
Onlangs liep ik met een volgeladen winkelkarretje in de plaatselijke Plus-supermarkt, mijn ogen gericht op de schappen met vuilniszakken. Opeens hoorde ik, net boven het winkelgeroezemoes uit, de uit duizenden herkenbare klanken van On the Border van Al Stewart: ´The fishing boats go out across the evening water’. Dat exotische beeld mengde zich instant met jaren 70-behang, een langwerpige jongenskamer, een pick-up, het gevoel dat er een leven voor me lag waarin alles kon gebeuren, in Spanje of andere exotische plaatsen. De boodschappen waren even helemaal vergeten.
Ik moest terugdenken aan een mooi artikel in The Times waarop een vriend me een tijdje geleden attendeerde. De Britse popjournaliste Caitlin Moran (1975) beschrijft hierin hoe ze in een doe-het-zelfzaak plotseling volschiet bij het horen van Tracy Chapmans hit Fast Car uit 1988. Een Proustiaanse stroom herinneringen aan haar tienertijd welt op, vooral aan de vlucht-fantasieën van de getroebleerde puber die ze was. Verborgen achter haar mondkapje zingt ze de tekst nu met beverige stem mee.



















Toen ik een tiener was, wist ik precies wat goed en niet goed was. In elk geval op het gebied van muziek. Alternatieve countryrock (Crosby, Stills, Nash & Young, The Band) was goed, Top 40 (ABBA, Michael Jackson) was fout. Folk, punk en new wave? Top. Disco, Franse chansons en het Nederlandse levenslied? Weg ermee. Houthakkershemden waren goed, gekke pakjes fout. Klassiek en jazz waren voor oude mensen, telden dus sowieso niet mee. Hoe heerlijk overzichtelijk was het leven.
Terugkijkend over meerdere decennia lijkt de ontwikkeling van mijn muzieksmaak het meest op het geleidelijk, één voor één, omvallen van hekken en schotten. Er gaat eigenlijk niets af, er komt alleen steeds meer bij. En dat proces gaat tot op de dag van vandaag door. Herkenbaar? 




