Neil Young’s Af
ter the Goldrush, deze week vijftig jaar oud, was een van de eerste lp’s die ik kocht, omstreeks 1977 denk ik. Mijn fascinatie begon met de hoes: de voorkant somber donkergrijs met goudkleurige letters, de zanger die met opgetrokken schouders door een onbestemde straat loopt, de achterkant een close-up van Young’s hippiespijkerbroek. Binnenin de uitklaphoes ligt de artiest ontspannen met gitaar op een sofa. Zoveel vrijheid en melancholie, onweerstaanbaar voor de tiener die ik was, opgroeiend in slaapstad Zoetermeer.
En dat was alleen nog maar de buitenkant van After the Goldrush. Van het vinyl stegen de prachtigste liedjes op, vol liefdespijn en eenzaamheid. In 1977 was After the Goldrush al een oude plaat. Mijn klasgenoten draaiden nieuwe lp’s van The Eagles, Fleetwood Mac, ELO en Supertramp. Dit was iets anders. Vanaf het begin van mijn luistercarrière was ik gericht op de muziek van voor mijn tijd: The Beatles, CSNY, The Band, Joni Mitchell, de soul van Stax en Motown. De rol van buitenstaander paste me destijds het beste. (meer…)




Afgelopen maandagavond zag ik op NPO2 de documentaire Klanken van Oorsprong van Hetty Naaijkens-Retel Helmrich. Aan de hand van belangrijke hoofdrolspelers wordt hierin het verhaal verteld van de Indische Nederlanders die tussen 1946 en 1960 naar ons land kwamen en hier een muzikale carrière opbouwden. Van vroege rock-‘n-rollhelden als de Tielman Brothers en The Javelins tot The Blue Diamonds, Sandra Reemer en Doe Maar-toetsenist Ernst Jansz.
Ik zag de documentaire nu voor de tweede keer, de eerste keer was bij de bioscoop-release in 2018. In de zaal destijds vooral Indische Nederlanders, herinner ik me. Af en toe hoorde ik iemand zachtjes grinniken bij een smakelijke anekdote die de muzikanten, inmiddels flink op leeftijd, opdisten over hun gloriedagen. Soms werd het ook stil in de zaal, als lang verzwegen pijn naar boven kwam, bijvoorbeeld over het onbegrip waarop de Indische Nederlanders destijds in ons land stuitten. 

Begin jaren 90 kreeg ook Almere-Stad zijn eigen muziekwijk. Een wijk voor zo’n twintigduizend inwoners, met straten die werden vernoemd naar beroemde componisten en musici. Daarbij bleef men, zoals een stad op nieuw land betaamt, niet in het verleden hangen. Usual suspects Bach, Mozart en Beethoven liggen hier broederlijk naast nieuwlichters als Schönberg en Andriessen, en jazzcats als Louis Armstrong en Duke Ellington worden geflankeerd door hun jongere verwanten: de popartiesten.
Deze week op Goeie Nummers geen diepzinnige bespiegelingen over het wezen van de popmuziek of voorspellingen hoe het daarmee verder zal gaan. Wel even de spotlight op gewoon een paar associatief gekozen goeie nummers. Van oude bekenden en nieuwe sterren aan het firmament.
Op vrijdagmiddag ben ik toe aan wat rustgevende of juist opwekkende tracks. Jij ook? En dan komt Westerman (voluit Will Westerman) goed van pas. De 28-jarige singer-songwriter uit Londen heeft net zijn eerste album Your Hero Is Not Dead uitgebracht. De Volkskrant noemt hem vanwege zijn troostrijke popliedjes ‘de juiste man op het juiste moment’. Dit is zijn single
Een van de eerste Nederpopbands die ik als tiener in mijn hart sloot was Gruppo Sportivo, in 1978 goed voor hits als Hey Girl en Disco Really Made It. Maar ik had al een hele tijd niet meer aan de Haagse band van frontman Hans Vandenburg gedacht – tot ik eerder deze week mijn versie van de 
Overmorgen is het Vaderdag. Daarom is Goeie Nummers deze week op zoek gegaan naar een passende popsong om af te spelen als je hem zondagochtend, zeg maar, ontbijt op bed brengt. En hoewel er flink wat goeie vader-nummers bestaan, bleek het geen eenvoudige opgave om een echt goed vaderdaglied te vinden.
Singer-songwriter Loudon Wainwright III heeft waarschijnlijk meer dan welke artiest ook over gezinsrelaties geschreven, onder meer over zijn vader. Maar in liedjes als Older Than My Old Man Now en Surviving Twin slaat hij de spijker zo nauwkeurig op de kop dat de gezelligheid er enigszins onder lijdt. En wat ook niet echt stemmingsverhogend werkt – de zanger zingt over een vader die er niet meer is.
Afgelopen zondag 24 mei werd Bob Dylan 79 jaar. Een eerbiedwaardige leeftijd, zeker voor een popartiest, maar de aandacht voor deze verjaardag in de media leek eerder bij een jubileum te passen. De
Ik schreef daar een paar jaar geleden
De carrière van Nick Lowe is nauwelijks te bevatten. Eind jaren 70, begin 80 beleeft de Britse zanger-basgitarist successen als solo-artiest met inventieve maar weinig authentieke liedjes (I Love the Sound of Breaking Glass, Cruel To Be Kind). Terwijl zijn meesterwerken vanaf midden jaren 90 (The Impossible Bird, The Convincer) nooit meer dan een beperkte schare trouwe fans bereiken. Hoe kan dat? Is het een bewijs voor de stelling dat kwaliteit en commercieel succes gewoon niet kunnen samengaan?
Ik ging op zoek naar het antwoord in Lowe’s recente biografie Cruel To Be Kind, van de hand van popjournalist Will Birch. Birch sprak vele mensen uit Lowe’s omgeving, alsmede de man zelf, en biedt zo een mooi inkijkje achter de schermen van de publieke persona die de Engelsman ons laat zien. Zodat we geleidelijk steeds dichter bij de kern van het enigma komen.
Het wegvallen van popconcerten en festivals is een ramp. In de eerste plaats voor artiesten, organisatoren, zaaleigenaren en alle andere mensen die in de branche hun brood verdienen, zoals licht- en geluidstechnici en podiumbouwers. Maar ook veel popliefhebbers, waaronder ikzelf, hebben eronder te lijden.
Want voor elke rechtgeaarde popfan is het concert nog steeds dé plek voor de hoogste muziekbeleving en emotionele impact. Daar kan een plaatopname niet tegenop. Er is die onverklaarbare interactie tussen publiek en artiest, tussen een grote groep individuen die, zoals theaterredacteur Herien Wensink dat in de Volkskrant zo mooi noemt, een
Een grote broer hebben heeft veel voordelen, dat blijkt ook uit onderzoeken. Hij beschermt je tegen pestkoppen op het schoolplein. Hij maakt voor jou in het gezin de weg vrij op het gebied van uitgaan, drinken en aanverwante zaken. Volgens
Ik kan het weten. In de zomer van 1976 was ik twaalf (‘bijna dertien’) en mijn broer Wim vijftien. Hij lag qua ontwikkeling op alle fronten meerdere lichtjaren op mij voor, daar kan iedereen zich wel iets bij voorstellen. En naast broederliefde was er natuurlijk ook lichte rivaliteit – denk aan Kaïn-Abel, Jakob-Esau, Noel-Liam – dus ik probeerde in de daaropvolgende puberjaren uit alle macht aan te haken en de afstand te overbruggen. Het voornaamste middel daarvoor was de popmuziek.
Gouden platen, awards, tribute-albums, een rits tijdloze liedjes die mensen troost en inspiratie blijven bieden – na de dood van een artiest wordt dat alles een paar dagen later in de krant teruggebracht tot maximaal vierhonderd woorden. Zelfs een imposant artiestenleven lijkt dan zo futiel, bijna zinloos – en het leven van ons gewone stervelingen en passant nog meer. Dat gevoel kreeg ik vorige week toen ik de necrologieën las van Bill Withers, die op 30 maart op 81-jarige leeftijd overleed.
De Volkskrant
In deze coronatijd moeten we vanwege de ‘intelligente lockdown’ heel wat moeilijke dingen leren: gepaste afstand houden, hulp vragen – en alleen zijn. Vooral voor alleenstaanden kan dat laatste zwaar zijn. Een hug, een schouderklopje, samen eten, drinken, smoezen of bingewatchen – een groot deel van de dingen die het leven normaal kleur geven zijn nu onmogelijk.
In de krant las ik gisteren 








