Komende zondag is het moederdag. Wie dat een commerciële nepfeestdag vindt kan nu meteen wegklikken. Maar doorlezen zou slimmer zijn, want mooie liedjes voor moeder kun je elke dag van het jaar draaien. Vandaag zoek ik naar liedjes waar je haar aanstaande zondag letterlijk en figuurlijk voor wakker kunt maken – nadat ze eerst natuurlijk lekker lang heeft uitgeslapen.
Er zijn niet superveel popsongs over moeder, valt me op. Met Stel dat het zou kunnen… maakte Jan Rot in paar jaar gelden weliswaar een van de allermooiste moederliedjes denkbaar, maar vandaag gaat het om liedjes voor levende moeders. Om diezelfde reden moet ook JJ Cale’s Blues for Mama helaas afvallen. (meer…)
Het wegvallen van popconcerten en festivals is een ramp. In de eerste plaats voor artiesten, organisatoren, zaaleigenaren en alle andere mensen die in de branche hun brood verdienen, zoals licht- en geluidstechnici en podiumbouwers. Maar ook veel popliefhebbers, waaronder ikzelf, hebben eronder te lijden.
Want voor elke rechtgeaarde popfan is het concert nog steeds dé plek voor de hoogste muziekbeleving en emotionele impact. Daar kan een plaatopname niet tegenop. Er is die onverklaarbare interactie tussen publiek en artiest, tussen een grote groep individuen die, zoals theaterredacteur Herien Wensink dat in de Volkskrant zo mooi noemt, een
Een grote broer hebben heeft veel voordelen, dat blijkt ook uit onderzoeken. Hij beschermt je tegen pestkoppen op het schoolplein. Hij maakt voor jou in het gezin de weg vrij op het gebied van uitgaan, drinken en aanverwante zaken. Volgens
Ik kan het weten. In de zomer van 1976 was ik twaalf (‘bijna dertien’) en mijn broer Wim vijftien. Hij lag qua ontwikkeling op alle fronten meerdere lichtjaren op mij voor, daar kan iedereen zich wel iets bij voorstellen. En naast broederliefde was er natuurlijk ook lichte rivaliteit – denk aan Kaïn-Abel, Jakob-Esau, Noel-Liam – dus ik probeerde in de daaropvolgende puberjaren uit alle macht aan te haken en de afstand te overbruggen. Het voornaamste middel daarvoor was de popmuziek.
Gouden platen, awards, tribute-albums, een rits tijdloze liedjes die mensen troost en inspiratie blijven bieden – na de dood van een artiest wordt dat alles een paar dagen later in de krant teruggebracht tot maximaal vierhonderd woorden. Zelfs een imposant artiestenleven lijkt dan zo futiel, bijna zinloos – en het leven van ons gewone stervelingen en passant nog meer. Dat gevoel kreeg ik vorige week toen ik de necrologieën las van Bill Withers, die op 30 maart op 81-jarige leeftijd overleed.
De Volkskrant
In deze coronatijd moeten we vanwege de ‘intelligente lockdown’ heel wat moeilijke dingen leren: gepaste afstand houden, hulp vragen – en alleen zijn. Vooral voor alleenstaanden kan dat laatste zwaar zijn. Een hug, een schouderklopje, samen eten, drinken, smoezen of bingewatchen – een groot deel van de dingen die het leven normaal kleur geven zijn nu onmogelijk.
In de krant las ik gisteren 











Soms hoor je een plaat waar recensenten dolenthousiast over zijn, maar die jou niets doet. Je vraagt je af of het aan jou ligt, of je misschien nog een keer moet luisteren, op een beter tijdstip – en soms is dat ook zo – maar soms krijg je geleidelijk het vermoeden dat je misschien een van de weinigen bent die ziet dat de keizer geen kleren aanheeft.
Ik had dat bijvoorbeeld bij Morning Phase van Beck, prominent aanwezig in de albumlijstjes van 2014: suffe prut van de voormalige ‘wonderboy’. En Michael Kiwanuka’s bejubelde Love & Hate uit 2016, dat mij in tegenstelling tot zijn eersteling volkomen koud liet. Vorig najaar kwam er een album uit dat zo’n zelfde discussie opriep, niet zozeer bij mij, maar tussen popjournalisten en fans: Ghosteen van Nick Cave.
Deze week stormt het in mijn hoofd. Twee klassieke popalbums, allebei een halve eeuw oud, strijden om mijn aandacht: Bridge Over Troubled Water van Simon & Garfunkel (26 januari 1970) en Moondance van Van Morrison, dat welgeteld één dag later uitkwam. Beiden maken aanspraak op de hoogste eer, willen dat ik partij kies. We laten ze netjes na elkaar pleiten, in volgorde van anciënniteit.
Bridge Over Troubled Water: de zwanenzang van Paul Simon en Art Garfunkel als duo balt hun werk van vijftien jaar samen. Twee stemmen die zo lang onafscheidelijk leken en samen evergreens als The Sound of Silence, Mrs. Robinson, Scarborough Fair en Homeward Bound tot grote hoogten zongen, nemen hier afscheid van elkaar en van ons. Op de toppen van hun kunnen, dat maakt het extra tragisch. Luister naar
Een goeie bijnaam doet veel. Ruud Gullit werd ‘De Zwarte Tulp’ genoemd, Eddy Merckx ‘De Kannibaal’. Jan Marijnissen was ‘Het Orakel uit Oss’, Margaret Thatcher ‘The Iron Lady’ en Angela Merkel was eerst ‘Das Mädchen’ en daarna ‘Mutti’. Allemaal aanduidingen die de publieke figuren nog wat extra boven andere stervelingen doen uitstijgen en tegelijkertijd de emotionele afstand tussen volk en icoon verkleinen.
Popartiesten kunnen hier natuurlijk niet bij achterblijven – denk aan ‘The Fab Four’ (The Beatles), ‘Your Majesty’ (Mick Jagger), ‘The Boss’ (Bruce Springsteen) en ‘The Queen of Soul’ (Aretha Franklin). Veelzeggende bijnamen, maar net als bij moppen en broodjeaapverhalen is de herkomst vaak in nevelen gehuld. Niemand kan of wil precies vertellen wie de naam heeft verzonnen, wanneer en waarom.
Allereerst: sorry dat ik je nu pas schrijf in plaats van twee weken geleden, op 27 december 1999, precies 25 jaar na je vertrek naar de pophemel. Een moeilijk afscheid was het, negen jaar na het bizarre ongeluk in New York toen een lichtbalk precies op je nek terechtkwam en je bijna totaal verlamd raakte. Laten we het daar niet meer over hebben.
Niet dat alle moeilijke dingen nu van tafel zijn. Ik ben nog een beetje in shock na het lezen van jouw levensverhaal, zoals opgetekend door je zoon Todd in
In 2006 werd Liege & Lief van Fairport Convention door de luisteraars van BBC Radio 2 uitgeroepen tot het meest invloedrijke Britse folkrockalbum aller tijden. Ook bij verschijning, in december 1969, kreeg het goede kritieken. En wie het album nu opzet, een halve eeuw later, wordt niet alleen getroffen door de tijdloze klasse maar ook door de manier waarop de groep – met onder meer gitarist Richard Thompson en zangeres Sandy Denny – zich het ‘klassieke erfgoed’ durfde toe te eigenen.
Alles lachte Fairport Convention in de eerste helft van 1969 toe. De Londense band, opgericht in 1967, had een nieuw, ambitieus platenlabel gevonden (Island Records) en met folkzangeres Denny voorzichtig een nieuwe koers ingezet. In januari was het album What We Did On Our Holidays uitgekomen, en de opnames voor opvolger Unhalfbricking waren in het voorjaar afgerond. 

Het genre gaat terug op antieke dichters als Homerus en Hesiodos, en werd begin deze eeuw uitgewerkt door musicalcomponisten als Cole Porter, Irving Berlin en Steven Sondheim. Maar ook de songwriters van Disneyfilms wisten wel raad met de list song. Niet zo vreemd ook, want een goed lijstje is goud waard: het zegt veel in weinig woorden, is lekker concreet en biedt volop mogelijkheden voor rijm, humor en de suggestie van oneindigheid. Je vraagt je af waarom eigenlijk niet alle liedjes lijstjesliedjes zijn.
Ook voor popmuzikanten is een rijtje een prima kapstok. Bobby Troup trapt in 1946 af met het onverwoestbare (Get Your Kicks on) Route 66, waarin hij de steden tussen Chicago en L.A. opsomt. Bob Dylan zet die trend door met onder meer Seven Curses, Subterranean Homesick Blues en All I Really Want To Do. En als je erop gaat letten, zie je de lijstjesliedjes overal.
Een tijd geleden
Laten die twee nu net allebei hoog op mijn favorietenlijstjes staan. Saunders met zijn bekroonde roman Lincoln in the bardo, Tweedy onder meer met het Wilco-album Yankee Hotel Foxtrot, een moderne klassieker uit 2000. En die epische conversatie (bijna 60 minuten) tussen de schrijver en de muzikant stelt niet teleur. Saunders is geen gewone vragensteller, hij is een kunstenaar, iemand met een eigen visie, die op voet van gelijkheid en met nieuwsgierigheid het gesprek met Tweedy aangaat. Met als resultaat dat je echt iets meer van de artiest gaat begrijpen.
Weinig artiesten zijn zo vaak bezongen als Joni Mitchell. Namedropping is in de popmuziek weliswaar zeker geen taboe, maar met een
Een klein deel van die liedjes is geschreven door mensen die haar persoonlijk kennen, zoals Graham Nash (Our House,