen.

Muziek lijkt sterker aan specifieke levensfases te plakken: bij het horen van een bepaald lied denk je vaak terug aan één bepaalde tijd. Zo ben ik bij ‘I Was Made For Loving You’ van Kiss en ook bij ‘Cheek to Cheek’ van Lowell George meteen weer 15 jaar en sta ik ongelukkig te zijn in een dampende campingdisco in het zuiden des lands. Waaruit overigens blijkt dat elk liedje, ongeacht de kwaliteit, kan dienstdoen om onbedoeld wat oude wonden open te rijten.

soulfeest jaren zeventigWat muziek veel beter kan dan geur, is een collectief tijdsbeeld oproepen. Bij ‘Staying Alive’ wordt ik ongetwijfeld samen met heel veel generatiegenoten teruggevoerd naar klassenfeestjes met rijtjes suf dansende leeftijdsgenoten. Inclusief de bijbehorende permanentjes en soulbroeken. Instant herkenning. Ook zijn er nummers die je samen met een geliefde of in een vriendenclub intens hebt beleefd: ‘ons nummer’. Als je zo’n lied na lange tijd weer hoort, voel je die oude verbondenheid opeens weer, alsof de tijd heeft stilgestaan.

dampend kopje koffieBij geuren lijkt het allemaal veel individueler te zijn. Geuren lijken via een onzichtbare weg verbinding te maken met een oud gevoel. Een gevoel dat helemaal van jou is, dat alleen jij kent. Moeilijk in woorden te vangen, moeilijk te delen met anderen. Ik associeer die geur-herinneringen ook altijd met een weldadige eenzaamheid. De tijd staat speciaal voor mij even stil.

De wetenschap heeft vast veel interessants te melden over de zintuigen, het geheugen en dit specifieke fenomeen. Discussiestof voor later. Voorlopig eindigt de wedstrijd Herinneringen Oproepen voor mij in een remise tussen geuren en muziek. Beiden zijn supersnel en krachtig, maar geur gaat dieper, muziek is socialer. Mee eens? Herken jij je in dit verhaal? Ik ben benieuwd naar jouw beleving.

Graham Parker & The Rumour in Paradiso – dubbelreünie

graham parker toen 2 ‘Hij is buitengewoon klein, draagt immer een zwarte zonnebril en heeft zich omringd met een aantal van Groot-Brittannië’s beste popmusici.’ Zo kondigde het VPRO-radioprogramma Amigos de Musica in 1978 een live-opname van Graham Parker & The Rumour aan. Waarna de Britse angry young man met zijn band losbarstte in een stomende versie van ‘Pourin’ It All Out’ – een van zijn klassiekers. De aankondiging en het nummer staan in mijn geheugen gegrift.

Gisteravond kwam het allemaal terug. Op het podium in Paradiso stonden Graham Parker & The Rumour. De band is dertig jaar na hits als ‘Hey Lord, Don’t Ask Me Questions’ singlehoes Hey Lord Don't Ask Me Questionsen ‘New York Shuffle’ weer herenigd. En het was gisteren een dubbelreünie, want ikzelf was in gezelschap van twee van de belangrijkste mensen uit mijn jeugd, mijn broer Wim en mijn oude vriend Robert, met wie ik overigens nog steeds muziek maak. Ruim vierendertig jaar geleden waren we in precies dezelfde samenstelling bij het eerste grote concert dat ik als 16-jarige mocht bijwonen, dat van – ja – Graham Parker & The Rumour, in het Congresgebouw in Den Haag.

graham parker nuBij zoveel overeenkomsten wordt de aandacht natuurlijk getrokken door de verschillen. Een daarvan is dat de mannen op het podium er inmiddels wel een heel stuk ouder uitzien. Sommige zijn zelfs bijna onherkenbaar. Maar zodra je dat constateert, vraag je je automatisch af of dat misschien ook voor jezelf geldt. En dan is het hek van de dam. Dan word je, net als bij een schoolreünie, bezocht door hardhandige vragen als: Heb ik mijn jeugddromen waargemaakt? Hoe steken mijn prestaties af bij die van de anderen? En als je niet oppast verandert een leuk uitje zomaar in een zwaar examen.

Gelukkig is daar dan de muziek. Muziek kan alles oplossen. Ze kan je meenemen, weg van al te moeilijke vragen, op een reis vol ontroering, opwinding en soul. En GP & the Rumour waren gisteravond uitstekend op die taak berekend. Je beleeft zo’n concert nooit zoals de allereerste keer, maar Pourin’ It All Out klonk nog even onstuimig en doorleefd als toen. Ook het latere werk werd bezield en krachtig gespeeld, zoals het verstilde You Can’t Be Too Strong. En dan herken je in de verweerde koppen van nu weer de jeugdige mannen die eronder verscholen zitten. Op het podium en in de zaal. Pfff.

Albumverjaardag – Bad Love (1999) van Randy Newman

Vandaag, 1 juni 2014, wordt Bad Love 220px-Bad_love15 jaar. Kort na verschijnen luisterde ik vaak op mijn walkman naar dit album van Randy Newman, in de trein op weg naar kantoor. Maar ja, samen met de cassettebandjes verdween Bad Love geleidelijk naar de achtergrond. Totdat collega en muziekliefhebber Bob Hartog, tevens leadzanger van LaagLicht, me er een paar jaar geleden gelukkig aan herinnerde.

Randy Newman (Los Angeles, 1943) trad in de jaren ’70 toe tot de eregalerij der singer-songwriters met prachtplaten als 12 Songs, Sail Away en Good Old Boys. Daarna werkte hij vooral achter te schermen als componist van filmmuziek. Met Bad Love keerde de Amerikaanse zanger-pianist in 1999 terug in de schijnwerpers. Scherper dan ooit. Niets en niemand ontziend. Ook zichzelf niet.

In de pijnlijk-hilarische rocker I’m Dead (But I Don’t Know It) gaat het bijvoorbeeld over ouder wordende rocksterren: ‘Everything I write sounds the same / Each record that I’m making / Is like a record that I’ve made /  Just not as good’. Gek genoeg klinkt zelfspot bij Newman nooit koket. Ik vermoed dat hij in z’n hart vreest dat het pop-cliché van de artiest-op-z’n-retour daadwerkelijk voor hemzelf opgaat.

In de aangrijpende ballade I Miss You bedankt Newman in zijn ex-vrouw, vele jaren na hun scheiding, voor de goede tijden en verontschuldigt hij zich voor zijn fouten.  ‘And it’s a little bit late / Twenty years or so […] But I’d sell my soul and your souls for a song.’ Hij vond het liedjesschrijven kennelijk altijd belangrijker dan al het andere. Het refrein lijkt op papier afgezaagd, maar de zinnen ‘I miss you / And I still love you so’ gaan door merg en been, door Newmans ongepolijste voordracht bovenop een prachtige melancholieke melodie.

In het topnummer The World Isn’t Fair wordt Karl Marx, aartsvader van het communisme, door Newman rondgeleid in het hedendaagse Karl Marxkapitalistische Amerika. Hoogtepunt is als hij Marx meeneemt naar de ouderavond van de basisschool van de kinderen uit zijn recente tweede huwelijk. ‘Karl, you never have seen such a glorious sight / As these beautiful women arrayed for the night / Just like countesses, empresses, movie stars and queens.’ De knappe jonge moeders worden veelal vergezeld door ‘men much like me / Froggish men, unpleasant to see / Were you to kiss one, Karl / Nary a prince would there be.’ Deze rijke kikkers hebben een aanzienlijke voorsprong bij de partnerkeuze – het is oneerlijk verdeeld in de wereld. Newman is tevreden en schaamt zich daarvoor, maar beseft met pijn in het hart dat hij niets dan compassie te bieden heeft.

En zo is er veel meer moois op Bad Love. De plaat is – misschien door zijn ervaring als filmcomponist in de jaren ’80 en ‘90 – muzikaal nog rijker en gevarieerder dan Newmans eerdere werk. De teksten zijn persoonlijker en schuren daardoor nog meer. Bad Love laat je lachen terwijl het pijn doet en doet je pijn terwijl je lacht. Dat is wel een felicitatie waard!

Het mooiste lied over verlies

In de afgelopen veertig jaar maakte hij tientallen albums. Beroemde collega-muzikanten, zoals Bonnie Raitt en R.E.M., namen zijn nummers op. Toch is Richard Thompson Richard Thompson(Londen, 1949) voor veel mensen nog steeds een onbekende. Moeilijk te bevatten. Hoewel, toen ik ooit – het moet in 1980 zijn geweest – met de Britse singer-songwriter kennismaakte, via het nachtelijke Rockpalast op de Duitse tv, had ik moeite om wakker te blijven. Ik zag een sombere, magere man met baardje die vooral lange en vreemde gitaarsolo’s produceerde. Pas in de jaren ’90 werd ik door hem gegrepen. Maar toen ook voorgoed. Hij is een van die bijzondere artiesten die constant is én ook na zoveel jaren nog steeds beter wordt.

Andere artiesten zingen vaak over stoere vrije jongens of ze vertellen een bekend verhaal over liefdesverdriet. Zo niet bij Thompson. De personen die hij in zijn liedjes opvoert zijn zelden opgewekte winnaars, maar wel uitstekende verliezers. En bij Richard Thompson heeft verliezen veel gezichten.

Misschien wel zijn mooiste verliesliedje is Beeswing, van Mirror Blue uit 1994 – een sobere folkballad met prachtig getokkelde gitaar over een man die vol weemoed terugdenkt aan het beeldschone vrijgevochten meisje waarmee hij jaren geleden in de Summer of Love een relatie had. Haar vrijheidsdrang was sterker dan alles. ‘And you wouldn’t want me any other way,’ voegde ze hem toe voor ze hem verliet.

De sobere, traditionele begeleiding leidt al onze aandacht naar het tragische verhaal dat hier wordt verteld. Inmiddels leeft de vroegere geliefde op straat, verslaafd aan heroïne, in gezelschap van een wolfshond. Haar vroegere schoonheid is verdwenen door ‘hard weather and hard booze’, heeft de zanger gehoord. Hij stelt zichzelf eerst nog even gerust met een dooddoener: ‘I guess that’s just the price you pay for the changes you refuse’. Maar zijn eigen verlies, beseft hij dan, is minstens zo groot:

If I could just taste all of her wildness now / If I could hold her in my arms today / Well I wouldn’t want her any other way’

Zo mooi als zijn leven toen was, wordt het nooit meer. Hij ziet welk deel van hemzelf onvervuld is gebleven – en zal blijven. Bij Richard Thompson wordt verliezen levenskunst. En mooi verliezen de hoogste deugd.

Het mooiste lied over verlies

In de afgelopen veertig jaar maakte hij tientallen albums. Beroemde collega-muzikanten, zoals Bonnie Raitt en R.E.M., namen zijn nummers op. Toch is Richard Thompson Richard Thompson(Londen, 1949) voor veel mensen nog steeds een onbekende. Moeilijk te bevatten. Hoewel, toen ik in 1980 met de Britse singer-songwriter kennismaakte, via het nachtelijke Rockpalast op de Duitse tv, had ik moeite om wakker te blijven. Ik zag een sombere, magere man met baardje die vooral lange en vreemde gitaarsolo’s produceerde. Pas in de jaren ’90 werd ik door hem gegrepen. Maar toen ook voorgoed. Hij is een van die bijzondere artiesten die constant is én steeds beter wordt.

Andere artiesten zingen vaak over stoere vrije jongens of ze vertellen een bekend verhaal over liefdesverdriet. Zo niet bij Thompson. De personen die hij in zijn liedjes opvoert zijn zelden opgewekte winnaars. Wel waardige verliezers. Bij Richard Thompson heeft verliezen veel gezichten.

Zijn misschien wel mooiste verliesliedje is Beeswing, van Mirror Blue uit 1994 – een sobere folkballad met prachtig gitaarspel over een man die vol weemoed terugdenkt aan het beeldschone vrijgevochten meisje waarmee hij jaren geleden in de Summer of Love een relatie had. Haar vrijheidsdrang was sterker dan alles. ‘And you wouldn’t want me any other way,’ voegde ze hem toe voor ze hem verliet.

De sobere begeleiding van traditionele instrumenten leidt alle aandacht naar het tragische verhaal. Inmiddels leeft de vroegere geliefde op straat, verslaafd aan heroïne, in gezelschap van een wolfshond. Haar vroegere schoonheid is verdwenen door ‘hard weather and hard booze’, heeft de zanger gehoord. Hij stelt zichzelf eerst nog even gerust met een dooddoener: ‘I guess that’s just the price you pay for the changes you refuse’. Maar zijn eigen verlies, beseft hij dan, is minstens zo groot:

If I could just taste all of her wildness now / If I could hold her in my arms today / Well I wouldn’t want her any other way’

Hij ziet welk deel van hemzelf onvervuld is gebleven – en zal blijven. Bij Richard Thompson wordt verliezen levenskunst. En mooi verliezen de hoogste deugd.

Robert & Alison

alison & robertIn reactie op mijn vorige blogpost, over de mooiste country-duetten, kreeg ik nogal wat vragen. Waarom ik George Jones & Tammy Winette (‘Take Me’) niet had genoemd. Of Dolly Parton & Kenny Rogers (‘Islands In the Stream’). Ik snap dat wel, het zijn ook prachtige duo’s en duetten. Ik koos er echter voor om me te beperken tot de zogenaamde alt.country, waar ik The Common Linnets voor het gemak maar onder reken. En de bovengenoemde artiesten vielen daar gewoon net even buiten.

Maar Robert Plant & Alison Krauss dan, hoe had ik die kunnen vergeten? Dat weet ik eigenlijk ook niet. Dat is gewoon een omissie. Hun eerste album is even buitengewoon als onvergetelijk. Zangeres-violiste Krauss (1971), het nachtegaaltje van de Amerikaanse bluegrass, samen met de Britse veteraan Plant (1948), bekend als pure rockzanger van Led Zeppelin. De beauty en de beast.

Dit onwaarschijnlijke stel leverde in 2007 de prachtplaat Raising Sands af, met de gelauwerde producer T-Bone Burnett, tevens verantwoordelijk voor de beroemde soundtrack van de film Oh Brother, Where Art Thou. Raising Sand bevat louter covers: country, folk en rock. De begeleiding van drums en gitaren is heel spaarzaam, maar ook diep en mysterieus. Tegen die achtergrond zingen Robert & Alison hun zwaarmoedige liedjes over liefdesverdriet en onvervuld verlangen. Wondermooie songs die klinken of ze al eeuwen bestaan.

Raising Sands bevat onder meer twee fantastische nummers van Gene Clark (1944-1991), voormalig zanger-gitarist in The Byrds. (Over Clark later nog eens meer, daar is nu geen ruimte voor.) Luister maar naar ‘Polly Come Home’ of naar ‘Through The Morning, Through The Night’ – en huiver. Of kijk naar dit filmpje, met een live-uitvoering van het goeie nummer Killing The Blues. De krachtige tenor van Plant gaat subtiel de strijd aan met de zuivere, engelachtige stem van Krauss. En niemand wint. Of ja, toch wel. De luisteraar, die wint.