
Een popact met een nieuw album heeft veel concurrentie. Van andere artiesten, van andere leuke tijdsbestedingen. Het is dus zaak om de luisteraar meteen bij de lurven te pakken met een sterke openingstrack. Een lied dat hem of haar meteen de rest van het album in trekt en er tegelijkertijd een voorafschaduwing van is. Dat lijkt een moeilijke opgave, maar op mijn zoektocht naar de beste opener stuit ik al snel op een behoorlijke waslijst van goeie nummers die aan de criteria voldoen.
Wat denk je bijvoorbeeld van Purple Haze (Jimi Hendrix, Are You Experienced?). Call Me the Breeze (J.J. Cale, Naturally). Five Years (David Bowie, Ziggy Stardust and the Spiders from Mars). Chuck E’s in Love (Rickie Lee Jones). Refugee (Tom Petty & the Heartbreakers, Damn the Torpedoes). Rehab (Amy Winehouse, Back to Black). Meteen al een aardig lijstje, en bovendien gemakkelijk uit te breiden. Om het zoekgebied af te bakenen bepaal ik dat de beste openingstrack ook een nieuwe fase in de muziek van een artiest moet introduceren, zijn of haar programma moet laten horen. Welke liedjes en albums blijven dan over?
The Beatles hadden vanaf 1963 in razend tempo de wereld veroverd met hun innovatieve beatmuziek. Na Rubber Soul (1965) en Revolver (1966) moest er een nog grotere stap volgen: Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band. De albumtiteltrack kondigt niet alleen liedjes als With a Little Help From My Friends, She’s Leaving Home en Lucy in the Sky with Diamonds aan. Met de circus-achtige introductie van een fictieve band van de officier namen de Fab Four tegelijkertijd virtueel afscheid van hun oude zelf.
Aan de overkant van de oceaan luisterde collega Brian Wilson van The Beach Boys in eerste instantie vol verslagenheid naar Sgt. Pepper. Maar toen pakte hij de handschoen op en produceerde hij vrijwel in zijn eentje het meesterwerk Pet Sounds. Bijzondere melodieën, harmonieën en teksten kwamen samen in complex gearrangeerde popliedjes zoals ze nooit eerder in de popmuziek te horen waren. En het eerste wat de luisteraar daarvan meekreeg, was de onweerstaanbare uitnodiging Wouldn’t It Be Nice.
Maar ook dit lijstje laat zich zonder veel moeite aanvullen. Bijvoorbeeld met What’s Going On van Marvin Gaye uit 1971: hier klonk een nieuwe Marvin, een soulman die zich in losmaakte van de supercommerciële Motown-baas Berry Gordy. Of met London Calling, de opener van de gelijknamige lp van The Clash uit 1979, waarmee de band hun punksound 300% vergrootte naar de rest van de muziekwereld. Of denk aan Running Up That Hill van Kate Bush’ Hounds of Love, waarmee de Britse singer-songwriter zichzelf in 1985 opnieuw uitvond.
Om echt de onverbiddelijk beste openingstrack te kiezen moet de song daarom niet alleen wervend, representatief en programmatisch zijn voor de artiest of band, maar moet hij ook een nieuwe weg in het poplandschap openbaren, er liefst zelfs als een herkenningspunt voor een hele generatie bovenuit steken. Waar is die track te vinden?
Op het album Nevermind van Nirvana uit 1991. Op Smells Like Teen Spirit van Nirvana. Wat een nummer om een album mee te openen. Eerst die felle riff van een enkele kale gitaar, dan een vette distorted tweede gitaar eroverheen, dan een vreemd liggend akkoord, een schorre bezwerende stem vanuit de diepte, een afwachtende bridge en dan uiteindelijk die geschreeuwde ontlading in het refrein: “With the lights out, it’s less dangerous / Here we are now, entertain us / I feel stupid and contagious / Here we are now, entertain us.”
De single, het album, de band en het bijbehorende rockgenre grunge waren in één keer overal. En ze drukten een stempel op de hele jaren 90. Smells Like Teen Spirit is een anthem voor het decennium. Geen lied drukte de woede, de verlatenheid, de vervreemding van een generatie beter uit. De positie op dit iconische album kon niet beter gekozen zijn.















































Een tijd geleden zag ik in Parijs in Centre Pompidou enkele schilderijen van beroemde 20e-eeuwse meesters als Klee, Gris, Braque en Picasso. Opvallend, vooral toen ik erop ging letten: hoeveel muziekinstrumenten er op de doeken afgebeeld staan. En hoe vaak de schilders zelf schrijven over hun sterke drang om de dynamiek van muziek op het canvas te vangen. Er lijkt bijna afgunst in het spel te zijn!
Of het die kunstenaars gelukt is om op die tweedimensionale objecten evenveel beweging bij de kijker op te wekken als muziek teweeg kan brengen, zowel emotioneel als fysiek? Ik betwijfel het. Ritme, harmonie en melodie bestaan bij de gratie van tijd, en uit die dimensie is de schilderkunst nou juist verbannen. Hoe fraai en bijzonder het kunstwerk ook is, op Mondriaans Victory Boogie Woogie kun je niet dansen.
Maar dat wisten die schilders zelf ook wel. Waarschijnlijk probeerden ze het juist omdat ze wisten dat ze nooit zouden slagen. Ze wilden de hemel bestormen. En in de vergeefsheid van hun streven zit iets onbeschrijflijk moois. Iets heroïsch. En ongetwijfeld vertrouwden de kunstenaars erop dat ze zo in elk geval onbekende gebieden zouden ontdekken, oorden die ze anders nooit zouden hebben betreden.
Het leuke is, het kan ook andersom. Luister hoe Bob Dylan, niet toevallig ook schilder, zich in 1971 door de beeldende kunst liet inspireren. In
Om het cirkeltje rond te maken – ook veel schrijvers worden tot op het bot uitgedaagd door de muziek. Dichters als Guido Gezelle en Herman Gorter arrangeerden hun woorden tot het uiterste om musici en componisten te evenaren. Ze kwamen behoorlijk in de buurt,
En iedereen die over muziek wil schrijven, komt op een bepaald punt ook bij een kloof die onoverbrugbaar lijkt.